ECLI:NL:RBLIM:2022:7838
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking toestemming beveiligingswerkzaamheden wegens schietincident
Eiser maakte bezwaar tegen de intrekking van zijn toestemming om beveiligingswerkzaamheden te verrichten, nadat hij betrokken was bij een schietincident waarbij een politieagent in België werd doodgeschoten. De korpschef had de toestemming ingetrokken op grond van artikel 7, vijfde lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr).
De rechtbank oordeelde dat de korpschef bevoegd was tot intrekking en dat de kern van het geschil lag bij de vraag of de intrekking noodzakelijk en evenredig was. Eiser stelde dat het incident eenmalig en niet ernstig genoeg was voor intrekking, en dat hij hierdoor zijn vak niet meer kon uitoefenen.
De rechtbank stelde dat aan beveiligingsmedewerkers hogere eisen worden gesteld en dat de betrouwbaarheid boven twijfel moet staan. De korpschef had voldoende gemotiveerd dat het gedrag van eiser, waaronder het schieten op een verkeersbord aan de openbare weg, onverantwoorde risico’s opleverde en het vertrouwen in beveiligers schaadde. De intrekking was daarom passend en noodzakelijk.
Verder werd overwogen dat de intrekking niet onevenredig was, mede omdat eiser al enige tijd niet meer werkzaam was en geen andere werkzaamheden in de beveiliging kon verrichten. Ook staat het eiser vrij om in de toekomst opnieuw toestemming aan te vragen. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de toestemming voor beveiligingswerkzaamheden is ongegrond verklaard.