ECLI:NL:RBLIM:2026:215

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
ROE 24/2331
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid van de rechtbank inzake beroep tegen Natura 2000 beheerplannen

Op 12 januari 2026 heeft de Rechtbank Limburg uitspraak gedaan in de zaak tussen de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten en het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg. De rechtbank verklaarde zich grotendeels onbevoegd om kennis te nemen van de beroepen tegen twee Natura 2000 beheerplannen. Eiseres stelde dat in de beheerplannen vrijstellingen van de natuurvergunningplicht hadden moeten worden opgenomen, maar de rechtbank oordeelde dat de weigering om een vrijstelling op te nemen geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank overwoog dat een besluit gericht is op rechtsgevolg en dat de rechtspositie van eiseres niet verandert door het niet opnemen van een vrijstelling. De rechtbank concludeerde dat zij onbevoegd was om van het beroep kennis te nemen, met uitzondering van de gronden die betrekking hadden op de machinale bewerking en het plan-MER. Deze gronden werden echter ongegrond verklaard, waardoor het beroep als geheel ongegrond werd verklaard. De uitspraak benadrukt de noodzaak van een passende beoordeling bij het vaststellen van beheerplannen en de beperkingen van de beroepsmogelijkheden tegen dergelijke besluiten.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 24/2331

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 januari 2026 in de zaak tussen

Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten, uit Amersfoort, eiseres,

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg, verweerder

(gemachtigden: mr. A.C.H. Lahaije en J.J.P. Seelen).

Procesverloop

1. Verweerder heeft bij het beheerplan van 23 januari 2024, bekendgemaakt op
14 februari 2024, het Natura-2000 beheerplan Geuldal 2024-2030 (hierna: het beheerplan) vastgesteld.
1.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het beheerplan.
1.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2025, gezamenlijk met de zaak ROE 24/2394, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] namens eiseres en de gemachtigden van verweerder. Na het sluiten van het onderzoek is deze zaak gesplitst van de zaak ROE 24/2394.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding
2. Bij besluit van 22 juni 2015 is het Geuldal aangewezen als Natura- 2000 gebied. Bij het beheerplan heeft verweerder voor het Natura 2000-gebied ‘Geuldal’ (hierna: Geuldal) een definitief beheerplan vastgesteld. Het beheerplan is een plan op hoofdlijnen. Het Geuldal betreft de rivier de Geul, graslanden en bossen in het beekdal en bossen en graslanden op de flanken en hellingen met een totale oppervlakte van 2.594 ha. Het Geuldal behoort in hoofdzaak tot het grondgebied van de gemeenten Vaals, Gulpen-Wittem en Valkenburg aan de Geul. In het aanwijzingsbesluit zijn 24 instandhoudingsdoelen, verdeeld over 14 habitattypen en 10 habitatsoorten vastgesteld. In het beheerplan worden deze instandhoudingsdoelen verder uitgewerkt. Van deze 24 habitattypen en -soorten zijn er zes aangewezen als prioritair, namelijk pioniersbegroeiingen op rotsbodem, kalkgraslanden, heischrale graslanden, kalktufbronnen, vochtige alluviale bossen en Spaanse vlag.
2.1.
In het beheerplan is opgenomen welke maatregelen verweerder wil treffen om de instandhoudingsdoelstellingen voor het Geuldal te bereiken. Het beheerplan voorziet onder meer in maatregelen die gericht zijn op stikstofgevoelige habitattypen en (leefgebieden van) soorten en niet stikstof-gerelateerde maatregelen, zoals communicatie- en handhavingsmaatregelen.
2.2.
In het beheerplan is daarnaast in hoofdstuk 7 het huidig gebruik in en rond het Natura-2000 gebied getoetst aan de instandhoudingsdoelstellingen. Dit heeft ertoe geleid dat in het beheerplan is bepaald dat sommige bestaande activiteiten, bijvoorbeeld machinale bewerking op agrarische gronden (inclusief voor agrarisch natuurbeheer) en teelt ondersteunende voorzieningen, zijn uitgezonderd van de natuurvergunningplicht
(categorie 1).
