ECLI:NL:RBLIM:2026:309

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
ROE 25/1489
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12.15 Wsf 2000Art. 3.1 Wsf 2000Art. 7.3b WHWArt. 7.9d WHWArt. 2.14 WHW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing tegemoetkoming voucher wegens alleen wo-bachelor niet in strijd met gelijkheidsbeginsel

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om hem geen tegemoetkoming voor een voucher toe te kennen. De minister wees het verzoek af omdat eiser alleen een wo-bachelor heeft afgerond en niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden die een hbo-bachelor of het geheel van een wo-bachelor en wo-master vereisen.

De rechtbank heeft het beroep inhoudelijk behandeld en geoordeeld dat de wetgever bewust heeft gekozen voor deze regeling, waarbij alleen met een hbo-bachelor of een volledige wo-bachelor plus wo-master aanspraak bestaat op de voucher. De rechtbank verwijst naar de wetsgeschiedenis en eerdere jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en rechtbank Amsterdam ter onderbouwing.

Eiser stelde dat het onderscheid tussen wo- en hbo-bachelor onrechtvaardig is en niet strookt met zijn rechtsgevoel, mede omdat zijn opleiding destijds niet als hbo-bachelor beschikbaar was. De rechtbank erkent dat dit voor eiser nadelig is, maar benadrukt dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft en dat het financiële nadeel onvoldoende is om het beroep gegrond te verklaren.

De rechtbank concludeert dat er geen sprake is van een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat eiser geen tegemoetkoming voor een voucher ontvangt omdat hij alleen een wo-bachelor heeft afgerond.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/1489

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de minister

(gemachtigde: G.J.M. Naber).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van de minister eiser een tegemoetkoming voor een voucher toe te kennen. Eiser is het daar niet eens met. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister terecht geen tegemoetkoming voor een voucher heeft toegekend.
1.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het (primaire) besluit van 27 maart 2025 heeft de minister het verzoek van eiser om een tegemoetkoming voor een voucher afgewezen, omdat eiser niet aan de voorwaarden voldoet. Met het bestreden besluit van 21 mei 2025 is de minister daarbij gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en gronden aangevoerd. De minister heeft daarop schriftelijk gereageerd en nog aanvullende stukken ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [naam 1] (eisers vader) en de gemachtigde van de minister. Daarnaast was [naam 2] (eisers moeder) aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

De standpunten van partijen
3. De minister stelt zich (kort samengevat) op standpunt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden [1] voor tegemoetkoming voor een voucher, omdat hij geen volledig universitair diploma (‘wo-bachelor + wo-master’) heeft. De minister vindt daarbij dat geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. De voorwaarden zijn volgens de minister namelijk in de wet vastgelegd en de wetgever heeft besloten geen tegemoetkoming toe tekenen voor alleen een wo-bachelor. De minister verwijst naar een uitspraak van de hoogste rechter (Centrale Raad van Beroep) en naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. [2]
4. Eiser voert (hier samengevat weergegeven) aan dat een onderscheid wordt gemaakt tussen een wo-bachelor en hbo-bachelor. Dat onderscheid strookt niet met zijn rechtsgevoel en hem is niet duidelijk waarom dat onderscheid wordt gemaakt. Eiser meent daarom dat de afwijzing in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Daarbij komt dat eisers opleiding destijds niet beschikbaar was als hbo-bachelor en hij dus alleen een wo-bachelor kon volgen. Op de zitting heeft eiser(s vader) – onder overlegging van een pleitnota – nog toegelicht dat niet is uitgelegd waarom dit onderscheid wordt gemaakt en er daarmee sprake is van ontoelaatbare rechtsongelijkheid. Mogelijk maakt de wetgever een fout en berust het op een misverstand, maar de toelichting van de minister is niet voldoende. Eiser wijst ook naar de internationale erkenning van de wo- en hbo-bachelors op hetzelfde niveau en dat ze (formeel en juridisch) dezelfde status hebben. Ook wijst eiser er op hoe er in de praktijk (de werkgevers en cao’s) hiermee wordt omgaan en geen onderscheid wordt gemaakt. Eiser zelf licht nog concreet toe dat een medestudent met een hbo-bachelor wel de tegemoetkoming krijgt maar hijzelf niet, terwijl ze er even hard voor hebben moeten werken.
Het oordeel van de rechtbank
5. Het gaat in dit beroep over de voorwaarde van artikel 12.15, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wsf 2000. Daarin staat – voor zover voor de beoordeling van belang – dat voor een tegemoetkoming in aanmerking komt, degene die (…) een hbo-bacheloropleiding of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding heeft afgerond. In de wet staat dus uitdrukkelijk de voorwaarde van een ‘een hbo-bachelor’ of ‘het geheel van een wo-bachelor en een wo-master’. Daaruit volgt dus ook dat iemand met (alleen) een wo-bachelor niet aan de voorwaarden voldoet. Vast staat dat eiser daar niet aan voldoet, nu hij alleen een wo-bachelor heeft afgerond en niet ‘een hbo-bachelor’ of ‘het geheel van een wo-bachelor en een wo-master’.
6. De rechtbank heeft gekeken naar de wetsgeschiedenis van deze voorwaarde. Uit de Memorie van Toelichting [3] bij de invoering van artikel 12.15 (en daarmee de voucher) volgt dat de voucher was bedoeld voor ná het afstuderen. Verder staat op pagina 30 dat studenten ‘die een opleiding afronden’ een voucher ontvangen, waarbij (in noot 88) uitdrukkelijk staat toegelicht:

