ECLI:NL:RBLIM:2025:11246

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
ROE 25/1725 en ROE 25/2037
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen omgevingsvergunning voor bedrijfswoning en gebouwen met verzoek om voorlopige voorziening

Op 13 november 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Limburg uitspraak gedaan in een zaak betreffende een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bedrijfswoning met kantoor en bedrijfsgebouwen in Susteren. Eisers, waaronder een bedrijf uit Bree, België, hebben beroep ingesteld tegen de afwijzing van hun bezwaar door het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren. De voorzieningenrechter overweegt dat de aanvraag terecht is getoetst aan het in werking getreden omgevingsplan. De voorzieningenrechter concludeert dat de noodzaak van de bedrijfswoning in dit geval in redelijkheid aanwezig is, en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. De uitspraak is gedaan in het kader van de Tegelen-jurisprudentie, waarbij de bestuursrechter niet terugkomt op het toetsingskader dat geldt op het moment van de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter stelt vast dat de eisers geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit, en dat de gemeente terecht het bezwaar van de [naam bedrijf] niet-ontvankelijk heeft verklaard. De voorzieningenrechter wijst op de noodzaak voor de aanvrager om aan te tonen dat de bedrijfsprocessen ter plaatse een redelijk belang voor bewoning vereisen, en concludeert dat dit in deze zaak is aangetoond.

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 25/1725 en 25/2037
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 november 2025 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam]te Bree (België) en
[naam bedrijf]te Susteren, gezamenlijk te noemen: eisers,
(gemachtigde: mr. R.P.H. Sangers),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Echt-Susteren, verweerder,
(gemachtigde: mr. R. Gillissen).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:
[naam bedrijf], te Echt-Susteren, vergunninghoudster
(gemachtigde: mr. A.M. Plooij).

Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2024, verzonden op 7 juni 2024, (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bedrijfswoning met kantoor en bedrijfsgebouwen aan de [adres] (voorheen 6) te Susteren.
Bij besluit van 10 juni 2025, verzonden op 18 juni 2025, (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van de [naam bedrijf] tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar van [naam] ( [naam] ) ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Vergunninghoudster heeft een kopie toegezonden van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 september 2025 waarbij het verzoek van [naam] tot het treffen van een voorlopige voorziening is afgewezen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2025. [naam] is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eisers. De [naam bedrijf] is verschenen vertegenwoordigd door J.H.W.M. Otten en door de gemachtigde van eisers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghoudster is verschenen vertegenwoordigd door [naam] en door haar gemachtigde.
Overwegingen
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden en is onder andere de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) ingetrokken. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het oude recht van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt. Het verzoek om een besluit te nemen is op 27 december 2023 ingediend. Dit betekent dat in dit geval de Wabo, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo, van toepassing blijft.
2. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.
Heeft verweerder het bezwaar van de [naam bedrijf] terecht niet-ontvankelijk verklaard?
3. Aangevoerd wordt dat verweerder het bezwaar van de [naam bedrijf] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard zodat het bestreden besluit gericht tegen de maatschap moet worden vernietigd. Het perceel sectie G, nummer 2441, dat de maatschap pacht, is gelegen op een afstand van circa 130 meter van het perceel [adres] te Susteren en van daaruit bestaat zicht daarop. Op dat perceel worden gevolgen van enige betekenis ondervonden door eutrofiëring en verzuring. Naast akkerbouw en een vollegrondsgroentebedrijf exploiteert de maatschap ook een opfokbedrijf op het perceel dat gevolgen kan ondervinden van de bedrijfsactiviteiten van vergunninghoudster. Op zitting is verder gewezen op de door de maatschap in acht te nemen spuitzone waardoor de maatschap in haar bedrijfsvoering wordt beperkt. Voor zover sprake is van twijfel over de vraag of sprake is van hinder/gevolgen van enige betekenis dient de maatschap het voordeel van de twijfel te krijgen [1] .
4. Op grond artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
5. Het uitgangspunt bij de beoordeling van het belanghebbende begrip is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals in dit geval een omgevingsvergunning - toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn [2] .
