Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
de burgemeester van de gemeente Heerlen
Samenvatting
Procesverloop
€ 5.000,- ingevorderd (het invorderingsbesluit).
(€ 1.985,-). Eiser vertoonde tijdens de controle zichtbaar gespannen gedrag, onder meer blijkend uit trillende handen. Op het moment dat de politie iets hards ter hoogte van eisers broekrand constateerde, rende eiser weg. Bij een eerdere aanhouding (29 januari 2023) had eiser (ook) ter hoogte van zijn broekrand drugs bewaard. Nadat eiser opnieuw was staande gehouden, was het harde voorwerp verdwenen. Bij eiser zelf en langs zijn vluchtroute zijn geen drugs aangetroffen. Volgens de politie is het zeer aannemelijk dat eiser tijdens zijn vluchtpoging een handelshoeveelheid drugs heeft weggegooid.
straathandelin drugs tegen te gaan. Het vervoeren of aanwezig hebben van drugs, en het gebruik van de openbare weg om naar bijvoorbeeld een woning te rijden, ook als dat gebeurt met het kennelijke doel om daar drugs te verhandelen, valt dus niet onder hetgeen artikel 3:1 van Pro de APV beoogt tegen te gaan omdat dit niet leidt tot de overlast op de openbare weg. [2] Het is aan de burgemeester om aannemelijk te maken dat eiser de bepaling uit de APV heeft overtreden en daarmee niet aan de last heeft voldaan.
op straatte handelen in drugs dan wel daarin te bemiddelen of behulpzaam te zijn. De rechtbank overweegt dat de hoeveelheid contant geld en de aanwezigheid van de mobiele telefoons (met de ogenschijnlijk binnenkomende bestelling), meerdere kentekenbewijzen, de harde bobbel ter hoogte van de broekrand en het zenuwachtige gedrag van eiser, indicaties kunnen zijn voor drugshandel. Uit die indicaties kan echter niet worden opgemaakt dat eiser het kennelijke doel had om op
een openbare plaatsin drugs te handelen. Dat is wel nodig om een overtreding van artikel 3:1 van Pro de APV vast te kunnen stellen. In het geval van eiser ontbreken er concrete omstandigheden of feiten die wijzen op straathandel. Eiser is door de politie staande gehouden nadat ze hem zagen rijden. Eiser is niet op heterdaad betrapt op straathandel, er is geen transactie waargenomen op straat of in de betreffende auto, er zijn geen verklaringen van klanten of getuigen dat eiser bezig was met (bemiddeling in) straathandel en is het onbekend waar eiser naartoe reed.
openbare plaatsniet van belang is dat eiser op het moment dat hij door de politie werd gesignaleerd, in een auto reed in plaats van stilstond langs de weg. Ter onderbouwing verwijst hij naar een uitspraak van de Afdeling. [3] Uit deze uitspraak volgt volgens de burgemeester dat indien voorwerpen in een auto worden aangetroffen die als objectieve indicatoren voor drugshandel kunnen worden aangemerkt, dit voldoende grond vormt voor de conclusie dat artikel 3:1 van Pro de APV wordt overtreden. De rechtbank volgt de burgemeester daarin niet. In deze uitspraak wordt namelijk verwezen naar een bestuurlijke rapportage waaruit blijkt dat een auto langere tijd stilstond met een draaiende motor. Gelet op deze omstandigheid en de andere omstandigheden in die zaak, werd aannemelijk geacht dat de betrokkene zich op straat ophield met het kennelijke doel om daar drugs te verhandelen. Zoals hiervoor geoordeeld doen dergelijke indicaties, die er op wijzen dat eiser het kennelijke doel had om op straat in drugs te handelen, zich hier niet voor.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
N.I.W. Smeets, griffier.