Hbo-studenten dienen een hbo-bacheloropleiding af te ronden binnen de diplomatermijn. Voor wo-studenten geldt dat zij het geheel van een bachelor- en een masteropleiding moeten afronden binnen de diplomatermijn.”
Verder staat hierover op pagina 82 dat iemand die ‘een hbo-bachelor of wo-master afrondt’ aanspraak maakt op een voucher. Uit de Memorie van Toelichting [4] bij de wijziging van dit artikel volgt hetzelfde. Op pagina 51 staat dat recht bestaat op een voucher nadat met goed gevolg ‘een hbo-bacheloropleiding of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding’ is afgerond. Bovendien blijkt daaruit dat de situatie van eiser (studenten met alleen een wo-bachelor) aan de orde is gekomen, maar daarin geen aanleiding wordt gezien voor aanspraak op een tegemoetkoming voor een voucher (pagina’s 40 en 41).
7. De rechtbank kan uit de duidelijke wettekst en de wetgeschiedenis gezamenlijk geen andere conclusie trekken dan dat de wetgever bewust heeft gekozen voor deze invulling van de voorwaarden voor een tegemoetkoming voor een voucher. Uit de wetgeschiedenis volgt verder dat de wetgever er voor heeft gekozen om een tegemoetkoming voor een voucher toe te kennen in verband met ‘nascholing’. Het middel dat de wetgever daarvoor heeft ingezet is het koppelen van deze tegemoetkoming voor een voucher aan het behalen van een diploma dan wel het afronden van een opleiding. Vervolgens is dat zo ingevuld dat daarmee bedoeld is: ‘een hbo-bachelor’ of ‘het geheel van een wo-bachelor en een wo-master’. Daarbij komt aan de wetgever een zeer ruime beoordelingsruimte toe. [5] De rechtbank is van oordeel dat de wetgever die beoordelingsvrijheid niet heeft overschreden met deze beperking van het recht op de tegemoetkoming voor een voucher en het door eiser daarbij geconstateerde verschil in behandeling tussen het behalen van een hbo- en wo-bachelor. De minister merkt daarbij ook terecht op dat de ‘hbo-bachelor’ en de ‘wo-bachelor’ als opleidingen te onderscheiden zijn en dat de wet(gever) daaraan gevolgen heeft verbonden. De rechtbank wijst daarbij nog op de achtergrond van het bachelor / master-systeem, zoals dat uit de wetsgeschiedenis [6] volgt. Daaruit kan (erg kort gezegd) worden afgeleid dat de wetgever als uitgangspunt neemt dat – in tegenstelling tot in het wetenschappelijk onderwijs (wo) – in het hoger beroepsonderwijs (hbo) afronding van een bachelor al afdoende kwalificeert voor de arbeidsmarkt: dat iemand met een wo-bachelor primair doorstroomt en niet uitstroomt (naar de arbeidsmarkt), past volgens de wetgever bij de Nederlandse structuur van het hoger onderwijs. De rechtbank verwijst ook naar de overwegingen in die zin in de uitspraak van de CRvB van
16 september 2025 (zie r.o. 4.2.2, r.o. 4.3.4 en r.o. 4.3.5), waar naar het oordeel van de rechtbank uit kan worden afgeleid dat de wet(gever) dit ook als uitgangspunt kan en mag hanteren. Daar doen eisers opmerkingen over de internationale erkenning van wo- en hbo-bachelors (wat daar ook van zij) niet aan af, want het is immers de Nederlandse wetgever die bij de toepassing van (artikel 12.15 van) de Wsf 2000 voor deze systematiek, invulling en het uitgangspunt daarbij heeft gekozen. Met het behalen van de hbo-bachelor is in de visie van de wet(gever) dus een opleiding afgerond en met het behalen van (alleen) de wo-bachelor niet. In dat licht bezien levert de nadrukkelijke keuze van de wetgever om iemand als eiser, die (alleen) een wo-bachelor heeft behaald, niet voor de tegemoetkoming in aanmerking te brengen geen ongerechtvaardigde ongelijke behandeling op. Hoewel dit algemene uitgangspunt van de wet(gever) niet altijd recht doet aan het individuele geval (want niet iedere wo-bachelor stroomt ook door, zoals eisers situatie laat zien) en volgens eiser evenmin strookt met de praktijk, is dat onvoldoende doorslaggevend voor een ander oordeel. Datzelfde geldt voor eisers toelichting dat zijn opleiding destijds niet beschikbaar was als hbo-bachelor en hij dus alleen