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet voor een ambtshalve te nemen besluit een ontwerp ter inzage is gelegd van een besluit op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is, dan blijft op grond van artikel 2.9, tweede lid, onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt.
Het beheerplan is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Het ontwerpbesluit is op 17 november 2021 ter inzage gelegd. Dat betekent dat in dit geval het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Bevoegdheid rechtbank
4. De rechtbank moet eerst ambtshalve toetsen of zij bevoegd is om van het beroep kennis te nemen. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat beroep bij de bestuursrechter alleen mogelijk is tegen een besluit. Wat een besluit is, volgt dan weer uit artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Daarin is bepaald dat onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
5. Uit artikel 8.1, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) in samenhang met artikel 2.9, eerste lid, van de Wnb volgt dat bij de bestuursrechter alleen beroep kan worden ingesteld tegen de beschrijving van activiteiten in een beheerplan die het bereiken van instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengen en de daarbij aangegeven voorwaarden en beperkingen. Hierbij gaat het om die onderdelen van een beheerplan waarin bepaalde projecten of andere handelingen worden uitgezonderd van de natuurvergunningplicht. Alleen die onderdelen van het beheerplan zijn namelijk aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Om als rechtbank bevoegd te zijn om het beroep van eiser inhoudelijk te kunnen behandelen, is het dan ook noodzakelijk dat eiser zijn beroep richt tegen een of meer onderdelen van het beheerplan die als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb kwalificeren. Of dat in dit geval gebeurd is, zal de rechtbank hierna beoordelen.
6. Eiseres voert in beroep – samengevat – aan dat verweerder bij de voorbereiding van het beheerplan een plan-milieueffectrapport (hierna: plan-MER) had moeten opstellen. Eiseres voert verder aan dat de volgende activiteiten ten onrechte zijn aangewezen als vergunningvrij of getoetst hadden moeten worden: beweiden en bemesten van gronden binnen of nabij het Natura 2000-gebied, machinale bewerking op agrarische gronden (inclusief voor agrarisch natuurbeheer), gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, gebruik en onderhoud (peilgestuurde) drainage en watergangen, grond- en oppervlaktewateronttrekkingen ten behoeve van beregening en open teelt, aanleg van waterbuffers (ten onrechte niet als activiteit getoetst), waterzuiveringsinstallaties (nu niet als activiteit getoetst), (riool)overstorten (nu niet als activiteit getoetst) en infrastructuur (nu niet als activiteit getoetst). Het beheerplan dient daarnaast inzicht te bieden in de planning en het proces van de vergunningaanvraag- en beoordeling, hetgeen niet is gebeurd. Volgens eiseres moet de aanleg van waterbuffers, waterrioolzuiveringsinstallaties, (riool)overschotten en infrastructuur (met name weg) ook onder “waterbeheer” vallen en getoetst worden binnen hoofdstuk 7 ‘Bestaand gebruik’ en indien nodig moeten hieraan voorwaarden worden gesteld. De Geul en haar zijbeken hebben momenteel te maken met onnatuurlijk hoge afvoerpieken wat zorgt voor de knelpunten: erosie oevers, inspoeling, verdroging, vermesting en afvoerpieken en sliblast. Acties om deze knelpunten op te lossen ontbreken in het beheerplan. Volgens eiseres is in het beheerplan ten onrechte niet onderbouwd wat de negatieve effecten zijn bij cumulatie van activiteiten.
