ECLI:NL:RVS:2025:2297
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging last onder dwangsom wegens onvoldoende bewijs kennelijk doel drugshandel
De burgemeester van Westland legde appellant op 1 juli 2021 een last onder dwangsom op wegens overtreding van artikel 2:74 van Pro de Algemene plaatselijke verordening Westland 2019, gericht op het tegengaan van drugshandel op openbare plaatsen. Dit besluit was gebaseerd op een bestuurlijke rapportage waarin werd vermeld dat appellant op 2 maart 2021 was weggereden van de politie, drugs bij zich had en eerder betrokken was bij drugshandel.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond en oordeelde dat de last onder dwangsom terecht was opgelegd en niet onevenredig was. Appellant stelde in hoger beroep dat de feiten onvoldoende bewijs boden voor het kennelijke doel van drugshandel en dat het bezit van drugs op zich niet voldoende was.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de burgemeester onvoldoende concrete feiten had aangevoerd om het kennelijke doel van drugshandel vast te stellen, zoals het aanspreken van voorbijgangers of waarnemen van transacties. De eerdere betrokkenheid van appellant bij drugshandel mocht niet meewegen. Daarom mocht de last onder dwangsom niet worden opgelegd.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de burgemeester, en herroept het besluit tot last onder dwangsom. Tevens veroordeelde zij de burgemeester tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot last onder dwangsom wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van het kennelijke doel van drugshandel.