De rechtbank Limburg behandelde een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om een ongeboren kind onder toezicht te stellen van een gecertificeerde instelling voor de duur van zes maanden. De moeder is zwanger en het kind is erkend door de vader, die onder curatele staat vanwege zijn lichamelijke en geestelijke toestand. De ouders zijn jong, kwetsbaar en hebben een verstandelijke beperking, met bijkomende problematiek zoals verslaving en het verlaten van beschermde woonvormen.
De rechtbank oordeelde dat het belang van het ongeboren kind vordert dat het als geboren wordt aangemerkt, zodat het onder toezicht kan worden gesteld. De vader is ondanks erkenning niet gezagsbekwaam vanwege de curatele, maar wordt toch als belanghebbende aangemerkt vanwege mogelijke inmenging in zijn familie- en privéleven. De ouders accepteren momenteel hulp, maar de zorg wordt niet structureel geaccepteerd en de hulpverlening is onvoldoende gericht op het ongeboren kind.
De rechtbank concludeerde dat het kind ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd en dat intensieve begeleiding noodzakelijk is. Daarom wordt het verzoek toegewezen en het kind onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering voor zes maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.