7. De rechtbank is van oordeel dat een weigering om een vrijstelling voor de natuurvergunningsplicht op te nemen in een Natura 2000 beheerplan, zoals het onderhavige beheerplan, geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
8. Een weigering om een vrijstelling op de natuurvergunningplicht aan te nemen in het beheerplan is naar het oordeel van de rechtbank niet gericht op rechtsgevolg en is daarom geen besluit. Onder verwijzing naar bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4875, overweegt de rechtbank dat een besluit gericht is op rechtsgevolg als een bestuursorgaan een verandering beoogt in een bevoegdheid, recht, verplichting of status van een persoon of zaak. Van een op rechtsgevolg gerichte beslissing is verder sprake als een bestuursorgaan beoogt een bevoegdheid, recht, verplichting of status van een persoon of zaak bindend vast te stellen. Door geen vrijstelling aan te nemen in het beheerplan verandert de rechtspositie van eiseres, althans haar leden, niet. Er wordt door het plaatsen van een bepaalde activiteit in beoordelingscategorie 3 geen (bestaand) recht of verplichting teniet gedaan en ook ontstaat er geen recht of verplichting door een bepaald huidig gebruik niet vrij te stellen van de Wnb-vergunningplicht in het beheerplan. Dit omdat de (mogelijke) vergunningplicht voortvloeit uit de Wnb en dus niet het gevolg is van het niet opnemen als vrijstelling in het beheerplan. Met andere woorden, door het niet vrijstellen verandert er niets in het recht. Niet in het algemeen en niet voor de leden van eiseres afzonderlijk. Het beheerplan bepaalt in categorie 3 enkel dat deze vergunningplicht, die reeds in het leven is geroepen door de Wnb, blijft gelden voor een bepaalde activiteit en derhalve niet wordt vrijgesteld. Dat is anders dan in de categorieën 1 en 2, waarin verweerder wel een verandering beoogt in een recht/verplichting, namelijk het niet meer nodig zijn van een mogelijke vergunning (al dan niet onder voorwaarden).
9. Voorts overweegt de rechtbank dat een besluit tot het vaststellen van een beheerplan ook geen beschikking is in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Awb, zijnde een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan. De reden hiervoor is dat in dit geval geen sprake is van een afwijzing van een aanvraag, noch van een besluit dat niet van algemene strekking is. Een weigering om een beheerplan vast te stellen met meer vrijstellingen kan dan ook niet langs de band van artikel 1:3, tweede lid, van de Awb gelijk worden gesteld met een besluit.
10. Als laatste is de rechtbank in dit kader nog van oordeel dat de omstandigheid dat in de kennisgeving is opgenomen dat door eenieder tegen de wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbeheerplan beroep kan worden ingesteld, niet bepalend is voor het antwoord op de vraag of sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb en of beroep bij de bestuursrechter open staat, ook niet als daaruit kan worden opgemaakt dat verweerder vindt dat beroep bij de bestuursrechter open staat.
Verhouding tot uitspraken van de Afdeling en van andere rechtbanken
11. De rechtbank komt tot voorgaand oordeel ondanks dat bepaalde uitspraken van de Afdeling lijken te suggereren dat de Afdeling zich wel bevoegd acht in een beroep tegen een weigering om een vrijstelling op te nemen. Daarover overweegt de rechtbank als volgt.
12. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:613 en 28 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:709, overwogen dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen en nader uitgelegd in onder meer de uitspraak van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2894, na de aanwijzing van een gebied als Natura 2000-gebied maatregelen moeten worden getroffen om de gestelde doelstellingen te bereiken. In een beheerplan worden die maatregelen en de wijze waarop deze moeten worden uitgevoerd, beschreven. Het beheerplan kan echter meer elementen bevatten dan een beschrijving van de maatregelen die moeten gaan leiden tot het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied, zoals de mogelijkheid projecten en andere handelingen in een beheerplan te beschrijven en die daarmee uit te zonderen van de vergunningplicht uit artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998, voorloper van de natuurvergunningsplicht uit de Wnb). Dit is het deel van het beheerplan waarin de handelingen zijn beschreven die het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengen en de daarbij in voorkomend geval aangegeven voorwaarden en beperkingen. Alleen tegen de keuze bepaalde projecten of andere handelingen daarin wel of niet te beschrijven en daarmee
al dan niet(cursivering rechtbank) vrij te stellen van de vergunningplicht staat beroep open, bepaalt artikel 39, tweede lid, van de Nbw 1998 (voorloper van artikel 8.1, tweede lid, van de Wnb).
