3.3.Per 17 januari 2026 is de looptijd van de OTS afgelopen, nu deze niet is verlengd. Vanaf dat moment is het college, meer in het bijzonder Team Jeugd, weer bevoegd om te beslissen op het al dan niet verstrekken van een jeugdhulpvoorziening op grond van de Jeugdwet.
4. Verzoekster heeft op 6 januari 2026 een aanvraag ingediend voor een nieuwe jeugdhulpvoorziening in de vorm van een pgb vanaf 16 januari 2026 voor 90 uur per week (30 uur per week per kind). Ter onderbouwing van haar aanvraag heeft verzoekster verwezen naar de (door BJZ ingetrokken) jeugdhulpbepalingen van 24 oktober 2025.
5. Het college heeft, om te voorkomen dat verzoekster vanaf 17 januari 2026 zonder jeugdhulp zou komen te zitten, besloten om de jeugdhulpvoorziening (voor 5 uur per week) zoals die door BJZ is bepaald op 14 november 2025 en waarop is beschikt op 27 november 2025, bij het bestreden besluit van 21 januari 2026 voor drie maanden te verlengen. In het bestreden besluit is opgenomen dat het college in die periode onderzoek zal doen naar de gezinssituatie van verzoekster en in het bijzonder de hulpvraag van de kinderen.
6. Verzoekster is van mening dat het college in het bestreden besluit ten onrechte begeleiding heeft toegekend, terwijl verzoekster een aanvraag heeft gedaan voor jeugdhulp. Hierdoor is ten onrechte niet beslist op hetgeen is aangevraagd. Verder stelt verzoekster dat Team Jeugd thans een eigen beslissingsbevoegdheid heeft en – ook in afwachting van nader onderzoek – niet zonder meer de beoordeling van BJZ kan overnemen. BJZ heeft daarbij geen eigen onderzoek gedaan naar de laatste jeugdhulp bepaling. Team Jeugd dient zich er immers van te vergewissen of beoogde inzet de spoedsituatie wegneemt. Al eerder is vastgesteld door Team Jeugd wat volgens hen nodig is. In eerdere procedures is bepaald dat het gezin van verzoekster recht heeft op en behoefte heeft aan 116 uur aan hulp in het gezin per week, mede vanwege het feit dat de hulp door twee personen geboden diende te
worden. Verzoekster verwijst daarbij naar twee uitspraken van de voorzieningenrechter van 2 april 2024 en 5 juli 2024.Tot slot voert verzoekster aan dat de vaststelling van BJZ geenszins berust op zorgvuldig onderzoek. De nieuwe bepaling is tot stand gekomen zonder enig onderzoek door de nieuwe gezinsvoogd. Er heeft geen huisbezoek plaatsgevonden noch heeft er, anders dan de voormalige gezinsvoogd wel heeft gedaan, contact plaatsgevonden met de betrokken hulpverleners zoals CEC Limburg, Vincent van Gogh en Zorg en Gezelschap. De nieuwe bepaling ontbeert iedere vorm van deugdelijk (eigen) onderzoek en staat haaks op de eerder uitgebreid en deugdelijk gemotiveerde bepaling van 24 oktober 2025, waarbij volgens verzoekster per kind 30 uur per week jeugdhulp is toegekend (in totaal 90 uur per week). Praktische ondersteuning is volgens verzoekster nodig binnen het gezin om te zorgen voor een goede ontwikkeling, passende begeleiding en behandeling mogelijk te maken en een veilig en leefbaar opvoedklimaat te bewerkstelligen voor de
kinderen. Financiering vanuit Team Jeugd dient de inzet van twee personen van Zorg en Gezelschap mogelijk te maken om zo stappen te kunnen zetten en stabiliteit te creëren.
7. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. De voorzieningenrechter vindt dat het spoedeisend belang aanwezig is. Het college heeft dit ook niet betwist.
Het aantal tijdelijk toegekende uren aan jeugdhulp op grond van de Jeugdwet
8. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
9. De voorzieningenrechter is in de eerste plaats van oordeel dat uit de aanvraag van verzoekster niet blijkt dat zij een andere voorziening aanvraagt dan zij op dat moment ontving en die het college in het bestreden besluit ook weer heeft toegekend. Verzoekster verwijst namelijk zelf ter onderbouwing van haar aanvraag naar de ingetrokken bepalingen van BJZ. Het college heeft in het bestreden besluit vervolgens juist aangesloten bij BJZ en eveneens een pgb voor begeleiding individueel en/of groep toegekend. Deze vorm van begeleiding is een vorm van jeugdhulp. Het gaat verzoekster in de kern om het aantal tijdelijk toegekende uren jeugdhulp (in totaal 5 uur per week) in het bestreden besluit: zij wenst een hoger tijdelijk aantal uren toegekend te krijgen.
10. De voorzieningenrechter ziet allereerst geen aanknopingspunten om daarvoor aan te sluiten bij de aanvraag van verzoekster om 90 uur jeugdhulp per week. Ter onderbouwing daarvan heeft verzoekster verwezen naar de eerdere (ingetrokken) jeugdhulpbepalingen van 24 oktober 2025. De voorzieningenrechter deelt niet het standpunt van verzoekster dat daar uit blijkt dat in totaal 90 uur per week jeugdhulp is toegekend. Dat staat daar namelijk niet in: daarin staat dat de zorg over de hele periode (10 maart 2025 tot en met 16 januari 2026) 30 uur per kind bedraagt. Verzoekster heeft haar standpunt hierover ook niet onderbouwd. Zij stelt weliswaar dat de voormalig gezinsvoogd haar dit zo heeft toegezegd, maar dat blijkt nergens uit. Er is wel een e-mail van de voormalig gezinsvoogd (van 31 oktober 2025) overgelegd, maar daarin wordt niets gezegd over het aantal uren en dus wordt daarmee niet bevestigd dat (het de bedoeling was dat) in deze jeugdhulpbepalingen 90 uur per week werd toegekend. BJZ vindt dat ook niet, zo blijkt bijvoorbeeld uit de toelichting van BJZ hierover in het contact met verzoekster die in het dossier beschikbaar is.Bovendien heeft BJZ deze bepalingen ingetrokken en op 14 november 2025 nieuwe bepalingen afgegeven voor in totaal 5 uur per week voor alle drie de kinderen samen.
