ECLI:NL:RBLIM:2025:12016

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
ROE 23/2138
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen uitschrijving uit de Basisregistratie Personen en aanvraag briefadres

In deze uitspraak van de Rechtbank Limburg, gedateerd 5 december 2025, wordt een beroep behandeld van eiser tegen het niet toekennen van een briefadres en zijn uitschrijving uit de Basisregistratie Personen (BRP). Eiser, vertegenwoordigd door mr. T.D.D. Loeffen, heeft een aanvraag ingediend voor een briefadres, maar het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Echt-Susteren heeft deze aanvraag buiten behandeling gesteld. De rechtbank oordeelt dat het college eiser terecht heeft uitgeschreven uit de BRP, maar de aanvraag voor een briefadres ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld. De rechtbank concludeert dat het college onvoldoende gegevens had om de aanvraag voor een briefadres af te wijzen, aangezien eiser wel degelijk informatie had verstrekt, maar niet in persoon is verschenen voor een intakegesprek. De rechtbank herroept het besluit van het college om de aanvraag buiten behandeling te stellen en wijst de aanvraag voor een briefadres alsnog af. De rechtbank oordeelt verder dat de uitschrijving van eiser uit de BRP terecht is, omdat eiser niet bereikbaar was en geen aangifte van wijziging van adres heeft gedaan. De rechtbank verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond, vernietigt het bestreden besluit voor zover het de buiten behandeling stelling betreft, en herroept het primaire besluit van 26 april 2023. Eiser heeft recht op vergoeding van griffiekosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 23/2138

