7.3.Het bestreden besluit kan daarom naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter worden beschouwd als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb. Het beroep van verzoekers heeft daarom van rechtswege betrekking op het bestreden besluit en dat betekent dat die beroepsprocedure heeft te gelden als de connexe procedure voor het verzoek om voorlopige voorziening.
8. Als tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om het bestreden besluit te schorsen. De bouwwerkzaamheden zouden daarmee uitgesteld worden totdat de rechtbank uitspraak doet op het beroep.
9. Vergunninghouder is reeds gestart met het uitvoeren van werkzaamheden ten behoeve van het bouwplan en is niet voornemens om hiermee te stoppen alvorens op het beroep is beslist. Verzoekers hebben in zoverre een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.
10. De voorzieningenrechter constateert dat aan de formele vereisten voor een verzoek tot voorlopige voorziening is voldaan. Hij zal daarom over gaan tot de (verdere) inhoudelijke beoordeling van het verzoek en het geven van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel. De voorzieningenrechter beperkt zich daarbij tot wat er op zitting is besproken aan de hand van de met partijen afgestemde zittingsagenda. De omvang van het beroep en de stukken die daarin met name door verzoekers en vergunninghouder over en weer zijn ingediend, zijn uitgebreid en soms zelfs nog kort voor de zitting ingediend of aangevuld. Een uitputtende behandeling van een dergelijk beroep verhoudt zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet tot het karakter van een verzoek om voorlopige voorziening. De omvang van het beroep is ook de reden waarom de voorzieningenrechter niet besluit om tot kortsluiting als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb over te gaan.
11. Verzoekers vinden dat de ruimtelijke onderbouwing die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt gebrekkig is op het gebied van de infiltratie van het water dat van de locatie afkomstig is. Zij vinden dat onvoldoende is onderzocht in hoeverre het bouwplan voorziet in een deugdelijke waterberging en vrezen dat het overtollige water van de locatie op hun perceel terecht zal komen. Zij hebben daartoe een rapport van het bureau [naam] overgelegd, waaruit volgens hen blijkt dat een waterdoorlatendheidsonderzoek ontbreekt bij de ruimtelijke onderbouwing. Volgens verzoekers is er daarom geen sprake van een goede ruimtelijke ordening en had het college de omgevingsvergunning niet mogen verlenen.
12. Vergunninghouder stelt dat er in de waterberging is voorzien door middel van het plaatsen van infiltratiekratten. Er heeft nog geen waterdoorlatendheidsonderzoek plaatsgevonden. Volgens vergunninghouder kon dit onderzoek echter eerder niet uitgevoerd worden vanwege de beplanting op het achtererfgebied die inmiddels is weggehaald. Verzoekers hebben niet weersproken dat het onderzoek niet eerder uitgevoerd kon worden. Tussen partijen is niet in geschil dat het onderzoek nog moet en zal plaatsvinden.
13. Het college is van mening, mede op basis van het door verzoekers ingediende rapport van het bureau Kragten, dat de infiltratiekratten van vergunninghouder voldoende zijn om in de waterberging te voorzien. Uit het rapport van [naam] blijkt dat er sprake is van een infiltratietekort van 0,96 m3 voor de nieuwbouwwoning op het achtererfgebied. Daarentegen is er een sprake van een overschot in de waterberging voor het (lager gelegen) te realiseren appartementencomplex. Volgens vergunninghouder en het college kan het tekort in de waterberging op het achtererfgebied met het overschot van het hoofdgebouw gecompenseerd worden. Voor zover hiermee alsnog niet voldoende in de waterberging is voorzien, verplicht het gemeentelijk beleid vergunninghouder om het overtollige water via het riool af te voeren. Verzoekers weerspreken dit niet. Zij vrezen echter dat, ondanks dit beleid, het water alsnog op hun perceel terecht komt.
14. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bestaat er geen aanleiding om het bestreden besluit te schorsen vanwege het ontbreken van het waterdoorlaatbaarheidsonderzoek. Ondanks het ontbreken van het onderzoek is niet aannemelijk geworden dat de voorziene waterberging in het bouwplan ontoereikend gaat zijn. Uit het eigen rapport van verzoekers is immers gebleken dat er op het gehele perceel na het plaatsen van de infiltratiekratten (ruim) voldoende afvoercapaciteit aanwezig is. Daarnaast is de voorzieningenrechter ook niet gebleken dat vergunninghouder bij gebrek aan voldoende afvoercapaciteit (in strijd met het gemeentelijk beleid) het water niet via het riool, maar op andere wijze zou laten afvoeren, en al helemaal niet dat daarbij het water op het perceel van verzoekers terecht komt. Voor zover dat na ingebruikname van de locatie wel het geval blijkt te zijn, is het aan het college om daarop toe te zien en, indien nodig en mogelijk, om handhavend op te treden. De enkele vrees van verzoekers dat zij wateroverlast zullen ervaren, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende om te stellen dat er sprake is van strijd met de goede ruimtelijke ordening op grond waarvan de omgevingsvergunning niet verleend had mogen worden.
15. Volgens verzoekers heeft het college de omgevingsvergunning verleend op basis van een gebrekkig geluidsonderzoek. Het is verzoekers vooral te doen om de gevolgen voor de achtergevel van hun woning, maar ook om de belangen van de toekomstige bewoners van de locatie. Verzoekers zijn van mening dat er in het geluidsrapport van het college onterecht gebruik is gemaakt van het omgevingstype ‘gemengd gebied’ voor de locatie. Volgens de door verzoekers ingediende rapport van [naam] moet de ligging van de locatie worden gekwalificeerd als een ‘rustige woonwijk’, waardoor er andere geluidsnormen gelden. Daarnaast is het volgens verzoekers niet duidelijk of er, kort gezegd, buitenunits gerealiseerd zullen worden en wat hiervan de invloed is op het geluid dat afkomstig is van de locatie.
16. Voor zover het rapport van Peutz de mogelijke gevolgen voor de toekomstige bewoners van de locatie bespreekt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit geen belang is waarvoor verzoekers in deze procedure op kunnen komen. Op grond van artikel 8:69a van de Awb kan een besluit niet vernietigd worden wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt. Daarom zal de voorzieningenrechter het standpunt van verzoekers dat de belangen van de toekomstige bewoners onvoldoende zijn geborgd passeren.