6. Of degene die bezwaar maakt tegen een besluit, gevolgen ondervindt van dat besluit is dus afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij worden wel vuistregels gehanteerd. Als de bezwaarmaker zicht heeft op de locatie waarop het besluit ziet, leidt dit tot het aannemen van belanghebbendheid, tenzij dit zicht van zeer geringe betekenis is. Ontbreekt zicht op de locatie waarop het besluit ziet, dan leiden afstanden groter dan zo’n 100 meter over het algemeen niet tot het aannemen van belanghebbendheid. Ook bij kortere afstanden en geen zicht kan belanghebbendheid ontbreken. Dan is de ruimtelijke uitstraling van de vergunde activiteit van belang. Bij eigenaren of bewoners van aangrenzende percelen wordt belanghebbendheid aangenomen tenzij feitelijke gevolgen in zijn geheel zijn uitgesloten [3] .
7. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het bestreden besluit de bouw van een bedrijfswoning met kantoor en bedrijfsgebouwen op het adres [adres] mogelijk maakt. Het gaat dus om de gevolgen daarvan en met Als niet om de gevolgen van de exploitatie van het bedrijf van vergunninghoudster. Indien getoetst wordt aan het afstands- en zichtcriterium dan blijkt dat het perceel van het woonhuis van J. Otten en het door hem gepachte landbouwperceel sectie G, nummer 2441 niet grenzen aan het perceel waarvoor de omgevingsvergunning is verleend. Het woonhuis van Otten ligt op een afstand van ongeveer 400 meter van de op te richten bebouwing. Het zicht vanaf het gepachte landbouwperceel op de op te richten bebouwing wordt onderbroken door bestaande bebouwing en bomen langs de [adres] . Aan afstand en zicht wordt daarom door de maatschap geen belanghebbendheid ontleend naar het oordeel van de voorzieningenrechter. Verder bestaat geen grond voor het oordeel dat Otten en de maatschap belanghebbende zijn omdat de op te richten bedrijfswoning de bedrijfsvoering van de maatschap beperkt. De te bouwen bedrijfswoning ligt op 130 meter afstand van het door Otten mede ten behoeve van de maatschap gepachte perceel waarop met gewasbeschermingsmiddelen wordt gewerkt. Hierbij dient een spuitzone van 50 meter in acht te worden genomen. Aan die richtafstand wordt naar het oordeel van de voorzieningenrechter ruimschoots voldaan. Ook hieraan kan geen belanghebbendheid worden ontleend. Ook bestaat geen grond voor het oordeel dat de maatschap door de op te richten bedrijfswoning anderszins in haar bedrijfsvoering kan worden beperkt. De gestelde eutrofiëring en verzuring kunnen worden gerelateerd aan de bedrijfsactiviteiten van vergunninghoudster en zijn geen gevolg van het bestreden besluit dat niet ziet op die activiteiten maar enkel de oprichting van een bedrijfswoning mogelijk maakt. Verweerder heeft daarom het bezwaar van (Otten en) de [naam bedrijf] terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het daartegen door de [naam bedrijf] ingestelde beroep is dan ook ongegrond omdat zij geen belanghebbende bij het bestreden besluit is en verweerder dit in het bestreden besluit terecht heeft aangenomen. J. Smeets is naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel belanghebbend en daarom komt de voorzieningenrechter toe aan de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
Heeft verweerder bij het bestreden besluit terecht getoetst aan het “Initieel Omgevingsplan Echt-Susteren” (hierna: het IOP)? Bestaat er grond om een uitzondering te maken op de Tegelen-jurisprudentie?
8. Namens J. Smeets is aangevoerd dat op de zogenoemde Tegelen-jurisprudentie uitzonderingen mogelijk zijn en dat door de voorzieningenrechter in deze zaak inderdaad een uitzondering op die jurisprudentie zou moeten worden gemaakt vanwege de door verweerder erkende gebreken aan de vaststelling van het IOP. Het opnemen van een bouwvlak aan de Beuningerstraat 8 in het IOP, zoals in afwijking van het bestemmingsplan vergund in de omgevingsvergunning, berust volgens J. Smeets namelijk niet op een deugdelijke motivering en dat besluit is daarom onzorgvuldig tot stand gekomen. Hij wijst op het verweerschrift van 22 april 2025 waarin verweerder erkent dat de onderhavige omgevingsvergunning niet in het IOP verwerkt had mogen worden omdat die vergunning nog niet onherroepelijk was. Verder blijkt uit dat verweer dat bij de vaststelling van het IOP geen nieuwe overweging heeft plaatsgevonden ten aanzien van de vraag of de omgevingsvergunning niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening dan wel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Verder voert [naam] aan dat de gemeenteraad zich volgens hem bij het vaststellen van het IOP alleen heeft laten leiden door de deal die met R. [naam] is gesloten om zijn bedrijfsactiviteiten in Oud-Roosteren te beëindigen. Het belang voor de gemeenteraad om de deal met [naam] na te komen, is bepalend geweest bij de vaststelling van het IOP. Volgens [naam] heeft de gemeenteraad hem daardoor buiten spel gezet en in feite ‘koste wat kost’ een IOP vastgesteld met een bouwvlak voor [adres] .