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. T.D.D. Loeffen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Echt-Susteren, het college
(gemachtigde: mr. R. Engelen, mr. J. Marell en M. Leurs).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de buiten behandeling stelling van eisers aanvraag om een briefadres en over de uitschrijving van eiser uit de Basisregistratie Personen (Basisregistratie). Eiser is het niet eens met deze beslissingen en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand daarvan beoordeelt de rechtbank of het college eisers aanvraag voor een briefadres buiten behandeling heeft mogen laten en of de uitschrijving van eiser in stand kan blijven.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college eiser terecht (ambtshalve) heeft uitgeschreven uit de Basisregistratie. Het college heeft echter de aanvraag om een briefadres ten onrechte buiten behandeling gesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe ze tot deze oordelen komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Nadat zich in december 2022 nieuwe bewoners hebben gemeld bij de gemeente is het college een adresonderzoek gestart naar de woon-/verblijfplaats van eiser. Eiser heeft vervolgens een aanvraag ingediend voor een briefadres op het adres van de gemeente. Deze aanvraag is door het college ontvangen op 14 februari 2023. In zijn aanvraag heeft eiser aangegeven dat hij bij vrienden en/of familie slaapt en geen vaste woon- of verblijfplaats meer heeft. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 26 april 2023 buiten behandeling gesteld omdat eiser niet voldoende informatie heeft verstrekt aan het college om te kunnen beoordelen of hij in aanmerking komt voor een briefadres.
2.1.
Vervolgens heeft het college - na eerst een voornemen daartoe te hebben uitgebracht - bij afzonderlijk besluit van 2 juni 2023 eiser uitgeschreven uit de Basisregistratie op grond van artikel 2.22 van de Wet basisregistratie personen (Wet BRP). Omdat eiser zijn verblijfplaats niet bekend heeft gemaakt kan volgens het college niet worden vastgesteld of hij wel of geen vaste woon- en verblijfplaats heeft.
2.2.
Met het bestreden besluit van 4 augustus 2023 op het bezwaar van eiser gericht tegen beide besluiten is het college bij de buiten behandeling stelling van de aanvraag gebleven en ook de beslissing om eiser uit te schrijven uit de Basisregistratie is bij voormeld besluit in stand gelaten.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. T.L.W. Hermens, als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Had het college eisers aanvraag voor een briefadres buiten behandeling mogen stellen?
3. Eiser heeft zich in beroep - kort weergegeven - op het standpunt gesteld dat hij alle benodigde gegevens heeft aangeleverd. Een wettelijke grondslag voor een buiten behandeling stelling ontbreekt.
3.1.
De rechtbank overweegt dat het ontbreken van gegevens alleen kan leiden tot het niet in behandeling nemen van een aanvraag op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), indien het niet mogelijk is zonder die gegevens op de aanvraag te beslissen. Tussen partijen is niet in geschil dat artikel 2.40 en 2.41 van de Wet BRP in dit geval niet van toepassing zijn. Dit betekent dat uit de Wet BRP volgt dat alleen bij het ontbreken van een woonadres, eiser als houder van een briefadres kan worden opgenomen in de Basisregistratie. Daarvoor moet het college kunnen vaststellen dat eiser geen woonadres heeft. Uit de processtukken blijkt dat eiser in een begeleidende brief bij zijn aanvraag voor een briefadres, onder meer, heeft aangegeven dat hij in het verleden een succesvol bedrijf heeft gehad dat failliet is gegaan en dat klanten bedreigingen jegens hem hebben geuit. Verder geeft hij aan dat de gemeente verplicht is om hem te helpen en dat hij daarom deze aanvraag voor een briefadres indient. Het college heeft eiser vervolgens meerdere keren uitgenodigd voor een intakegesprek om zijn persoonlijke situatie en zijn aanvraag te bespreken. Hoewel eiser op grond van artikel 2:45 van de Wet BRP, desgevraagd, verplicht is in persoon te verschijnen om de benodigde inlichtingen te verstrekken is hij niet verschenen. Eiser heeft weliswaar schriftelijk gereageerd op vragen maar daarbij geen inlichtingen verstrekt omtrent zijn woon- en verblijfplaatsen. Daarom is bij het college een gerechtvaardigde twijfel ontstaan over de werkelijke verblijfplaats van eiser dan wel het ontbreken daarvan.
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat gelet hierop het college voldoende gegevens had om inhoudelijk op de aanvraag voor een briefadres te beslissen. Het college kon immers beslissen dat eiser niet in aanmerking komt voor een briefadres, omdat eiser geen adres bekend heeft gemaakt waar hij zou verblijven en hij ook niet in persoon is verschenen om hier verdere inlichtingen over te verschaffen. Het college heeft dus niet vast kunnen stellen dat eiser geen woonadres heeft en dat is wel noodzakelijk voor het verkrijgen van een briefadres. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat er sprake was van een incomplete aanvraag en ten onrechte de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb buiten behandeling gesteld. Dit betekent dat het beroep van eiser in zoverre gegrond is en de rechtbank het bestreden besluit op dit punt zal vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit van 26 april 2023 te herroepen en de aanvraag alsnog af te wijzen. Eiser heeft op grond van de Wet BRP immers alleen recht op een briefadres indien vast komt te staan dat hij geen woonadres heeft.
Heeft het college eiser terecht uitgeschreven uit de Basisregistratie?
3.3.
Eiser is het ook niet eens met de beslissing van het college om hem uit te schrijven uit de Basisregistratie. Hij is altijd telefonisch of via e-mail bereikbaar geweest voor het college. Bovendien is de beslissing om hem uit te schrijven in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Uit de door eiser verstrekte inlichtingen blijkt dat hij zich onveilig voelt omdat hij bedreigd wordt en zo begrijpt de rechtbank daarom niet kan verschijnen in persoon. Het college heeft hier geen rekening mee gehouden en de belangen van eiser onvoldoende meegewogen. Door de handelswijze van het college is eiser tussen wal en schip geraakt en heeft materiële en psychische schade. Zo heeft hij geld moeten lenen van derden, de zorgverzekeringsovereenkomst is beëindigd en er dreigen boetes van het CAK.
3.4.
Uit vaste rechtspraak [1] volgt dat het doel van de Wet BRP is dat de in de Basisregistratie vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Daarom worden in de Basisregistratie gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene geregistreerd. In artikel 2.22 van de Wet BRP is bepaald wanneer het college iemand (ambtshalve) moet uitschrijven als ingezetene uit de Basisregistratie. Er zijn drie voorwaarden: i) de ingezetene kan niet worden bereikt, ii) van hem is geen aangifte van wijziging van adres of van vertrek ontvangen en iii) na gedegen onderzoek kunnen geen gegevens over hem worden achterhaald over het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland en het volgende verblijf buiten Nederland. Uit rechtspraak volgt verder dat niet lichtvaardig tot ambtshalve toepassing van artikel 2.22 van de Wet BRP mag worden overgegaan. De gevolgen daarvan zijn immers aanzienlijk. Voor toepassing van dat artikel is noodzakelijk dat de werkelijke situatie van iemands woonadres niet bekend is. [2]
3.5.
Het geschil tussen partijen gaat niet over voorwaarde ii) nu vaststaat dat eiser niet binnen de daarvoor geldende termijn aangifte heeft gedaan. Over voorwaarde i) voor toepassing van artikel 2.22 van de Wet BRP, oordeelt de rechtbank dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet bereikbaar was. Als een persoon niet daadwerkelijk woont op zijn of haar in de Basisregistratie geregistreerde woonadres, is hij of zij onbereikbaar. [3] Als de persoon alleen bereikbaar is per post, e-mail of telefoon, is dat onvoldoende. Het college moet voor de toepassing van artikel 2.22, eerste lid, van de Wet BRP weten waar iemand verblijft. Als iemand desgevraagd geen verblijfplaats kenbaar wil maken, is hij in zoverre onbereikbaar. [4] Ook is de rechtbank van oordeel het college voldoende onderzoek heeft gedaan naar de verblijfplaats van eiser en dat daarmee voldaan is aan voorwaarde iii). Niet in geschil is dat eiser al geruime tijd feitelijk niet meer verblijft op het in de Basisadministratie vermelde inschrijvingsadres. Het college is na een melding van de nieuwe bewoners in december 2022 een adresonderzoek gestart. Eiser heeft vervolgens aangegeven dat hij niet over een vaste woon- en/of verblijfplaats beschikt. Het college heeft eiser meerdere keren uitgenodigd voor een gesprek om zijn persoonlijke situatie toe te lichten maar eiser is niet in persoon verschenen. Weliswaar heeft eiser gesteld dat het voor hem niet mogelijk was om in persoon te verschijnen vanwege een naar eigen zeggen onveilige situatie en bedreigingen maar hij heeft deze bedreigingen niet voldoende concreet toegelicht en/of onderbouwd. Bovendien is het college eiser tegemoet gekomen door het intakegesprek op een andere locatie te plannen, waar hij vervolgens ook niet is verschenen. Verder overweegt de rechtbank dat eiser wel steeds heeft gezegd dat hij verschillende verblijfplaatsen had maar uit de processtukken blijkt niet dat hij dit heeft geconcretiseerd, bijvoorbeeld door specifieke adressen te noemen. Uit de processtukken kan ook niet worden afgeleid waar eiser verblijft en of hij in Nederland of buiten Nederland verblijft. De werkelijke situatie van eisers woonadres is dus niet bekend. Aan alle vereiste voorwaarden voor uitschrijving is dan ook voldaan.
3.6.
De beroepsgrond van eiser dat het college geen rekening heeft gehouden met zijn belangen slaagt niet. Artikel 2.22 van de Wet BRP schrijft dwingend voor dat de registrerende gemeente zorgdraagt voor uitschrijving indien een ingezetene niet kan worden bereikt, van hem geen aangifte van wijziging van zijn adres of van vertrek is ontvangen en na gedegen onderzoek geen gegevens over hem kunnen worden achterhaald. Voor het maken van een belangenafweging is dus in beginsel geen plaats. Dit brengt met zich mee dat voor een geslaagd beroep op het evenredigheidsbeginsel uit artikel 3:4 van de Awb een hoge lat geldt. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat het college gelet op de aangevoerde omstandigheden het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden.

