De zaak betreft een voorlopige voorziening tegen het besluit van het CBR om het rijbewijs van verzoeker ongeldig te verklaren per 15 september 2025 wegens het niet meewerken aan een opgelegde Educatieve Maatregel Gedrag en Verkeer (EMG).
Verzoeker betwist dat hij de uitnodigingsbrieven voor de cursus heeft ontvangen. De rechtbank stelt vast dat de aangetekende brief van 17 juli 2025 niet op regelmatige wijze is aangeboden, omdat geen afhaalbericht is achtergelaten en verzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat hij deze niet heeft ontvangen. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat de niet-aangetekende brief is ontvangen.
De voorzieningenrechter concludeert dat het CBR het rijbewijs ten onrechte ongeldig heeft verklaard. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen, waardoor het besluit wordt geschorst tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Tevens wordt het CBR veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.