Uitspraak
1.De procedure
- de dagvaarding van 7 september 2022;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
2.De feiten
3.De vordering en het verweer
4.De beoordeling
€ 135,00
Rechtbank Limburg
In deze zaak vordert Dexia Nederland B.V. een verklaring voor recht dat zij niets meer verschuldigd is aan de afnemer op grond van effectenleaseovereenkomsten uit de jaren negentig. De afnemer voert verweer en stelt dat zij nog een vordering heeft wegens verboden advisering door een tussenpersoon. De rechtbank beoordeelt dat, ongeacht de advisering, de afnemer geen schade heeft geleden omdat de voordelen en opbrengsten groter zijn dan de betaalde termijnen en restschuld.
Dexia heeft echter bij de eindafrekeningen resterende termijnen in rekening gebracht, en partijen hebben hierover geen debat gevoerd. De kantonrechter oordeelt dat hierdoor niet kan worden vastgesteld dat Dexia niets meer verschuldigd is. De vordering tot verklaring voor recht wordt daarom afgewezen.
De rechtbank baseert zich op de jurisprudentie van de Hoge Raad en het Gerechtshof Amsterdam omtrent effectenlease, waarbij het product wordt gekenmerkt als huurkoop en waarbij Dexia haar waarschuwingsplicht heeft geschonden. De afnemer heeft schade geleden bestaande uit betaalde termijnen, met causaal verband met de onrechtmatige daad van Dexia.
De rechtbank veroordeelt Dexia in de proceskosten en verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad. De zaak betreft een van de vele procedures over effectenlease die sinds het instorten van de aandelenmarkt zijn gevoerd.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van Dexia af en veroordeelt Dexia in de proceskosten.