ECLI:NL:RBLIM:2026:2162

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
ROE 26/337
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbJeugdwetWmo 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening voor uitbreiding jeugdhulp uren

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen om tijdelijk een persoonsgebonden budget (pgb) toe te kennen voor 5 uur jeugdhulp per week voor haar drie kinderen. Zij wenst een verhoging naar 90 uur per week, verwijzend naar eerdere indicaties van Bureau Jeugdzorg (BJZ) en een eerdere indicatie van 116 uur kindzorg op grond van de Wmo.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het college recentelijk weer bevoegd is om te beslissen over jeugdhulp en dat het bestreden besluit aansluit bij de meest recente BJZ-indicatie van 5 uur per week, welke indicatie is gebaseerd op deskundigheid en nader onderzoek door het college nog moet plaatsvinden. De eerdere indicaties van BJZ zijn ingetrokken en de hogere uren betreffen een oude situatie die niet actueel is.

Verder is duidelijk dat naast de Wmo-kindzorg ook jeugdhulp noodzakelijk is, maar de omvang en aard daarvan moeten nog worden vastgesteld. Het college heeft ter overbrugging de 5 uur per week toegekend, wat niet onredelijk wordt geacht. Het verzoek om meer uren wordt afgewezen omdat onvoldoende bewijs is geleverd dat de huidige toekenning ontoereikend is.

De voorzieningenrechter benadrukt het voorlopige karakter van de uitspraak en het belang van spoedig onderzoek door het college. Het voorstel van het college om tijdelijk circa 10 uur per week toe te kennen is door verzoekster niet geaccepteerd. Er is geen aanleiding voor een voorlopige voorziening en ook geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening voor uitbreiding van jeugdhulpuren wordt afgewezen; 5 uur per week blijft toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/337

uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak tussen

[naam] , uit Sittard,

verzoekster,
(gemachtigde: mr. J. van Helden),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen, het college,
(gemachtigde: mr. J.L.G. Niederer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het college om aan de kinderen van verzoekster (tijdelijk) een persoonsgebonden budget (pgb) voor begeleiding individueel en/of groep toe te kennen op grond van de Jeugdwet voor 5 uur per week (totaal 65 uur) voor de periode van 17 januari 2026 tot en met 16 april 2026. Verzoekster is het daar niet mee eens en heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 21 januari 2026 heeft het college aan de kinderen van verzoekster een pgb voor begeleiding individueel en/of groep toegekend op grond van de Jeugdwet voor 5 uur per week (in totaal 65 uur) voor de periode van 17 januari 2026 tot en met 16 april 2026.
2.1.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, de gemachtigde van het college en namens de gemeente ook H. Wolters en L. Gielissen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat (kort samengevat [1] ) aan het bestreden besluit voorafging
3. Verzoekster ontving in het verleden van het college kindzorg op grond van de Jeugdwet in verband met het gezond en veilig opgroeien van haar drie minderjarige kinderen. Aangezien de ondersteuning primair voortkwam uit de beperkingen van verzoekster zelf en niet vanwege problematiek bij de kinderen, is deze zorg onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) gebracht in de vorm van kindzorg voor de verzorging van en het toezicht op haar kinderen. Uiteindelijk is duidelijk geworden dat ook (weer) jeugdhulp op grond van de Jeugdwet aan de orde was, maar toen waren de kinderen onder toezicht gesteld en was het college niet (meer) de bevoegde instantie om daarover een inhoudelijke beslissing te nemen.
3.1.
Per 17 juli 2024 zijn de drie kinderen van verzoekster namelijk onder toezicht (OTS) van Bureau Jeugdzorg (BJZ) gesteld. BJZ heeft daarbij op 14 november 2025 drie bepalingen afgegeven voor in totaal 5 uur per week voor alle drie de kinderen samen. Deze maatregel gold met ingang van 10 maart 2025 tot en met 16 januari 2026, het einde van de looptijd van de OTS. Daarbij zijn de drie eerdere door BJZ afgegeven bepalingen van 24 oktober 2025 ingetrokken.
3.2.
Het college heeft bij besluit van 27 november 2025 op de jeugdbepalingen
van BJZ beschikt en jeugdhulp toegekend in de vorm van een pgb voor 225 uur in totaal voor de drie kinderen gedurende de beschikkingstermijn (45 weken) bij zorgaanbieder Zorg en Gezelschap. De hoogte van het pgb is het uurtarief van (maximaal) EUR 51,65 per uur van de zorgaanbieder. Voor de looptijd en omvang van de voorziening is een-op-een aangesloten bij de jeugdhulpbepalingen van BJZ.
3.3.
Per 17 januari 2026 is de looptijd van de OTS afgelopen, nu deze niet is verlengd. Vanaf dat moment is het college, meer in het bijzonder Team Jeugd, weer bevoegd om te beslissen op het al dan niet verstrekken van een jeugdhulpvoorziening op grond van de Jeugdwet.
Het bestreden besluit
4. Verzoekster heeft op 6 januari 2026 een aanvraag ingediend voor een nieuwe jeugdhulpvoorziening in de vorm van een pgb vanaf 16 januari 2026 voor 90 uur per week (30 uur per week per kind). Ter onderbouwing van haar aanvraag heeft verzoekster verwezen naar de (door BJZ ingetrokken) jeugdhulpbepalingen van 24 oktober 2025.
5. Het college heeft, om te voorkomen dat verzoekster vanaf 17 januari 2026 zonder jeugdhulp zou komen te zitten, besloten om de jeugdhulpvoorziening (voor 5 uur per week) zoals die door BJZ is bepaald op 14 november 2025 en waarop is beschikt op 27 november 2025, bij het bestreden besluit van 21 januari 2026 voor drie maanden te verlengen. In het bestreden besluit is opgenomen dat het college in die periode onderzoek zal doen naar de gezinssituatie van verzoekster en in het bijzonder de hulpvraag van de kinderen.
Samenvatting gronden
6. Verzoekster is van mening dat het college in het bestreden besluit ten onrechte begeleiding heeft toegekend, terwijl verzoekster een aanvraag heeft gedaan voor jeugdhulp. Hierdoor is ten onrechte niet beslist op hetgeen is aangevraagd. Verder stelt verzoekster dat Team Jeugd thans een eigen beslissingsbevoegdheid heeft en – ook in afwachting van nader onderzoek – niet zonder meer de beoordeling van BJZ kan overnemen. BJZ heeft daarbij geen eigen onderzoek gedaan naar de laatste jeugdhulp bepaling. Team Jeugd dient zich er immers van te vergewissen of beoogde inzet de spoedsituatie wegneemt. Al eerder is vastgesteld door Team Jeugd wat volgens hen nodig is. In eerdere procedures is bepaald dat het gezin van verzoekster recht heeft op en behoefte heeft aan 116 uur aan hulp in het gezin per week, mede vanwege het feit dat de hulp door twee personen geboden diende te