12.1.
In genoemde uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2894, is door de Afdeling het volgende overwogen:
“In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 39, tweede lid, van de Nbw 1998 (Kamerstukken II 2009/10, 32 127, blz. 75-76) wordt die bepaling als volgt toegelicht:
"Tegen het besluit tot vaststelling van een beheerplan staat (…) beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bedacht moet evenwel worden dat slechts bepaalde onderdelen van een beheerplan als besluit in de zin van de Awb zijn aan te merken, en dus voor beroep vatbaar zijn. Onderdelen van het beheerplan die de beschrijving bevatten van het - op uitvoering gerichte - beleid dat het desbetreffende bevoegd gezag wenselijk acht, waaronder de fasering en prioritering, zijn dat niet.
De regering wil voorkomen dat er op dit punt misverstanden ontstaan. (…) De regering stelt daarom voor in de Nb-wet duidelijk te maken tegen welke onderdelen van het beheerplan beroep openstaat. Dit zijn de beschrijvingen in het beheerplan van handelingen die het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling niet in gevaar brengen, en de daarbij in voorkomend geval aangegeven voorwaarden en beperkingen. Dergelijke beschrijvingen zijn aan te merken als een besluit, omdat artikel 19d, tweede lid, van de Nb-wet regelt dat handelingen die overeenkomstig de beschrijving in het beheerplan worden uitgevoerd, niet vergunningplichtig zijn".
6.3.
Het voorgaande betekent dat appellanten geen beroep kunnen instellen tegen de maatregelen die in het beheerplan zijn opgenomen om de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied "Engbertsdijksvenen" te bereiken. (…) Wel kunnen appellanten beroep instellen tegen de beschrijving van projecten of andere handelingen die zijn vrijgesteld van de vergunningplicht, of tegen het ontbreken van een dergelijke beschrijving van een project of andere handeling die volgens appellanten wel van de vergunningplicht had moeten worden vrijgesteld.”
13. Voor zover de Afdeling in de vermelde uitspraken van 2018 en 2017 heeft overwogen dat ook tegen het
nietuitzonderen van de natuurvergunningplicht beroep open staat, volgt de rechtbank dit oordeel van de Afdeling niet. Hiervoor verwijst de rechtbank allereest naar haar hiervoor onderbouwde oordeel waarom een dergelijke weigering om een vrijstelling op te nemen volgens haar geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb is. Verder is de rechtbank van oordeel dat ook uit artikel 8.1, tweede lid, van de Wnb in samenhang met artikel 2.9, eerste lid, van de Wnb, niet kan worden opgemaakt dat de bestuursrechter bevoegd is voor beroepen gericht tegen de weigering om een vrijstelling in een beheerplan op te nemen. Als dat wel zo was, dan zou dat betekenen dat een dergelijke weigering in feite toch met een besluit gelijk zou worden gesteld, maar zonder basis daartoe in de Awb. Uit de wetsgeschiedenis volgt een dergelijke bedoeling naar het oordeel van de rechtbank niet. Als de bestuursrechter bevoegd zou zijn om van een weigering om een vrijstelling op te nemen kennis te nemen, dan ontneemt dat bovendien in aanzienlijke mate de betekenis van de inperkingen op de beroepsmogelijkheden uit artikel 8.1, tweede lid, van de Wnb in samenhang met artikel 2.9, eerste lid, van de Wnb.
14. De rechtbank vindt steun voor het voorgaande in het volgende. Sinds de invoering van de Omgevingswet is in artikel 8:5, eerste lid, van de Awb bepaald dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 1 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak. In artikel 1, aanhef en onder g, van bijlage 2 “Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak” is opgenomen dat tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, geen beroep kan worden ingesteld. Onder het kopje Omgevingswet staat onder g: de artikelen 3.4, 3.6 tot en met 3.10, 3.14 en 3.15, voor zover het niet betreft een daarin opgenomen beschrijving van een activiteit als gevolg waarvan de activiteit is toegestaan.
