ECLI:NL:RBLIM:2023:5295
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn bij bijstandsuitkering
Eiser heeft meerdere pogingen gedaan om een bijstandsuitkering te verkrijgen. Na een stopzetting van zijn aanvraag op 23 juni 2020, heeft het college uiteindelijk op 28 april 2022 een bijstandsuitkering toegekend met ingang van die datum, na een eerdere uitspraak van de rechtbank over een bezwaarprocedure. Eiser stelde dat het college ten onrechte geen advies had gevraagd bij de bezwarencommissie en dat hij recht had op een eerdere ingangsdatum van 19 september 2019. Ook verzocht hij om proceskostenvergoeding en een immateriële schadevergoeding wegens de lange procedure.
De rechtbank oordeelde dat het college terecht de uitkering per 23 juni 2020 toegekend heeft conform de eerdere uitspraak en dat er geen formeel gebrek was door het ontbreken van advies van de bezwarencommissie. De eerdere ingangsdatum werd niet erkend omdat eiser dit na eerdere uitspraken niet meer had betwist. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat het bezwaar gegrond was verklaard vanwege uitvoering van de uitspraak en niet wegens onrechtmatigheid van het besluit.
Het verzoek om immateriële schadevergoeding werd eveneens afgewezen omdat geen sprake was van een onrechtmatig besluit en eiser de psychische schade niet had onderbouwd. Ten slotte oordeelde de rechtbank dat de procedure binnen de redelijke termijn was afgerond en dat het wachten op de uitspraak in het tweede beroep geen voortzetting van de eerder ondervonden spanning en frustratie opleverde. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.