Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 september 2022 in de zaak tussen
[naam] , uit [plaats] , verzoekster
Inleiding
Beoordeling door de voorzieningenrechter
“Ik kwam aanrijden en zag een auto midden op de kruising stil staan, ik ben naar het voertuig gelopen en ik zag daar een mevrouw onderuitgezakt in haar stoel liggen. Ik heb op het raam geklopt en geschreeuwd, maar er kwam geen reactie vanuit de betrokken mevrouw, de bestuurster. Toen heb ik direct 112 gebeld en zijn jullie gekomen”.Het CBR zal evenwel wel – gelet op de verklaring van verzoekster ter zitting – nadere informatie bij de verbalisanten dienen op te vragen en in de beslissing op bezwaar vervolgens hierover een standpunt in te nemen. Op dit moment is het naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter onvoldoende om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het CBR mocht afgaan op de mededeling. Op grond van deze bevindingen is het naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat sprake is van het vermoeden van onvoldoende lichamelijke en/of geestelijke geschiktheid voor het besturen van een motorvoertuig. Gelet op het voorgaande heeft het CBR terecht op grond van artikel 23, derde lid, van de Regeling een onderzoek naar de geschiktheid opgelegd.
zij kwam verward over”en
“zij was onvast ter been en had een hoge bewegingsdrang”), de daarin opgenomen verklaring van verzoekster
(“Ik val wel vaker flauw door migraine”), de verklaring van de melder (“
Ik zag een mevrouw onderuitgezakt in haar stoel liggen. Ik heb op het raam geklopt en geschreeuwd, maar er kwam geen reactie”)en de informatie van de drugstest
(positieve uitslag voor gebruik amfetamine en methamphetamine)een duidelijke aanwijzing is te vinden dat zij aan een aandoening lijdt waardoor verzoekster geestelijk en/of lichamelijk niet goed functioneert en waardoor ook de veiligheid op de weg zodanig in gevaar wordt gebracht dat het CBR niet anders kon dan de geldigheid van het rijbewijs te schorsen. De voorzieningenrechter oordeelt hiermee dus uitdrukkelijk niet dat verzoekster daadwerkelijk een aandoening heeft. Dit moet door een medisch deskundige worden beoordeeld.