In artikel 3.8, derde lid, van de Omgevingswet is opgenomen dat gedeputeerde staten van de provincie waarin een Natura 2000-gebied ligt of, als dat gebied in meer dan een provincie ligt, gedeputeerde staten van de provincie waarin dat gebied grotendeels ligt, voor dat gebied een beheerplan vaststellen. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat sinds de invoering van de Omgevingswet gecodificeerd is dat geen beroep kan worden ingesteld tegen het beheerplan, tenzij het betreft een in het beheerplan opgenomen beschrijving van een activiteit als gevolg waarvan de activiteit is toegestaan zonder natuurvergunning (vrijstelling). Verder overweegt de rechtbank dat uit de transponderingstabellen bij het Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet als het gaat om artikel 8.1, tweede lid, van de Wnb volgt dat dit niet is omgezet in de Omgevingswet met de volgende toelichting: ‘
Vloeit al voort uit Awb: onderdelen die geen rechtsgevolg hebben staan niet voor beroep open.’De regeling uit artikel 8.1, tweede lid, van de Wnb is dus verplaatst naar artikel 1, aanhef en onder g, van bijlage 2 “Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak” van de Awb. Dat met deze verplaatsing tevens een inhoudelijke wijziging ten opzichte van de Wnb is beoogd volgt naar het oordeel van de rechtbank echter niet uit de toelichting.
15. Verder overweegt de rechtbank dat de uitspraken van de Afdeling waarin zij de bevoegdheid voor een beroep tegen een weigering mogelijk lijkt te achten moeten worden afgezet tegen meer recente uitspraken van de Afdeling waarin de Afdeling ook niet meer refereert aan die uitspraken. Zie onder andere: 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3397. Ook weegt voor de rechtbank mee dat zij niet bekend is met een uitspraak van de Afdeling waarin een categorie waarvan het huidig gebruik in het beheerplan niet is vrijgesteld van de Wnb-vergunningplicht, daadwerkelijk is aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Ook in de uitspraken waarin de Afdeling die mogelijkheid lijkt te overwegen, zag het beroep op verleende vrijstellingen (onder voorwaarden) en niet op de weigering van het opnemen ervan.
16. Ook overweegt de rechtbank dat onder meer ook de rechtbanken Noord-Holland en Gelderland al eerder hebben overwogen dat een weigering om een vrijstelling op te nemen in een beheerplan geen besluit is en zij om die reden zich onbevoegd hebben verklaard. De rechtbank verwijst daarvoor naar uitspraken van de rechtbank Gelderland van 5 maart 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:1434, en van de rechtbank Noord-Holland van 29 maart 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:3135. Tegenover die uitspraken staat een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 16 juni 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:2521. De rechtbank Oost-Brabant acht zich in die uitspraak wel bevoegd om te oordelen over een weigering om een vrijstelling te verlenen. De rechtbank doet dat in die zaak echter met een verwijzing naar rechtspraak van de Afdeling waarvan de rechtbank hierboven reeds heeft toegelicht waarom die uitspraken naar het oordeel van de rechtbank onjuist zijn voor zover daarin zou zijn aangenomen dat een weigering om een vrijstelling in een beheerplan op te nemen een besluit is of daarmee gelijk valt te stellen. De rechtbank oordeelt daarom in lijn met de rechtbanken Noord-Holland en Gelderland en in afwijking van de rechtbank Oost-Brabant.