11. Evenmin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om aan te sluiten bij de eerdere indicatie van 116 uur per week, waarnaar verzoekster vervolgens verwijst. Deze indicatie betrof namelijk een (bijzondere) situatie in het verleden en zag op kindzorg op grond van de Wmo die werd uitgevoerd door (toen) twee zorgverleners. Voor die hulp is nu een indicatie afgegeven van 58 uur kindzorg per week op grond van de Wmo met een tarief van € 27,26 en uitgevoerd door één (professionele) zorgverlener. Daar is verzoekster het niet mee eens en zij heeft in dat verband voorlopige voorzieningen gevraagd. Mede naar aanleiding van de uitspraken daarop zijn beslissingen (op bezwaar) genomen waarbij deze Wmo-indicatie is gehandhaafd, waartegen verzoekster – zo is toegelicht – beroep heeft ingesteld. Die Wmo-discussie (en het beroep daarover) is in deze voorlopige voorziening echter niet aan de orde. De voorzieningenrechter gaat er daarom voor nu van uit dat de op dit moment toegekende 58 uur per week op grond van de Wmo (één professionele zorgverlener) tegen een uurtarief van € 27,26 voldoende is voor de Wmo-zorgvraag. Dat verzoekster zegt dat ze daarmee nu niet uitkomt is geen reden om daarom in het kader van het aantal nu toe te kennen tijdelijke uren op grond van de Jeugdwet aan te sluiten bij die eerder toegekende (en in feite dubbele) Wmo-uren van totaal 116 (omdat toen daarvoor twee zorgverleners nodig waren).
12. De voorzieningenrechter stelt echter wel – met partijen – vast dat verzoekster en haar kinderen behoefte hebben aan een combinatie van kindzorg op grond van de Wmo en jeugdhulp op grond van de Jeugdwet. Met andere woorden: vaststaat dat naast de toegekende Wmo-kindzorg ook jeugdhulp op grond van de Jeugdwet noodzakelijk is. Het college moet echter – nu hij pas recent weer bevoegd is geworden daarover een inhoudelijke beslissing te nemen – nog onderzoek verrichten naar de vraag welke soort jeugdhulp dat dan moet zijn en wat de omvang daarvan (mogelijk in combinatie met de Wmo-zorg) is (en of híervoor mogelijk inzet van meer dan één medewerker dan wel een hoger gekwalificeerde medewerker geboden is). Dat kan pas beoordeeld worden nadat het onderzoek daarnaar is afgerond. Dat is echter nu nog niet gebeurd. Op de zitting is de noodzaak van een spoedig onderzoek uitgebreid besproken, zijn de onderlinge wensen en verwachtingen daarbij aan de orde geweest en hebben partijen toegezegd dat dit met voortvarendheid wordt opgepakt. De voorzieningenrechter spreekt de wens uit dat dit ook zal gebeuren, dat op korte termijn een onderzoek zal zijn afgerond en kan worden beslist op de jeugdhulpvraag. Het college heeft daarbij wel onderkend dat in afwachting van het verdere onderzoek jeugdhulp noodzakelijk is ter overbrugging. Daarvoor heeft het college mede ter continuering en wegens stabiliteit aangesloten bij de indicatie van BJZ van in totaal 5 uur per week. De voorzieningenrechter vindt dit niet onredelijk, onder meer gelet op de expertise waarover BJZ beschikt en op de omstandigheid dat het college zelf nog nader onderzoek moet doen naar de situatie van het gezin en nu onduidelijk is in welke omvang jeugdhulp nodig is. Er zijn verder geen (andere) aanknopingspunten gesteld of gebleken waaruit moet worden afgeleid dat de nu tijdelijk toegekende 5 uren aan jeugdhulp per week zonder meer onvoldoende zijn. Daaraan doen de opmerkingen van verzoekster over de toereikendheid van de toegekende Wmo-uren niet af. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen en tijdelijk meer uren jeugdhulp toe kennen.
13. Op de zitting heeft het college het voorstel gedaan – om zo de druk bij verzoekster toch nog enigszins te verlichten – met terugwerkende kracht vanaf 17 januari 2026 (toen is de OTS geëindigd) de kinderen van verzoekster gedurende het onderzoek in een hoger arrangement van jeugdhulp terecht te laten komen, wat op totaal ongeveer 10 uur per week neerkomt. Dat heeft verzoekster echter niet geaccepteerd, omdat zij meer uren wenst. De voorzieningenrechter heeft daarover hiervoor al toegelicht waarom er op dit moment – in wat zij daarover aanvoert en uit het dossier blijkt – onvoldoende aanknopingspunten zijn om verzoekster daarin te volgen. De voorzieningenrechter merkt hierover wel op dat het partijen uiteraard vrij staat om naar aanleiding van deze uitspraak hierover contact te hebben en te bespreken of dat voorstel – waarbij overigens is toegelicht dat het college niet kan uitsluiten dat verzoekster het mogelijk uiteindelijk teveel ontvangen bedrag dan moet terugbetalen – alsnog kan worden uitgevoerd.