Uitspraak
1.[eisende partij 1] ,
[eisende partij 2],
Rechtbank Limburg
Eiser verhuurde een woning aan gedaagde met een huurovereenkomst van 15 november 2024 tot 1 oktober 2025. Gedaagde liet een huurachterstand ontstaan over januari tot en met juli 2025 van €1.329,00, welke deels werd voldaan voor augustus en september 2025.
Eiser vorderde betaling van de huurachterstand, wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. Gedaagde erkende de huurachterstand maar voerde als verweer een huurprijsvermindering wegens gebreken in het gehuurde aan, zonder een reconventionele vordering in te stellen.
De rechtbank oordeelde dat een beroep op huurprijsvermindering als verweer niet toereikend is zonder reconventie en wees de vorderingen van eiser toe. Tevens werd vastgesteld dat gedaagde onvoldoende onderbouwing gaf voor de vermeende huurprijsvermindering. De buitengerechtelijke incassokosten werden toegewezen conform het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, incassokosten, wettelijke rente en proceskosten; het beroep op huurprijsvermindering als verweer wordt afgewezen.