ECLI:NL:RBLIM:2026:2731

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
ROE 25/1575
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 17.1.1 bestemmingsplan Woongebieden 2019Art. 10.1.1 bestemmingsplan Binnenstad 2017
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen afwijzing handhavingsverzoek treinvervangend busvervoer op parkeerterrein

Eiser heeft een handhavingsverzoek ingediend tegen het gebruik van een parkeerterrein naast het NS-treinstation Weert voor treinvervangend busvervoer. Het college wees dit verzoek af, stellende dat geen overtreding van het bestemmingsplan plaatsvond omdat het gebruik incidenteel was en niet kwalificeerde als openbaar vervoerstation.

De rechtbank oordeelt dat het treinvervangend busvervoer wel degelijk openbaar vervoer betreft en dat het parkeerterrein functioneert als openbaar vervoerstation, ook zonder permanent stationsgebouw. Dit gebruik is niet toegestaan binnen de bestemming 'verkeer' volgens de geldende bestemmingsplannen, aangezien het perceel niet is aangewezen als openbaar vervoerstation.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens moet het college het betaalde griffierecht aan eiser terugbetalen. De overige beroepsgronden worden niet behandeld vanwege het gegrond verklaren van het beroep.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd; het college moet een nieuwe beslissing nemen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/1575

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

17 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert, het college

(gemachtigde: mr. A.A.M. Verkroost).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: NS Vastgoed B.V. uit Utrecht, de NS
(gemachtigde: mr. S. Braaksma).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank op het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om handhaving.
1.1.
Met het besluit van 17 februari 2025 (het primaire besluit) heeft het college het verzoek van eiser om handhaving afgewezen. Eiser heeft hiertegen op 25 februari 2025 bezwaar gemaakt. Met het besluit van 10 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.2.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Op 3 oktober 2025 heeft eiser de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Op 28 oktober 2025 heeft hij dit verzoek ingetrokken, nadat tijdens de behandeling van het verzoek op zitting tussen partijen afspraken zijn gemaakt. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt. [1]
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van het college, de gemachtigde van NS en [naam 1] en [naam 2] namens de NS.
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eiser woont aan de [adres] in [woonplaats] . Tegenover zijn woning is een parkeerterrein gelegen, dat weer gelegen is naast het NS treinstation te Weert. Dit parkeerterrein wordt een aantal keer per jaar door de NS gebruikt voor het parkeren van bussen en het laten in- en uitstappen van passagiers om het treinverkeer te vervangen, bijvoorbeeld wanneer er werkzaamheden aan het spoor plaatsvinden (hierna: het treinvervangend busvervoer).
2.1.
Het parkeerterrein waar het stilstaan van bussen en het laten in- en uitstappen van passagiers plaatsvindt is gelegen op het perceel kadastraal bekend als gemeente Weert, [kadasternummer 1] (hierna: het parkeerterrein). Op het perceel zijn drie verschillende bestemmingsplannen van toepassing, namelijk ‘Binnenstad 2017’ (het oostelijk deel van het perceel), ‘Woongebieden 2019’ (het midden van het perceel) en ‘Bedrijventerreinen 2013’ (het westelijk deel van het perceel). Het perceel heeft binnen alle drie deze bestemmingsplannen de bestemming ‘verkeer’. Het treinvervangend busvervoer vindt plaats op het oostelijke en middelste deel van het perceel en dus binnen de bestemmingsplannen ‘Binnenstad 2017’ en ‘Woongebieden 2019’.
2.2.
Op 23 augustus 2023 heeft eiser een verzoek om handhaving ingediend bij het college. Eiser stelt dat er sprake is van overtreding van de toepasselijke bestemmingsplannen, ‘Binnenstad 2017’ en ‘Woongebieden 2019’ met betrekking tot het parkeerterrein. Volgens eiser is het treinvervangend busvervoer niet toegestaan op grond van de geldende bestemmingsplannen en ervaart hij hiervan overlast (geluidsoverlast en slechte luchtkwaliteit). Tevens is volgens hem sprake van een overtreding van milieuwetgeving.
