Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.Partiële nietigheid van de tenlastelegging
raadsvrouwheeft bepleit dat geen sprake is geweest van ‘een onderzoek’ als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), nu de strikte waarborg van artikel 13, eerste lid, onder d. van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: het Besluit) niet is nageleefd. De onderzoeksresultaten kunnen daarom niet voor het bewijs worden gebruikt, waardoor de verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken.
officier van justitieheeft zich op het standpunt gesteld dat de overschrijding van de inzendingstermijn aan het laboratorium niets zegt over de betrouwbaarheid van de onderzoeksresultaten en dat dit feit daarom wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard.
rechtbankstelt voorop dat van een ‘onderzoek’ zoals bedoeld in artikel 8, leden 2, 3 en 5 WVW slechts sprake is indien de strikte waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd. Indien de rechtbank tot het oordeel komt dat een strikte waarborg niet is nageleefd, leidt dat er in beginsel toe dat geen sprake is van een ‘een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet.’
- het proces-verbaal artikel 9 WVV Pro van 17 februari 2025, pg. 2 van het hiervoor onder A. genoemde dossier;
- een geschrift, te weten een uitdraai van een RDW-systeembevraging van 28 januari 2025, pg. 8-9 van het hiervoor onder A. genoemde dossier;
- de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de zitting van 3 maart 2026.
- het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] van 26 maart 2025, pg. 12-15 van het hiervoor onder B. genoemde dossier;
- het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant [verbalisant 1] van 5 augustus 2025, p. 80 van het hiervoor onder B. genoemde dossier;
- de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de zitting van 3 maart 2026.
officier van justitieheeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag op beide agenten.
raadsvrouwheeft vrijspraak bepleit, omdat er geen sprake was van (voorwaardelijk) opzet aan de zijde van de verdachte op de dood van of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de politieambtenaren. Daartoe heeft zij kort gezegd gewezen op de consistente verklaringen van de verdachte dat het nooit zijn bedoeling was een ongeval te veroorzaken, de contra-indicatie van het afremmen en uitwijken, de contra-indicatie dat het risico zich tevens tot hemzelf uitstrekte en het ontbreken van betrouwbaar steunbewijs voor de innerlijke bewuste aanvaarding door de verdachte van de aanmerkelijke kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel.
rechtbankacht bewezen dat de verdachte heeft geprobeerd om verbalisant [benadeelde partij 1] te doden en verbalisant [benadeelde partij 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Dat oordeel is gebaseerd op de volgende bewijsmiddelen en overwegingen.
Het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] van 26 maart 2025, pagina’s 12 tot en met 15 van het hiervoor onder B. genoemde dossier, voor zover inhoudende:
Het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [benadeelde partij 2] , aspirant bij de Eenheid Limburg, en [benadeelde partij 1] , inspecteur bij de Eenheid Limburg, van 22 maart 2025, pagina’s 17 tot en met 19 van het hiervoor onder B. genoemde dossier, voor zover inhoudende:
- met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto rijdend met een hoge snelheid (ongeveer 100 kilometer per uur) en zonder te remmen is ingereden op en/of is gereden in de richting van een dienstvoertuig met daarin [benadeelde partij 2] (terwijl hij met het dienst-voertuig een blokkade vormde op de rijbaan),
- (vervolgens) het dienstvoertuig (zeer dicht) heeft genaderd,
- met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto rijdend met een hoge snelheid (ongeveer 100 kilometer per uur) en zonder te remmen is ingereden op en/of is gereden in de richting van een dienstvoertuig met daarin [benadeelde partij 1] (terwijl hij met het dienst-voertuig een blokkade vormde op de rijbaan,
- (vervolgens) het dienstvoertuig (zeer dicht) heeft genaderd,
Horsterweggelezen is als
Horsestraat. De verdachte is daarmee niet in zijn verdediging geschaad.
5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
6.De strafbaarheid van de verdachte
7.De straffen
- een gevangenisstraf van 4 jaar met aftrek van voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar;
- met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, te weten een meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen/maatschappelijke opvang, verbod verdovende middelen en meewerken aan dagbesteding;
- een rijontzegging van 3 jaar.
8.De benadeelde partijen
9.De vordering tenuitvoerlegging
10.De wettelijke voorschriften
- 45, 55, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht;
- 9, 176 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994.
11.De beslissing
Vrijspraak
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hierboven onder 4.5 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte voor de feiten 1 primair en 1 subsidiair en feit 2 in de zaak 03.108319.25 en het feit in de zaak 96.052681.25 tot een
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
ontzegtde verdachte voor feit 1 primair in de zaak 03.108319.25 de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van
3 jaren;
- bepaalt dat de benadeelde partij
- veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
- bepaalt dat de benadeelde partij
- veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
wijst afde vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 03.214091.23 van de officier van justitie van 19 januari 2026.