9. De voorzieningenrechter stelt vast dat op de locatie [adres] ten tijde van de aanvraag en het nemen van het primaire besluit het bestemmingsplan “Buitengebied” van toepassing is. Op grond daarvan geldt ter plaatse de bestemming “Agrarisch met waarden – Landschapswaarden”. Verweerder heeft het bouwplan in strijd bevonden met artikel 4.2.1, onder b, van de planregels omdat voor een deel buiten het bouwvlak wordt gebouwd. Dat bestemmingsplan biedt in artikel 4.4.1 de mogelijkheid voor een binnenplanse afwijking, waarvan verweerder bij het primaire besluit gebruik heeft gemaakt.
10. Op 11 december 2024 en dus een half jaar voor het nemen van het bestreden besluit heeft de gemeenteraad van Echt-Susteren het IOP vastgesteld dat daarna in werking is getreden. Dat plan is onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.1 van de Omgevingswet. De locatie [adres] ligt binnen het gebied van het IOP en daarbij is het bouwvlak aangepast waardoor in zoverre is voorzien in de mogelijkheid om onder meer een bedrijfswoning te bouwen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder het bouwplan bij het bestreden besluit terecht getoetst aan het inmiddels in werking getreden IOP [4] . Verweerder moet immers toetsen aan de op dat moment geldende regels. [naam] vindt echter dat er reden bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit omdat er is getoetst aan het IOP omdat hij verwacht dat het IOP zal worden vernietigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dat standpunt van [naam] is niet in lijn met de zogenoemde ‘Tegelen jurisprudentie’. Daaruit volgt dat door de vernietiging van een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan (in deze zaak het IOP) de rechtsgevolgen van de op basis van dat plan verleende omgevingsvergunningen voor bouwen niet ongedaan worden gemaakt. Zolang het IOP in werking is, geldt dit als het toetsingskader voor het te nemen besluit op bezwaar.
Als het besluit op bezwaar onder vigeur van het nieuwe plan is genomen, dient daarop in beroep en hoger beroep bij de bestuursrechter niet te worden teruggekomen.” [5] . Dit geldt voor het geval dat het nieuwe, na het besluit op bezwaar vernietigde, bestemmingsplan de desbetreffende activiteit toestond, zodat het bevoegd gezag deze activiteit op grond van dat bestemmingsplan niet kon tegengaan. In dat geval rechtvaardigt de rechtszekerheid van de aanvrager van de vergunning de in deze jurisprudentie gemaakte uitzondering.
11. [naam] vindt dat in zijn geval de ‘Tegelen jurisprudentie’ lijn niet opgaat, omdat sprake zou zijn van een uitzondering op die lijn. Zo beroept hij zich op de situatie dat het IOP de bouw van een bedrijfswoning niet toestond, maar daarvoor een omgevingsvergunning voor afwijking van het IOP nodig was. In dat geval strekt de rechtszekerheid van de aanvrager niet zover dat ook in dat geval een uitzondering als in ’Tegelen’ gemaakt moet worden [6] . De voorzieningenrechter begrijpt dat standpunt aldus dat [naam] vindt dat een bedrijfswoning niet is toegestaan op grond van het IOP en de omgevingsvergunning dus in feite afwijkt van het IOP door bouw van die bedrijfswoning toe te staan. Dat is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onjuist. De voorzieningenrechter stelt vast dat het IOP de activiteit toestaat mits aan artikel 3.1 in verbinding met artikel 1.40 van het IOP wordt voldaan. Het IOP voorziet voorts in een bouwvlak voor de bouw van een bedrijfswoning. De voorzieningenrechter verwijst naar de volgende artikelen:
In artikel 1.40 van het IOP is bepaald dat onder ‘bedrijfs-/dienstwoning wordt verstaan: één woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor het huishouden van een persoon, wiens huisvesting ter plaatse noodzakelijk is, gelet op het feitelijk gebruik van het gebouw en/of terrein in overeenstemming met de bestemming.