2.3.
Met het primaire besluit heeft het college het verzoek om handhaving afgewezen. Het college concludeert op basis van de uitgevoerde controles dat geen sprake is van een overtreding.
2.4.
Met het bestreden besluit heeft het college het primaire besluit met verbetering van de motivering in stand gelaten. Hoewel het er niet letterlijk instaat, begrijpt de rechtbank dat het college het bezwaar ongegrond heeft verklaard.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiser voert– kort gezegd – in beroep het volgende aan. Het college heeft volgens eiser ten onrechte geweigerd handhavend op te treden tegen het structurele gebruik van het parkeerterrein voor treinvervangend busvervoer. Eiser stelt dat het gebruik als een ‘openbaar vervoerstation’ moet worden gezien, terwijl dit niet is toegestaan op het parkeerterrein volgens de geldende bestemmingsplannen. Het college laat zich volgens eiser ten onrechte leiden door de vraag of al dan niet een gebouw aanwezig is. Volgens eiser kan er ook sprake zijn van een openbaar vervoerstation zonder dat daarbij een (stations)gebouw aanwezig is.
3.1.
Volgens eiser is ook geen sprake van incidenteel gebruik, zoals het college stelt, maar van regelmatig en structureel gebruik. Het college heeft de feiten onjuist vastgesteld en onderbouwt haar stelling dat het om incidenteel gebruik gaat volgens eiser geheel niet. Het college heeft volgens eiser onvoldoende onderzoek gedaan. Het college was volgens eiser op de hoogte van wanneer de activiteiten plaatsvonden en is niet voldoende gaan controleren. Ook stelt eiser dat het college zijn beeldmateriaal niet heeft opgevraagd en het meten van geluid en (fijn)stof niet nodig vond. Verder betoogt eiser dat het onderscheid tussen parkeren en het laten stilstaan van voertuigen onjuist is toegepast door het college en dat dit niet past binnen de bestemming ‘verkeer’.
3.2.
Het college schrijft in het verweerschrift dat de controlerapportages van 14 februari 2024, 6 maart 2024, 24 mei 2024 en 25 mei 2024 ten onrechte niet zijn meegenomen in de besluitvorming. Uit deze rapportages blijkt dat er tijdelijke voorzieningen zijn aangebracht op het parkeerterrein (lichtmasten, dixies, een schaftunit, verhogingen). Ook met die voorzieningen is volgens het college geen sprake van strijd met de bestemmingsplannen omdat deze voorzieningen passen binnen de bestemming ‘verkeer’. Die voorzieningen maken niet dat sprake is van een openbaar vervoerstation. Het zijn geen permanente voorzieningen. De aanduiding ‘openbaar vervoerstation’, zoals opgenomen in het bestemmingsplan ‘Woongebieden 2019’, heeft volgens het college een permanent karakter. Omdat het treinvervangend busvervoer geen permanent karakter heeft, is volgens het college geen sprake van strijd met de bestemmingsplannen. Het college is van mening dat er een motiveringsgebrek aan het besluit kleeft ten aanzien van de rapportages, maar dat de motivering met het verweerschrift is verbeterd.
Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet ingevoerd. Het verzoek dat tot het bestreden besluit heeft geleid dateert van vóór 1 januari 2024. Gelet op artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet is het oude recht, in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), van toepassing.
4.1.
Het college kan enkel handhavend optreden indien er sprake is van een overtreding die aan een overtreder is toe te rekenen. Het handelen in strijd met het bestemmingsplan levert een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo op, tenzij hiervoor een vergunning is verleend. Tussen partijen is in geschil of de NS gebruik maakt van het parkeerterrein op een manier die in strijd is met het bestemmingsplan. Van een vergunning voor het handelen in strijd met het bestemmingsplan is geen sprake.
Handelt de NS in strijd met de geldende bestemmingsplannen?