een wo-bachelor kon volgen. Daarbij overweegt de rechtbank nog dat een student vrij is te kiezen welke opleiding hij of zij wil volgen, dat eiser er toen voor heeft gekozen deze specifieke opleiding te volgen (op het niveau van een ‘wo-bachelor’) en daar dan gevolgen aan zijn verbonden (in dit geval voor het recht op een tegemoetkoming voor een voucher). De rechtbank begrijpt goed dat eiser het resultaat van deze voorwaarde onrechtvaardig en oneerlijk vindt (want hij krijgt nu geen tegemoetkoming voor een voucher, terwijl iemand die net zo hard heeft gewerkt als hij maar dan voor de hbo-bachelor wél). De afweging van de wetgever (en het resultaat daarvan) valt echter binnen de beoordelingsvrijheid van de wetgever, die de rechtbank moet respecteren. Tot slot onderkent de rechtbank ook dat dit financiële gevolgen heeft voor eiser, omdat hij nu een bedrag aan tegemoetkoming misloopt (€ 1.835,94). Maar ook dat is niet genoeg om eiser toch gelijk te geven en hem alsnog een tegemoetkoming voor de voucher toe te kennen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de minister hem terecht geen tegemoetkoming voor een voucher heeft toegekend.
9. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Broier, rechter, in aanwezigheid van
J.M.M. Versteegh-Janssen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 14 januari 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage:
Wet studiefinanciering 2000 (geldend voor 01-09-2023)
Artikel 12.15. Vouchers voor de eerste vier cohorten onder het studievoorschot hoger onderwijs
1. In dit artikel wordt onder voucher begrepen: een vergoeding van Onze Minister, niet zijnde studiefinanciering in de zin van artikel 3.1, voor de kosten van het volgen van hoger onderwijs.
2. Een ieder die voldoet aan de volgende voorwaarden heeft aanspraak op een voucher:
a. hij heeft in één van de vier studiejaren vanaf 1 september 2015 voor het eerst studiefinanciering ontvangen voor het volgen van een bacheloropleiding in het hoger onderwijs;
b. hij heeft binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een hbo-bacheloropleiding of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding afgerond; en
c. hij heeft zich ingeschreven voor een associate degree-, bachelor- of masteropleiding dan wel een geaccrediteerde postinitiële masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b WHW in Nederland, voor een opleiding in het hoger onderwijs buiten Nederland, bedoeld in artikel 2.14, derde lid, of binnen die opleiding voor één of meer onderwijseenheden als bedoeld in artikel 7.3, tweede lid, WHW, in het tijdvak van het vijfde tot en met negende studiejaar volgend op de dag waarop Onze Minister de mededeling, bedoeld in artikel 7.9d WHW, heeft ontvangen.
3. Een voucher wordt uitsluitend op aanvraag verstrekt en is niet overdraagbaar aan derden. De aanspraak vervalt na afloop van het tijdvak, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over onder meer:
a. de wijze van verstrekking van de voucher;
b. de waarde van de voucher, die overeenkomstig artikel 11.1 wordt aangepast;
c. de aanvraag van een voucher;
d. de aan de voucher verbonden verplichtingen voor de rechthebbende of de instelling;
e. de wijze waarop de persoonsgegevens, benodigd voor de uitvoering van dit artikel, kunnen worden verwerkt.
5. Artikel 1.7 is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor studerende wordt gelezen: de rechthebbende op een voucher.

Voetnoten

1.Zie artikel 12.15 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).
2.Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 16 september 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:1353), te vinden op www.rechtspraak.nl), en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8839 (als bijlage ingediend door de minister).
3.Kamerstukken 34 035, nr. 3 (te vinden op www.overheid.nl).
4.Kamerstukken 36 229, nr. 3.
5.Zie voor de invulling daarvan r.o. 4.3.1 - 4.3.3 van de uitspraak van de CRvB van
6.Kamerstukken 28 024, nr. 3.