In artikel 3 lid 1 van het IOP is bepaald dat de voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. agrarisch grondgebruik;
b. de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf in de vorm van een akkerbouwbedrijf ter plaatse van de aanduiding ‘akkerbouw’.
In artikel 3.2.1, aanhef en onder b, van het IOP is bepaald dat op de gronden als bedoeld in artikel 3 lid 1 de onderstaande bouwwerken uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd: bedrijfswoning met de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken, met in achtneming van het bepaalde in artikel 3 lid 1.
De omstandigheid dat in de toets aan artikel 1.40 (het ‘noodzakelijkheidsvereiste’) beoordelingsruimte zit, maakt dat niet anders. Ook de door [naam] gestelde belangenverstrengeling van de gemeenteraad in relatie tot vergunninghoudster die tot het IOP zou hebben geleid, wat daar ook van zij, kan geen reden opleveren om af te wijken van ‘Tegelen’. Dat het IOP volgens [naam] gebrekkig tot stand is gekomen, is geen reden om een uitzondering te maken.
12. Een andere uitzonderingsmogelijkheid voor ‘Tegelen’ is dat als na de inwerkingtreding van het IOP een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen wordt ingediend of ingewilligd, aan een belanghebbende die tegen die omgevingsvergunning opkomt een behoorlijke en praktisch bruikbare mogelijkheid moet worden geboden om IOP alsnog door de voorzieningenrechter van de Afdeling buiten werking te doen stellen. Indien de bedoelde belanghebbende tegelijk met de indiening van het bezwaarschrift tegen de omgevingsvergunning bij het college een verzoek om schorsing van het nieuwe bestemmingsplan indient bij de voorzieningenrechter, ligt het in de rede dat het college niet op het bezwaar beslist alvorens de voorzieningenrechter zich over de gevraagde schorsing heeft uitgesproken. Schorst de voorzieningenrechter (alsnog) het besluit, dan geldt bij het besluit op bezwaar het oude plan als toetsingskader. Is het besluit op bezwaar reeds genomen, dan zal de bestuursrechter in dit geval - anders dan in het algemeen - toch aan het oude plan moeten toetsen [7] .
13. In het onderhavige geval is de aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen bij besluit op bezwaar van 10 juni 2025 ingewilligd, waarbij aan het inmiddels in werking getreden IOP is getoetst. [naam] heeft tegen het besluit van 10 juni 2025 beroep ingesteld bij deze rechtbank. Op 28 februari 2025 heeft hij beroep ingesteld tegen het besluit van de gemeenteraad van 11 december 2024 waarbij het IOP is vastgesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling op 8 augustus 2025 verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 18 september 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling dat verzoek afgewezen omdat een schorsing niet kan leiden tot een wijziging van het toetsingskader voor het beroep bij de rechtbank. Het toetsingskader voor de bestuursrechter in het beroep tegen de omgevingsvergunning is en blijft daarom het IOP.
14. De voorzieningenrechter wijst er ten slotte nog op dat [naam] geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om hangende bezwaar tegen het primaire besluit van 4 juni 2024 beroep in te stellen en een voorlopige voorziening te vragen aan de voorzieningenrechter van de Afdeling teneinde schorsing van het IOP te bewerkstelligen. In dat geval had verweerder de beslissing op bezwaar moeten aanhouden teneinde de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling op het schorsingsverzoek af te wachten.
15. Gelet op voorgaande overwegingen ziet de voorzieningenrechter in wat [naam] heeft aangevoerd over de gebreken in (de totstandkoming van) het IOP geen grond om een uitzondering te maken op de Tegelen-jurisprudentie door niet te toetsen aan het IOP maar aan het daaraan voorafgaande bestemmingsplan Buitengebied. De desbetreffende beroepsgronden slagen daarom niet.