5. In artikel 17.1.1 van het bestemmingsplan ‘Woongebieden 2019’ en artikel 10.1.1 van het bestemmingsplan ‘Binnenstad 2017’ is het volgende bepaald:
De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a.
het behoud of de aanleg van voorzieningen voor het wegverkeer (wegen, bermen, verkeersgroen, voetpaden, fietspaden, trottoirs, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, perceelsontsluitingswegen e.d.), doeleinden van verblijf, solitaire speeltoestellen, het waterbeheer, de natuurlijke afvloeiing van water, groenvoorzieningen c.q. karakteristieke beplanting en voorzieningen voor algemeen nut;
5.1.
In artikel 17.1.1, onder c, van het bestemmingsplan ‘Woongebieden 2019’ is daarnaast bepaald dat de voor ‘verkeer’ aangewezen gronden bestemd zijn voor een openbaar vervoerstation ter plaatse van de aanduiding ‘openbaar vervoerstation’. Het parkeerterrein is niet aangewezen als openbaar vervoerstation.
5.2.
De vraag die de rechtbank voorligt, is of het gebruik van het parkeerterrein als treinvervangend busvervoer binnen de bestemming ‘verkeer’ past en of dit gebruik als ‘openbaar vervoerstation’ te kwalificeren valt.
5.3.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) blijkt dat de op de verbeelding aangegeven bestemming en de daarbij behorende planregels in onderlinge samenhang bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of iets in strijd is met het bestemmingsplan. Omwille van de rechtszekerheid dienen planregels zoveel mogelijk letterlijk te worden uitgelegd. [2] De op de verbeelding aangeduide bestemming en de letterlijke tekst van de planregels zijn daarvoor leidend. [3] Is op basis hiervan niet duidelijk wat met een planregel wordt bedoeld, dan komt betekenis toe aan de toelichting van het bestemmingsplan [4] , alsmede de nota van zienswijzen. [5] Biedt ook de toelichting en nota van zienswijzen bij een bestemmingsplan geen uitsluitsel, dan kan voor de uitleg van het begrip worden aangesloten bij het algemeen spraakgebruik. Daarbij mag de betekenis die daaraan in het ‘Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal’ (hierna: Van Dale) wordt gegeven, worden betrokken. [6]
5.4.
Het begrip ‘openbaar vervoerstation’ (zoals opgenomen in artikel 17.1.1, onder c) wordt niet nader omschreven in het bestemmingsplan ‘Woongebieden 2019’. Wel stelt de rechtbank vast dat artikel 17.1.1, onder c, van het bestemmingsplan een gebruiksbepaling is en dat het bestemmingsplan bepaalt op welke locatie(s) een openbaar vervoerstation is toegestaan, waarbij geen vereiste is opgenomen dat hiervoor een (permanent) gebouw aanwezig moet zijn. In het bestemmingsplan zijn twee locaties daadwerkelijk aangewezen als openbaar vervoerstation. Het gaat om het stationsgebouw te Weert (kadastraal [kadasternummer 2] ), waarop de bestemming ‘centrum’ rust, en om het naastgelegen [kadasternummer 3] . Op [kadasternummer 3] rust de bestemming ‘verkeer’ en bevindt zich het ‘reguliere’ busstation van Weert. Op het perceel bevindt zich geen (stations)gebouw. Uit de toelichting bij het bestemmingsplan ‘Woongebieden 2019’ volgt dit eveneens. In de toelichting is opgenomen: “
8.6.23 openbaar vervoerstation. Deze aanduiding is opgenomen ter plaatse van het station en bijbehorende busstation”.
5.5.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande in ieder geval niet dat voor het voldoen aan de definitie van ‘openbaar vervoerstation’ de aanwezigheid van een (stations)gebouw is vereist, zoals door het college in het bestreden besluit is aangenomen.
5.6.
Voor een verdere uitleg van dit begrip, moet aansluiting worden gezocht bij het algemeen spraakgebruik. In de Van Dale wordt ‘openbaar vervoerstation’ niet gedefinieerd, maar in het algemeen spraakgebruik wordt naar het oordeel van de rechtbank onder een openbaar vervoerstation een locatie begrepen waar passagiers in- en uit kunnen stappen op een (ander) openbaar vervoersmiddel of andere lijnen, van een trein, bus of tram. Hierbij horen voorzieningen zoals perrons, toiletten, wachtkamers of bankjes. Een openbaar vervoerstation verschilt van een ‘halte’ omdat het groter is, er meerdere lijnen samenkomen en er meerdere perrons zijn. De vraag dit permanent is, is naar het oordeel van de rechtbank niet relevant.