worden. Verzoekster verwijst daarbij naar twee uitspraken van de voorzieningenrechter van 2 april 2024 en 5 juli 2024. [2] Tot slot voert verzoekster aan dat de vaststelling van BJZ geenszins berust op zorgvuldig onderzoek. De nieuwe bepaling is tot stand gekomen zonder enig onderzoek door de nieuwe gezinsvoogd. Er heeft geen huisbezoek plaatsgevonden noch heeft er, anders dan de voormalige gezinsvoogd wel heeft gedaan, contact plaatsgevonden met de betrokken hulpverleners zoals CEC Limburg, Vincent van Gogh en Zorg en Gezelschap. De nieuwe bepaling ontbeert iedere vorm van deugdelijk (eigen) onderzoek en staat haaks op de eerder uitgebreid en deugdelijk gemotiveerde bepaling van 24 oktober 2025, waarbij volgens verzoekster per kind 30 uur per week jeugdhulp is toegekend (in totaal 90 uur per week). Praktische ondersteuning is volgens verzoekster nodig binnen het gezin om te zorgen voor een goede ontwikkeling, passende begeleiding en behandeling mogelijk te maken en een veilig en leefbaar opvoedklimaat te bewerkstelligen voor de
kinderen. Financiering vanuit Team Jeugd dient de inzet van twee personen van Zorg en Gezelschap mogelijk te maken om zo stappen te kunnen zetten en stabiliteit te creëren.
Spoedeisend belang
7. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. De voorzieningenrechter vindt dat het spoedeisend belang aanwezig is. Het college heeft dit ook niet betwist.
Het aantal tijdelijk toegekende uren aan jeugdhulp op grond van de Jeugdwet
8. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
9. De voorzieningenrechter is in de eerste plaats van oordeel dat uit de aanvraag van verzoekster niet blijkt dat zij een andere voorziening aanvraagt dan zij op dat moment ontving en die het college in het bestreden besluit ook weer heeft toegekend. Verzoekster verwijst namelijk zelf ter onderbouwing van haar aanvraag naar de ingetrokken bepalingen van BJZ. Het college heeft in het bestreden besluit vervolgens juist aangesloten bij BJZ en eveneens een pgb voor begeleiding individueel en/of groep toegekend. Deze vorm van begeleiding is een vorm van jeugdhulp. Het gaat verzoekster in de kern om het aantal tijdelijk toegekende uren jeugdhulp (in totaal 5 uur per week) in het bestreden besluit: zij wenst een hoger tijdelijk aantal uren toegekend te krijgen.
10. De voorzieningenrechter ziet allereerst geen aanknopingspunten om daarvoor aan te sluiten bij de aanvraag van verzoekster om 90 uur jeugdhulp per week. Ter onderbouwing daarvan heeft verzoekster verwezen naar de eerdere (ingetrokken) jeugdhulpbepalingen van 24 oktober 2025. De voorzieningenrechter deelt niet het standpunt van verzoekster dat daar uit blijkt dat in totaal 90 uur per week jeugdhulp is toegekend. Dat staat daar namelijk niet in: daarin staat dat de zorg over de hele periode (10 maart 2025 tot en met 16 januari 2026) 30 uur per kind bedraagt. Verzoekster heeft haar standpunt hierover ook niet onderbouwd. Zij stelt weliswaar dat de voormalig gezinsvoogd haar dit zo heeft toegezegd, maar dat blijkt nergens uit. Er is wel een e-mail van de voormalig gezinsvoogd (van 31 oktober 2025) overgelegd, maar daarin wordt niets gezegd over het aantal uren en dus wordt daarmee niet bevestigd dat (het de bedoeling was dat) in deze jeugdhulpbepalingen 90 uur per week werd toegekend. BJZ vindt dat ook niet, zo blijkt bijvoorbeeld uit de toelichting van BJZ hierover in het contact met verzoekster die in het dossier beschikbaar is. [3] Bovendien heeft BJZ deze bepalingen ingetrokken en op 14 november 2025 nieuwe bepalingen afgegeven voor in totaal 5 uur per week voor alle drie de kinderen samen.
11. Evenmin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om aan te sluiten bij de eerdere indicatie van 116 uur per week, waarnaar verzoekster vervolgens verwijst. Deze indicatie betrof namelijk een (bijzondere) situatie in het verleden en zag op kindzorg op grond van de Wmo die werd uitgevoerd door (toen) twee zorgverleners. Voor die hulp is nu een indicatie afgegeven van 58 uur kindzorg per week op grond van de Wmo met een tarief van € 27,26 en uitgevoerd door één (professionele) zorgverlener. Daar is verzoekster het niet mee eens en zij heeft in dat verband voorlopige voorzieningen gevraagd. Mede naar aanleiding van de uitspraken daarop zijn beslissingen (op bezwaar) genomen waarbij deze Wmo-indicatie is gehandhaafd [4] , waartegen verzoekster – zo is toegelicht – beroep heeft ingesteld. Die Wmo-discussie (en het beroep daarover) is in deze voorlopige voorziening echter niet aan de orde. De voorzieningenrechter gaat er daarom voor nu van uit dat de op dit moment toegekende 58 uur per week op grond van de Wmo (één professionele zorgverlener) tegen een uurtarief van € 27,26 voldoende is voor de Wmo-zorgvraag. Dat verzoekster zegt dat ze daarmee nu niet uitkomt is geen reden om daarom in het kader van het aantal nu toe te kennen tijdelijke uren op grond van de Jeugdwet aan te sluiten bij die eerder toegekende (en in feite dubbele) Wmo-uren van totaal 116 (omdat toen daarvoor twee zorgverleners nodig waren).