Is in het onderhavige geval voldaan aan artikel 1.40 van het IOP (het ‘noodzakelijkheidsvereiste)?
16.Namens [naam] is, zou worden getoetst aan het IOP, verder aangevoerd dat voor de beantwoording van de vraag of een bedrijfswoning noodzakelijk is, van belang is of de bedrijfsprocessen ter plaatse zoveel tijd en aandacht opeisen dat op grond daarvan een redelijk belang om op het perceel te wonen aanwezig moet worden geacht. Het is aan de initiatiefnemer om dat aannemelijk te maken. Volgens hem heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat initiatiefnemer [naam] (een van de maten uit vergunninghoudster) de noodzaak voor een bedrijfswoning aan de [adres] aannemelijk heeft gemaakt. [naam] woont aan de Kanaalstraat 1 in Stevensweert en exploiteert daar een agrarisch bedrijf. Hij heeft daarnaast altijd op afstand (9 km) de veehouderijen aan de [adres] , alsmede zijn bedrijven in Oud-Roosteren geëxploiteerd. Na verkoop en sanering van de bedrijven in Oud-Roosteren blijven nog maar drie bedrijven over. Verder verandert er volgens [naam] feitelijk niets aan de bedrijfsactiviteiten op het adres [adres] , althans ligt dat nergens vast. Dat de exploitatie van de bedrijven aan de Kanaalstraat 1 en [adres] zal worden overgedragen aan de kinderen van [naam] staat niet vast en is planologisch-juridisch niet geborgd. Dat geldt ook voor de gestelde verplaatsing van jonge kalveren die voorheen in Oud-Roosteren waren gehuisvest. Het houden van (meer) jonge kalveren is aan de [adres] niet toegestaan en het bouwblok biedt daarvoor ook geen plaats, aldus
[naam] . Van een toename van werk en toezicht aan de [adres] die een bedrijfswoning noodzakelijk maken is volgens hem feitelijk geen sprake. Omdat activiteiten niet veranderen zullen er ook niet meer leveranciers of afnemers naar [adres] komen. De verkoop van Limburgse koemest die voorheen op de locatie [adres] plaatsvond en daarom nu naar [adres] wordt verplaatst, kan ook vanuit het adres Kanaalstraat 1 plaatsvinden of op een andere wijze worden georganiseerd. Ten aanzien van het standpunt dat de oppervlakte landbouwgrond aan de [adres] zal worden vergroot in verband met benodigde gewasdiversificatie, voert [naam] eveneens aan dat exploitatie ook op afstand mogelijk is. Volgens hem staan alle gestelde wijzigingen niet vast, zijn deze niet geborgd en kan de exploitatie op afstand worden georganiseerd zodat de noodzaak om aan de [adres] te wonen niet aannemelijk is gemaakt.
17. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is voor de vraag naar de noodzaak van een bedrijfswoning van belang of de bedrijfsprocessen ter plaatse zoveel tijd en aandacht opeisen, dat op grond daarvan een redelijk belang om op het perceel te wonen aanwezig moet worden geacht. Het is aan de aanvrager om dit aannemelijk te maken [8] . In de uitspraak van 15 juli 2009 heeft de Afdeling overwogen dat de term ‘noodzakelijk’ niet zodanig mag worden uitgelegd dat een bedrijfswoning enkel is toegelaten indien het betrokken agrarisch bedrijf zonder een dergelijke woning niet kan worden geëxploiteerd. De reden daarvoor is dat hiermee een te enge uitleg aan de term ‘noodzaak’ wordt gegeven [9] .
18. De voorzieningenrechter stelt voorop dat - anders dan [naam] in het bezwaar- en beroepschrift nog aannam - verweerder niet tevens op korte afstand van [adres] een bedrijfswoning op de locatie [adres] heeft vergund. Bij besluit op bezwaar van 4 september 2025 heeft verweerder immers de gevraagde omgevingsvergunning voor het bouwen van een bedrijfswoning aan de [adres] in Susteren geweigerd.
