Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 26 februari 2026,
- de pleitnota van Weller.
2.De feiten
€ 642,27 per maand.
11 maart 2026 vanaf 10.00 uur, desnoods met behulp van de sterke arm. [3]
Rechtbank Limburg
De bewindvoerder van een huurder vordert in kort geding de schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis van de kantonrechter, waarin ontruiming van een huurwoning wegens huurachterstand is bevolen. De kantonrechter had het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard zonder deze beslissing te motiveren.
De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een spoedeisend belang vanwege de geplande ontruiming op 11 maart 2026. De Hoge Raad heeft criteria geformuleerd voor toetsing van schorsingsvorderingen bij ontruimingsvonnissen, waaronder de noodzaak van een belangenafweging als de uitvoerbaarheid bij voorraad niet gemotiveerd is.
De rechtbank oordeelt dat de belangen van de verhuurder, een toegelaten instelling met een wachtlijst voor sociale huurwoningen, zwaarder wegen dan die van de huurder en haar minderjarige dochter. Er is co-ouderschap en het kind zal niet dakloos worden. De huurachterstand is fors en de extra betalingen zijn onvoldoende om de schuld binnen afzienbare tijd te voldoen.
Er zijn geen nieuwe feiten die een schorsing rechtvaardigen en de stelling van misbruik van recht en strijd met redelijkheid en billijkheid faalt. De vorderingen tot schorsing en verbod op ontruiming worden afgewezen. De vordering tot verklaring van onbevoegdheid tot executie wordt eveneens afgewezen omdat een verklaring voor recht in kort geding niet toewijsbaar is.
De bewindvoerder wordt veroordeeld in de proceskosten van €1.684,00, te vermeerderen met een dwangsom bij niet-tijdige betaling.
Uitkomst: De vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis worden afgewezen en de bewindvoerder wordt veroordeeld in de proceskosten.