Conclusie en gevolgen

4. Het college had voldoende informatie om de aanvraag van eiser voor een briefadres af te wijzen. Nu dit ten onrechte niet is gebeurd zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit gedeeltelijk, voor zover dit ziet op de beslissing om de aanvraag buiten behandeling te stellen, vernietigen en het primaire besluit van 26 april 2023 herroepen. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door eisers aanvraag voor een briefadres af te wijzen en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dit is vernietigd. Het beroep van eiser gericht tegen de uitschrijving uit de Basisregistratie slaagt niet. In zoverre blijft het bestreden besluit dus in stand.
4.1.
Omdat de rechtbank het beroep (deels) gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het college aan eiser het door hem betaalde griffiegeld voldoet.
4.2.
De rechtbank veroordeelt het college ook in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor de indiening van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover dit ziet op de buitenbehandeling stelling van eisers aanvraag voor een briefadres;
- herroept het primaire besluit van 26 april 2023, wijst de aanvraag voor een briefadres af en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt voor het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, rechter, in aanwezigheid van M.M.P. van Diepen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2025 .
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 5 december 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:354 en 25 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2827.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3851, 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1658 en 25 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2827
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 september 2020; ECLI:NL:RVS:2020:2270
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 augustus 2023; ECLI:NL:RVS:2023:2978