19. In de onderbouwing van 28 november 2023 en de aanvulling van 18 september 2024 zijn door verguninghoudster een aantal redenen opgesomd op grond waarvan een redelijk belang om op het perceel te wonen aanwezig moet worden geacht. Kort samengevat zijn dat de voorgenomen verplaatsing van bedrijfsactiviteiten, met name het houden van jonge kalveren, in verband met de beëindiging van alle activiteiten op de locatie Oud-Roosteren. De kalveren worden nu tijdelijk langer op een andere locatie (opfokbedrijf) gehouden. Op de locatie Oud-Roosteren vervallen ook de bestaande 2 bedrijfswoningen. Verder is de vader van [naam] volledig gestopt met de bedrijfsactiviteiten. R. [naam] deed de bedrijfsvoering op de locatie [adres] altijd samen met zijn vader. [naam] senior woonde dichtbij en kon in verband met bijvoorbeeld calamiteiten of controle- en/of laad- en losactiviteiten snel ter plaatse zijn. [naam] woont nu nog aan de Kanaalstraat 1 in Stevensweert op een afstand van 9 km van de [adres] Het bedrijf aan de Kanaalstraat wil [naam] aan één van zijn kinderen overdragen om daarna zelf in de te bouwen bedrijfswoning [adres] te gaan wonen en om daar alle bedrijfsactiviteiten alleen uit te gaan voeren. Van daaruit kan hij dan ook de verkoop van Limburgse koemest gaan doen die eerst vanuit de vervallen locatie [adres] werd gedaan. Tevens is erop gewezen dat op de locatie [adres] aan gewasdiversificatie moet worden gedaan en dat de oppervlakte landbouwgrond dan zal moeten worden vergroot om voldoende voer (snijmais) voor de vleesstieren te produceren. Dat leidt tot een toename van werkzaamheden. Bij de behandeling ter zitting is er nog op gewezen dat in dit bedrijf volgens de vigerende omgevingsvergunning beperkte milieutoets 910 vleesvarkens en 500 vleesstieren mogen worden gehouden. Gelet op die toegestane bedrijfsomvang is volgens de gemachtigde op zich al aannemelijk dat er een redelijk belang bestaat om op het perceel te wonen.
20. Gelet op het geheel van de hiervoor onder 19 samengevat weergegeven omstandigheden, zoals vermeld in de onderbouwingen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder de noodzaak van de bedrijfswoning in dit concreet geval in redelijkheid aanwezig heeft kunnen achten. Daarvoor is met name de vergunde bedrijfsomvang in combinatie met het wegvallen van de inbreng van [naam] senior die dichtbij de locatie woonde, van belang. Dat van alle (andere) in de onderbouwingen vermelde afzonderlijke activiteiten en (voorgenomen) wijzigingen organisatorisch of technisch een andere oplossing dan zelf bij het bedrijf te gaan wonen, mogelijk is, doet aan de juistheid van het standpunt van verweerder dat er een redelijk belang voor een bedrijfswoning aanwezig is, niet af. De voorzieningenrechter volgt [naam] niet in dat standpunt omdat dat een te enge uitleg van de term ‘noodzakelijk’ zou zijn en de beoordelingsruimte die verweerder heeft bij de uitleg van die term, zou miskennen. Dat de voorgenomen wijzigingen, zoals de verplaatsing van jonge vleeskalveren, niet eerst zijn doorgevoerd dan wel niet zijn geborgd, doet aan het vorenstaande niet af. De keuze van de ondernemer om eerst de mogelijkheid van toezicht ter plaatse te regelen alvorens alle door hem voorgenomen wijzigingen door te voeren, is niet onredelijk. Gelet op het vorenstaande slagen de beroepsgronden niet.

Conclusie

21. Het beroep is ongegrond. Daarom is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen
.Verder bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.J.A. Smitsmans, voorzieningenrechter,
in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier
.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 13 november 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: 13 november 2025.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Voetnoten

1.Onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3988.
2.Onder meer de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271.
3.Uitspraak van de Afdeling van 3 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1392, r.o. 6.3 en 6.5
4.Uitspraak van de Afdeling van 30 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3300.
5.Uitspraak van de Afdeling van 21 december 1999, ECLI:NL:RVS:1999:AA4296, herhaald in uitspraken van 22 december 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR8013, 12 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP0510 en 24 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP6324.
6.Uitspraak van de Afdeling van 21 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:92.
7.Onder meer recent de uitspraak van de Afdeling van 15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4911.
8.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:812.