Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.[persoon 1] ,
2.
[persoon 2],
1.De procedure
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met producties 1 tot en met 3,
- de brief van 2 juli 2025 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
2.De feiten
draagt over aan partij 2(lees: erflater),
draagt over aan partij 1,
3.Het geschil
4.De beoordeling
[zou]kunnen hebben” [6] dat nooit (meer) een andere bestemming aan de percelen grond zal worden toegekend en de prijs van
in casu. Dit kan niet worden aangemerkt als een kunstgreep of onjuiste mededeling. Ook is niet komen vast te staan dat [partij 2] erflater heeft bewogen tot het aangaan van de gewraakte overeenkomst, nu [partij 2] die stelling gemotiveerd heeft betwist door te zeggen dat juist erflater het aangaan van de overeenkomst initieerde. De stelling van [partij 1] dat sprake is van bedrog wordt daarom verworpen. Nu bedrog niet is komen vast te staan, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van het beroep van [partij 2] op verjaring op grond van artikel 3:52 lid 1 onder Pro c BW.
ongerechtvaardigdis, nu de overeenkomst haar grondslag vindt in een rechtshandeling, te weten in de gesloten ruilovereenkomst. De vordering van [partij 1] ligt om die reden voor afwijzing gereed.