Op 19 februari 2004 sloot een vennootschap onder firma (VOF) een kredietovereenkomst met ING Bank met een kredietlimiet van €15.000. De vennoot trad pas in 2008 toe tot de VOF. ING beëindigde in 2016 de kredietfaciliteit vanwege niet-nakoming en eiste betaling van de openstaande schuld.
ING vordert betaling van €12.500 van de vennoot, stellende dat hij hoofdelijk aansprakelijk is voor de schulden van de VOF. De vennoot betwist dit en voert aan dat hij niet aansprakelijk is voor schulden die bestonden vóór zijn toetreding en dat ING op de hoogte was van zijn beperkte vertegenwoordigingsbevoegdheid.
De kantonrechter verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2015, waarin is bepaald dat vennoten hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle schulden van de VOF, ook die van vóór toetreding. Dit beschermt schuldeisers en bevordert rechtszekerheid. De kantonrechter wijst het verweer van de vennoot af, stelt hem hoofdelijk aansprakelijk en veroordeelt hem tot betaling van €12.500, wettelijke rente en proceskosten.