1.1.Aangezien in deze zaak de last onder dwangsom is opgelegd op 15 april 2022, en dus vóór 1 januari 2024, is hierop de Wabo van toepassing.
2. Eiser is eigenaar van het perceel aan de [perceel] in [plaats] , kadastraal bekend als [kadastrale gegevens] (hierna: het perceel). Op het perceel zijn een schuilgelegenheid voor paarden, een soort kunststof paardenstal in de vorm van een tent (hierna: de paardenstal) en een container voor de opslag van paardenvoer (hierna: de container) geplaatst.
Ter plaatse van het perceel geldt het bestemmingsplan ‘Itteren-Borgharen’(hierna: het bestemmingsplan) met - voor zover hier relevant - de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden’ en de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed’. Op grond van artikel 4.2.1 en artikel 18.2 van het bestemmingsplan mogen op of in het perceel geen gebouwen worden gebouwd.
3. Op 9 februari 2021 heeft verweerder, naar aanleiding van een klachtmelding en een verzoek tot handhaving, geconstateerd dat op het perceel de paardenstal en container zijn geplaatst. Naar het oordeel van verweerder was dit in strijd met het ter plaatste geldende bestemmingsplan. Verweerder heeft eiser vervolgens op 15 maart 2021 een waarschuwingsbrief gestuurd.
4. Op 20 september 2021 heeft verweerder tijdens een tweede controle geconstateerd dat de paardenstal en container nog steeds op het perceel aanwezig waren. Tijdens de controle zijn geen dieren aangetroffen. Naar aanleiding van de controle heeft verweerder op 3 december 2021 een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom uitgebracht en eiser verzocht de overtreding te beëindigen binnen vier weken na verzenddatum van het voornemen. Eiser heeft tegen het voornemen geen zienswijze ingediend.
5. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiser een last onder dwangsom opgelegd. Volgens verweerder volgt ook uit een nieuwe controle van 14 april 2022 dat (nog steeds) sprake is van overtredingen omdat het gebruik van het perceel als paardenweide niet is beëindigd en de paardenstal en de container niet zijn verwijderd. Verweerder heeft eiser gelast om binnen een termijn van vier weken het gebruik als paardenweide te staken en gestaakt te houden en de in strijd met het bestemmingsplan gebouwde/geplaatste voorzieningen (de kunststof paardenstal en de opslagcontainer), te verwijderen en verwijderd te houden. Dit of straffe van het verbeuren van een dwangsom ter hoogte van
€ 1.500,- voor het afwijkend gebruik als paardenweide, € 1.000,- voor de paardenstal en
€ 1.500,- voor de container per maand dat niet of niet volledig wordt voldaan aan de last onder dwangsom met een maximum van € 8.000,-.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit maar enkel voor zover dit ziet op het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van het perceel als paardenweide.
6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de last onder dwangsom gedeeltelijk gegrond verklaard.
Verweerder heeft besloten om de last onder dwangsom ten aanzien van het gebruik van het perceel als paardenweide in te trekken.
Verweerder heeft voor de last onder dwangsom voor zover het gaat om de paardenstal en container wel in stand gelaten omdat volgens verweerder sprake is van een overtreding, geen sprake is van concreet zicht op legalisatie en ook anderszins moet worden aangenomen dat er geen dringende redenen aanwezig zijn om van handhavend optreden af te zien. Eiser moet daarom uiterlijk 1 oktober 2023 de paardenstal verwijderen en verwijderd houden op straffe van het verbeuren van een dwangsom ter hoogte van € 1.000,- met een maximum van € 2.000,-. De container is al verwijderd door eiser en deze moet op grond van de last onder dwangsom ook verwijderd blijven.
7. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft hiertegen beroep ingesteld. Op hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd, zal de rechtbank hierna ingaan.
De gronden van beroep en de beoordeling door de rechtbank
8. Uit artikel 8:69, eerste lid, van de Awb volgt dat de bestuursrechter uitspraak doet op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting. Voordat de rechtbank zal ingaan op de beroepsgronden van eiser, zal zij eerst ingaan op de vraag wat in deze zaak onderdeel uitmaakt van de omvang van het geding en wat dus ter toetsing aan haar voorligt.