5.7.
Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat het treinvervangend busvervoer zoals dat op het parkeerterrein plaatsvindt:
  • openbaar vervoer betreft;
  • alle treinverbindingen gelegen tussen Sittard en Eindhoven per bus opvangt en dat hier dus meerdere lijnen samenkomen waarop kan worden overgestapt, ook op een ander vervoersmiddel;
  • voorzieningen heeft zoals meerdere perrons, een toilet (dixie) en een wachtruimte.
5.8.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college er ten onrechte vanuit is gegaan dat bij het gebruik van het parkeerterrein voor het treinvervangend busvervoer geen sprake is van een openbaar vervoerstation. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een overtreding van het bestemmingsplan ‘Woongebieden 2019’. Dit laat immers alleen ter plaatse van de aanduiding ‘openbaar vervoerstation’ een openbaar vervoerstation binnen de bestemming toe. Die aanduiding rust niet op het betreffende perceel.
6. Ten aanzien van de bestemming ‘verkeer’, zoals die geldt op het oostelijke deel van het perceel op grond van het bestemmingsplan ‘Binnenstad 2017’, overweegt de rechtbank het volgende. Artikel 10.1.1 bepaalt dat het volgende gebruik onder deze bestemming valt:
het behoud of de aanleg van voorzieningen voor het wegverkeer (wegen, bermen, verkeersgroen, voetpaden, fietspaden, trottoirs, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, perceelsontsluitingswegen e.d.), doeleinden van verblijf, solitaire speeltoestellen, het waterbeheer, de natuurlijke afvloeiing van water, groenvoorzieningen c.q. karakteristieke beplanting en voorzieningen voor algemeen nut;
evenementen;
ondergrondse parkeervoorzieningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘parkeergarage’;
het behoud, herstel en ontwikkeling van het structureel groen, ter plaatse van de aanduiding ‘groen’;
reclame-uitingen van ondergeschikte betekenis;
het behoud en/of herstel van aanwezige landschappelijke en/of stedenbouwkundige waarden, ter plaatse van de aanduiding ‘waardevolle boom’;
de instandhouding en/of herstel van het op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezige Rijksmonument of gemeentelijk monument mede gelet op de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en/of landschappelijke waarde, ter plaatse van de aanduiding ‘karakteristiek’.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het gebruik als een openbaar vervoerstation niet onder sub a t/m g worden geschaard. Het gebruik overstijgt de omschrijving van sub a van het bestemmingsplan ten aanzien van de voorzieningen voor het wegverkeer en voorzieningen voor algemeen nut omdat het gebruik (en dat van de voorzieningen) in onderlinge samenhang bezien moeten worden.
7. Gelet op het bovenstaande is het beroep gegrond. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking meer. De rechtbank merkt ten overvloede op dat het college verzuimd heeft op het handhavingsverzoek van eiser in te gaan voor zover dat ziet op de milieugevolgen.
8. De rechtbank ziet aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. Gelet op de aard van handhavend optreden, voert het voor de rechtbank te ver om zelf in de zaak te voorzien. Naar het oordeel van de rechtbank is deze bevoegdheid in eerste instantie bij het college gelegen. De rechtbank zal daarom bepalen dat het college een nieuwe beslissing op het bezwaar moet nemen, met inachtneming van deze uitspraak.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. Het college dient daarom het door eiser betaalde griffierecht ter hoogte van € 194,- aan hem terug te betalen. De rechtbank is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.
9.1.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt het college op om een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat het college het griffierecht ad € 194,- aan eiser moet voldoen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Drent, rechter, in aanwezigheid van mr. L. van der Genugten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 17 maart 2026
griffier
De rechter is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 23 maart 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.