12. De voorzieningenrechter stelt echter wel – met partijen – vast dat verzoekster en haar kinderen behoefte hebben aan een combinatie van kindzorg op grond van de Wmo en jeugdhulp op grond van de Jeugdwet. Met andere woorden: vaststaat dat naast de toegekende Wmo-kindzorg ook jeugdhulp op grond van de Jeugdwet noodzakelijk is. Het college moet echter – nu hij pas recent weer bevoegd is geworden daarover een inhoudelijke beslissing te nemen – nog onderzoek verrichten naar de vraag welke soort jeugdhulp dat dan moet zijn en wat de omvang daarvan (mogelijk in combinatie met de Wmo-zorg) is (en of híervoor mogelijk inzet van meer dan één medewerker dan wel een hoger gekwalificeerde medewerker geboden is). Dat kan pas beoordeeld worden nadat het onderzoek daarnaar is afgerond. Dat is echter nu nog niet gebeurd. Op de zitting is de noodzaak van een spoedig onderzoek uitgebreid besproken, zijn de onderlinge wensen en verwachtingen daarbij aan de orde geweest en hebben partijen toegezegd dat dit met voortvarendheid wordt opgepakt. De voorzieningenrechter spreekt de wens uit dat dit ook zal gebeuren, dat op korte termijn een onderzoek zal zijn afgerond en kan worden beslist op de jeugdhulpvraag. Het college heeft daarbij wel onderkend dat in afwachting van het verdere onderzoek jeugdhulp noodzakelijk is ter overbrugging. Daarvoor heeft het college mede ter continuering en wegens stabiliteit aangesloten bij de indicatie van BJZ van in totaal 5 uur per week. De voorzieningenrechter vindt dit niet onredelijk, onder meer gelet op de expertise waarover BJZ beschikt en op de omstandigheid dat het college zelf nog nader onderzoek moet doen naar de situatie van het gezin en nu onduidelijk is in welke omvang jeugdhulp nodig is. Er zijn verder geen (andere) aanknopingspunten gesteld of gebleken waaruit moet worden afgeleid dat de nu tijdelijk toegekende 5 uren aan jeugdhulp per week zonder meer onvoldoende zijn. Daaraan doen de opmerkingen van verzoekster over de toereikendheid van de toegekende Wmo-uren niet af. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen en tijdelijk meer uren jeugdhulp toe kennen.
13. Op de zitting heeft het college het voorstel gedaan – om zo de druk bij verzoekster toch nog enigszins te verlichten – met terugwerkende kracht vanaf 17 januari 2026 (toen is de OTS geëindigd) de kinderen van verzoekster gedurende het onderzoek in een hoger arrangement van jeugdhulp terecht te laten komen, wat op totaal ongeveer 10 uur per week neerkomt. Dat heeft verzoekster echter niet geaccepteerd, omdat zij meer uren wenst. De voorzieningenrechter heeft daarover hiervoor al toegelicht waarom er op dit moment – in wat zij daarover aanvoert en uit het dossier blijkt – onvoldoende aanknopingspunten zijn om verzoekster daarin te volgen. De voorzieningenrechter merkt hierover wel op dat het partijen uiteraard vrij staat om naar aanleiding van deze uitspraak hierover contact te hebben en te bespreken of dat voorstel – waarbij overigens is toegelicht dat het college niet kan uitsluiten dat verzoekster het mogelijk uiteindelijk teveel ontvangen bedrag dan moet terugbetalen – alsnog kan worden uitgevoerd.

Conclusie en gevolgen

14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat niet tijdelijk meer uren aan jeugdhulp worden toegekend dan nu in het bestreden besluit tijdelijk is toegekend.
15. Voor een vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Broier, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.K.M. Bohnen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 5 maart 2026

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.De voorzieningenrechter is (ook ambtshalve) bekend met de voorgaande procedures over de Wmo- en Jeugdwetzorg. Omdat dit ook bij partijen bekend is, zijn die niet opgenomen in deze uitspraak en is hier enkel een korte samenvatting opgenomen van wat voor deze uitspraak relevant is.
3.Zie de e-mails daarover van 14 november 2025, in bijlage 9 bij het verzoekschrift.
4.Wat bij partijen en de voorzieningenrechter bekend is en die daarom niet concreet zijn genoemd.