ECLI:NL:RBLIM:2026:2091

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
C/03/349519 / KG ZA 26-53
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Etman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:13 BWArt. 438 lid 2 RvArt. 438 lid 3 RvVerdrag inzake de rechten van het kind (IVRK)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsing tenuitvoerlegging ontruimingsvonnis wegens huurachterstand

De bewindvoerder van een huurder vordert in kort geding de schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis van de kantonrechter, waarin ontruiming van een huurwoning wegens huurachterstand is bevolen. De kantonrechter had het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard zonder deze beslissing te motiveren.

De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een spoedeisend belang vanwege de geplande ontruiming op 11 maart 2026. De Hoge Raad heeft criteria geformuleerd voor toetsing van schorsingsvorderingen bij ontruimingsvonnissen, waaronder de noodzaak van een belangenafweging als de uitvoerbaarheid bij voorraad niet gemotiveerd is.

De rechtbank oordeelt dat de belangen van de verhuurder, een toegelaten instelling met een wachtlijst voor sociale huurwoningen, zwaarder wegen dan die van de huurder en haar minderjarige dochter. Er is co-ouderschap en het kind zal niet dakloos worden. De huurachterstand is fors en de extra betalingen zijn onvoldoende om de schuld binnen afzienbare tijd te voldoen.

Er zijn geen nieuwe feiten die een schorsing rechtvaardigen en de stelling van misbruik van recht en strijd met redelijkheid en billijkheid faalt. De vorderingen tot schorsing en verbod op ontruiming worden afgewezen. De vordering tot verklaring van onbevoegdheid tot executie wordt eveneens afgewezen omdat een verklaring voor recht in kort geding niet toewijsbaar is.

De bewindvoerder wordt veroordeeld in de proceskosten van €1.684,00, te vermeerderen met een dwangsom bij niet-tijdige betaling.

Uitkomst: De vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis worden afgewezen en de bewindvoerder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/349519 / KG ZA 26-53
Vonnis in kort geding van 4 maart 2026
in de zaak van
[eisende partij] ,
h.o.d.n. [bewindvoerder] ,in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van[rechthebbende],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de bewindvoerder ( [rechthebbende] hierna te noemen: [rechthebbende] ),
advocaat: mr. S.X.J. Zuidema,
tegen
STICHTING WELLER WONEN,
te Heerlen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Weller,
advocaat: mr. R.W. Janssen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in kort geding van 18 februari 2026 met de productie 1 t/m 9,
- de producties 1 t/m 5 van Weller,
- de mondelinge behandeling van 26 februari 2026,
- de pleitnota van Weller.
1.2.
Hierna is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Weller is een toegelaten instelling in de zin van de Woningwet en bezit circa 10.000 woningen in de gemeenten Heerlen , Brunssum en Beekdaelen. Er is een wachtlijst voor mensen die in aanmerking willen komen voor een woonruimte.
2.2.
Weller en [rechthebbende] hebben een huurovereenkomst gesloten op grond waarvan Weller sinds 1 november 2015 aan [rechthebbende] de woning aan [adres] [1] verhuurt, tegen een bij vooruitbetaling verschuldigde huurprijs van laatstelijk
€ 642,27 per maand.
2.3.
De kantonrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Maastricht, heeft in kort geding, in een huurgeschil tussen partijen, op 21 november 2025 vonnis gewezen. [2] De kantonrechter heeft – kort gezegd – beslist dat de bewindvoerder ( [rechthebbende] ) de woning binnen vier weken na betekening van het vonnis dient te verlaten en te ontruimen, onder afgifte van de sleutels aan Weller, en de huurachterstand en de proceskosten aan Weller moet betalen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.4.
Weller heeft de grosse van het vonnis op 16 december 2025 aan de bewindvoerder laten betekenen. De bewindvoerder is bevolen om de hoofdsom plus de kosten te voldoen en de woning binnen vier weken te ontruimen. Indien de woning niet tijdig wordt ontruimd, is aangezegd dat de gerechtelijke ontruiming van de woning zal plaatsvinden op
11 maart 2026 vanaf 10.00 uur, desnoods met behulp van de sterke arm. [3]
2.5.
De bewindvoerder heeft op 18 december 2025 tegen het vonnis hoger beroep ingesteld (herstelexploot op 30 december 2025). [4]
2.6.
[rechthebbende] heeft de woning tot nu toe niet ontruimd.