17. De rechtbank is onbevoegd om van het beroep van eiseres kennis te nemen, voor zover het gaat over onderwerpen in het beheerplan waarvoor geen vrijstelling is verleend. Dit betreft het bemesten, beweiden en gebruik van beschermingsmiddelen. Van de gronden van eiseres die betrekking hebben op grond- en oppervlaktewateronttrekkingen ten behoeve van beregening open teelt en (peilgestuurde) drainage is de rechtbank evenmin bevoegd om kennis te nemen, omdat dit tevens onderwerpen betreft waarvoor in het beheerplan het (huidige) gebruik niet vrijgesteld wordt van de natuurvergunningplicht. Immers, in het beheerplan is op bladzijde 384 opgenomen dat deze gebruiksvormen voor het Geuldal niet beoordeeld en getoetst zijn, omdat het bij deze gebruiksvormen in relatie tot het Natura 2000-gebied gaat om enkele individuele gevallen en het beleid van de provincie niet gericht is op individuele gevallen. Evenmin kan de rechtbank kennis nemen van het door eiseres gestelde over de effecten van (grensoverschrijdende) cumulatie van activiteiten, omdat deze beroepsgrond, direct of indirect, gericht is tegen het aanmerken van het huidig gebruik van voormelde agrarische activiteiten als de in het beheerplan opgenomen beoordelingscategorie 3, zijnde dat het huidig gebruik van voormelde agrarische activiteiten niet vrijgesteld is van de Wnb-vergunningplicht.
Machinale bewerking
18. Eiseres stelt dat machinale bewerking op agrarische gronden (inclusief voor agrarisch natuurbeheer) niet vrijgesteld kan worden van de vergunningplicht. De machinale bewerking heeft erosie tot gevolg. Hier moeten minstens voorwaarden aan gesteld worden om de run-off te beperken.
19. De rechtbank overweegt dat het opnemen van een vrijstellingsregeling in het beheerplan een discretionaire bevoegdheid van verweerder betreft. Voor het opnemen van een vrijstellingsregeling in het beheerplan dient voldaan te worden aan de voorwaarden van artikel 2.9, eerste lid, van de Wnb, kort gezegd moet een passende beoordeling zijn uitgevoerd waaruit de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten en het bestuursorgaan dat het plan heeft vastgesteld dient tevens bevoegd te zijn voor het verlenen van de natuurvergunning.
19.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, die bevoegd is om een natuurvergunning te verlenen, blijkens paragraaf 7.5.2 op pagina 384 een passende beoordeling uitgevoerd waaruit de zekerheid is verkregen dat machinale bewerking op agrarische gronden (inclusief voor agrarisch natuurbeheer) de natuurlijke kenmerken van het Geuldal niet zal aantasten. Immers, de machinale agrarische bewerkingen vinden niet plaats binnen de habitattypen en zij niet betwist is dat zij slechts een paar dagen per jaar en verspreid over het gehele jaar plaatsvinden, zodat er geen significante geluids- of optische effecten hiervan op de aangewezen instandhoudingsdoelen op aangrenzende percelen zijn. Voor de voorkoming van run-off (erosie) heeft verweerder in hoofdstuk 5 van het beheerplan planmaatregelen genomen, zoals het aanleggen van bufferzones voor inspoeling en afspoeling en onderzoek naar het functioneren hiervan of ander gebruik van percelen. De rechtbank overweegt dat tegen het deel van het beheerplan waarin de instandhoudingsmaatregelen zijn opgenomen staat geen beroep bij de bestuursrechter open, zie uitspraken van de Afdeling van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2894 en 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:349. Dit betekent dat voor zover de beroepsgronden van eiseres betrekking hebben op de maatregelen in het beheerplan deze niet beoordeeld mogen/kunnen worden. Verweerder mocht dan ook concluderen dat van significant negatieve effecten door machinale bewerkingen geen sprake is. Het betoog slaagt niet.
Plan-MER
20. Eiseres stelt zich op het standpunt dat een plan-MER moet worden gemaakt bij de voorbereiding van een beheerplan als bij de voorbereiding hiervan een passende beoordeling moet worden gemaakt. Hiertoe verwijst eiseres naar het boek Natuur in de Omgevingswet, pagina 114 en verder.