3.Het geschil

3.1.
De bewindvoerder vordert in kort geding, samengevat, dat de voorzieningenrechter:
I. de tenuitvoerlegging van het vonnis schorst, althans bepaalt dat de aangekondigde ontruiming van de woning, aangezegd tegen 11 maart 2026, geen doorgang mag vinden;
II. verklaart dat Weller misbruik maakt van haar executiebevoegdheid, althans dat zij niet bevoegd is tot tenuitvoerlegging van het vonnis onder de gegeven omstandigheden;
III. Weller verbiedt om de ontruiming van de woning voort te zetten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000,00;
IV. Weller veroordeelt in de kosten van deze procedure.
3.2.
De bewindvoerder stelt dat hij een spoedeisend belang heeft bij de vorderingen. Executie van het vonnis betekent immers dat [rechthebbende] , bij gebreke van vervangende woonruimte, op 11 maart 2026 met haar minderjarige dochter op straat komt te staan. Dit terwijl tegen het vonnis hoger beroep is ingesteld. Als in hoger beroep zal worden geoordeeld dat er geen grond is voor ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming, is [rechthebbende] haar woning al verloren.
3.3.
De bewindvoerder wijst erop dat de kantonrechter de beslissing om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niet gemotiveerd heeft. Gelet hierop moet in dit kort geding alsnog een afweging worden gemaakt tussen de belangen van Weller als executant en [rechthebbende] als geëxecuteerde. De bewindvoerder stelt dat de belangen van [rechthebbende] tot behoud van de woning zwaarder wegen dan de belangen van Weller bij executie van het vonnis. Het tenuitvoerleggen van het vonnis levert bovendien in de huidige omstandigheden misbruik van recht op als bedoeld in artikel 3:13 BW Pro en is tevens in strijd met de redelijkheid en billijkheid. [5]
3.4.
Weller betwist dat de beslissing van de kantonrechter om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niet is gemotiveerd en voert aan dat daarover geoordeeld is in de randnummers 4.11 en 4.12 van het vonnis. [6] Voor zover toch nog een afweging van de belangen van partijen moet plaatsvinden, is Weller van mening dat die belangenafweging in het voordeel van Weller uitpakt. Van een juridische of feitelijke misslag is geen sprake en ook zijn er na het vonnis geen feiten voorgevallen die staking van de executie van het vonnis rechtvaardigen. [7] Weller concludeert dan ook tot afwijzing van de vorderingen van de bewindvoerder.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
[rechthebbende] heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat zij nog geen alternatieve woonruimte heeft. Gelet op de op 11 maart 2026 geplande ontruiming van de woning [8] , is er sprake van een spoedeisend belang.
Vorderingen I en III
4.2.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 20 december 2019 een maatstaf geformuleerd voor toetsing van vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een veroordeling tot ontruiming op de voet van artikel 438 lid Pro 2 (thans lid 3) Rv. Van belang is of nog een (gewoon) rechtsmiddel openstaat, en zo ja, of in die uitspraak uitdrukkelijk is beslist over de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Is de uitspraak nog niet definitief en is geen gemotiveerde beslissing gegeven omtrent de uitvoerbaarheid bij voorraad, dan dient een belangenafweging te worden gemaakt, waarbij moet worden uitgegaan van de beslissingen in de uitspraak en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen en waarbij de kans van slagen van het rechtsmiddel in beginsel buiten beschouwing moet blijven. Wel kan de rechter in de oordeelsvorming betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing berust op een kennelijke misslag, of indien na het vonnis aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk een noodtoestand doen ontstaan, zodat tenuitvoerlegging onaanvaardbaar is. [9]
4.3.
Anders dan Weller betoogt, heeft de kantonrechter de beslissing om het vonnis uitvoer bij voorraad te verklaren niet gemotiveerd. De belangenafweging in rechtsoverwegingen 4.11 en 4.12 van het vonnis ziet alleen op de toewijsbaarheid van de vordering van Weller tot ontruiming van de woning wegens de huurachterstand. De voorzieningenrechter zal in dit kort geding dus alsnog, met inachtneming van de bovenstaande maatstaf, de belangen van partijen moeten afwegen.
4.4.
De belangen van Weller wegen, ook bij toepassing van de bovenstaande maatstaf en rekening houdend met artikel 3 van Pro het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), zwaarder dan de belangen van [rechthebbende] en haar minderjarige dochter. Het is evident dat [rechthebbende] belang heeft bij het behouden van woonruimte voor haar en haar minderjarige dochter. Onbetwist is echter dat tussen de vader van het kind en [rechthebbende] sprake is van co-ouderschap en dat het kind ook bij de vader kan verblijven. Niet is komen vast te staan dat het kind dakloos zal worden bij ontruiming. Ook is onbetwist dat er nog steeds sprake is van een forse huurachterstand. De bewindvoerder verricht weliswaar maandelijks extra betalingen van € 50,00, naast de verschuldigde huur, maar gelet op de kosten die zijn ontstaan naast de huurachterstand en de hoogte van die extra betaling, zal het nog jaren duren voordat die kosten en de totale huurschuld zijn betaald. Weller heeft als verhuurder van huurwoningen in de sociale sector te maken met een wachtlijst voor woningzoekenden. Weller kan zich niet veroorloven om de woning te blijven verhuren aan een huurder die niet binnen afzienbare termijn de huurachterstand inlost, terwijl er anderen zijn op de wachtlijst die dringend een woning nodig hebben en die wel tijdig de huur voldoen.
4.5.
Andere nieuwe feiten waarmee geen rekening kon worden gehouden ten tijde van het vonnis van de kantonrechter zijn niet gesteld of gebleken.
4.6.
De bewindvoerder heeft ter onderbouwing van het gestelde misbruik van recht ex artikel 3:13 BW Pro en strijd met de redelijkheid en billijkheid geen andere argumenten aangedragen dan de argumenten die al zijn beoordeeld in het kader van de belangafweging. Die argumenten zijn niet toereikend als onderbouwing voor deze grondslagen.
4.7.
De vorderingen I en III zullen derhalve worden afgewezen.
Vordering II
4.8.
Volgens rechtspraak van de Hoge Raad is in een kort geding geen plaats voor een verklaring voor recht. [10] Alleen al om die reden is vordering II niet toewijsbaar.
Proceskosten
4.9.
De bewindvoerder is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Weller worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
760,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.684,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van de bewindvoerder af,
5.2.
veroordeelt de bewindvoerder in de proceskosten van € 1.684,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als de bewindvoerder niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. Etman en in het openbaar uitgesproken.

Voetnoten

1.hierna: de woning
2.hierna: het vonnis, productie 4 dv
3.productie 6 dagvaarding
4.productie 5 dagvaarding
5.randnr. 24 dagvaarding
6.randnr. 3.2 en 3.3 pleitnota Weller
7.ECLI:NL:HR:1983:AG4575, Ritzen/Hoekstra
8.Zie r.o. 2.4
9.Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, r.o. 5.5.3, 5.6.2 en 5.6.3
10.HR 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:503