21. De rechtbank volgt eiseres hierin niet en overweegt daartoe dat in het onderhavige geval, gelet op het overgangsrecht, de Omgevingswet niet van toepassing is. Dit betekent dat niet ter beoordeling voorligt of op basis van de Omgevingswet de verplichting bestaat om voor het beheerplan een plan-MER te maken. Voorts is de rechtbank van oordeel dat onder het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, verweerder niet verplicht was om een plan-MER op te stellen voor het beheerplan, omdat een MER op grond van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer moet worden gemaakt bij de voorbereiding van een op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verplicht vast te stellen plan waarvoor, in verband met een daarin opgenomen activiteit, een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wnb. In artikel 2.8, eerste lid, van de Wnb - voor zover van belang - is bepaald dat verweerder voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van de Wnb een passende beoordeling maakt van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. Artikel 2.7, eerste lid, van de Wnb bepaalt dat een bestuursorgaan een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vaststelt indien is voldaan aan artikel 2.8. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een plan als bedoelt in artikel 2.7, eerste lid, van de Wnb, omdat een beheerplan
weldirect verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

22. De rechtbank is onbevoegd van het beroep kennis te nemen, met uitzondering van de gronden van eiseres over het plan-MER en machinale bewerking. Daarover is de rechtbank wel bevoegd om te oordelen. Die gronden slagen echter niet, waardoor het beroep ongegrond is.
23. Eiseres krijgt het griffierecht daarom niet terug.

Beslissing

  • De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen, met uitzondering van de beroepsgronden ten aanzien van mechanische verwerking en plan-MER.
  • De rechtbank verklaart het beroep ongegrond voor zover het beroep betrekking heeft op mechanische verwerking en plan-MER.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.J.A. Smitsmans, voorzitter, en mr. C. Drent en
mr. H.H.B. Lamers, leden, in aanwezigheid van mr. P.M. van den Brekel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 12 januari 2026
de griffier is verhinderd om
deze uitspraak te ondertekenen
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 12 januari 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet natuurbescherming
Artikel 2.3
1. Gedeputeerde staten van de provincie waarin een op grond van artikel 2.1 aangewezen Natura 2000-gebied is gelegen, stellen voor dat gebied een beheerplan vast. Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in de eerste volzin is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
2. Tot de inhoud van het beheerplan behoort in elk geval een beschrijving van de voor het Natura 2000-gebied, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen:
a. nodige instandhoudingsmaatregelen [...];
b. de beoogde resultaten van de maatregelen, bedoeld in onderdeel a.
Artikel 2.7
1. [...]
2. Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.
3. Gedeputeerde staten verlenen een vergunning als bedoeld in het tweede lid uitsluitend indien is voldaan aan:
a. artikel 2.8, met uitzondering van het negende lid, wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, of
b. artikel 2.8, negende lid, wanneer zij betrekking heeft op andere handelingen dan projecten als bedoeld in onderdeel a.
Artikel 2.9
1. Het verbod, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, is niet van toepassing op projecten en andere handelingen die zijn beschreven in en worden gerealiseerd, onderscheidenlijk verricht overeenkomstig een beheerplan als bedoeld in artikel 2.3 [...] indien:
a. ten aanzien van het plan [...], althans het desbetreffende onderdeel, een passende beoordeling van projecten is uitgevoerd waaruit de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten, onderscheidenlijk rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van andere handelingen voor het Natura 2000-gebied, en
b. het bestuursorgaan dat het plan [...] heeft vastgesteld tevens bevoegd is voor de verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, voor een dergelijk project, onderscheidenlijk een dergelijke handeling, of, als dat niet het geval is, het laatstbedoelde bestuursorgaan heeft ingestemd met het onderdeel van het plan [...] dat betrekking heeft op het project, onderscheidenlijk de andere handeling.
Artikel 8.1
2. Een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een beheerplan als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, of van een programma als bedoeld in artikel 1.13 heeft uitsluitend betrekking op de beschrijvingen van projecten als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, handelingen als bedoeld in artikel 3.3, zevende lid, onderdeel b, artikel 3.8, zevende lid, onderdeel b, al dan niet in samenhang met artikel 3.10, tweede lid.