Eiseres diende op 25 november 2020 een aanvraag in voor de tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging werkgelegenheid (NOW-2), nadat het aanvraagtijdvak op 31 augustus 2020 was gesloten. De minister wees de aanvraag af wegens te late indiening. Eiseres maakte bezwaar, dat werd verworpen, waarna zij beroep instelde bij de rechtbank Limburg.
De rechtbank overwoog dat de NOW-2-regeling geen ruimte biedt om af te wijken van de strikte aanvraagtermijn zoals bepaald in artikel 10, tweede lid. Hoewel de late indiening nadelig uitpakt voor eiseres, achtte de rechtbank de regeling niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel of andere beginselen van behoorlijk bestuur. De regeling is een noodmaatregel die snel en eenvoudig moet zijn, waardoor een hardheidsclausule ontbreekt.
Eiseres voerde aan dat de herstructurering van haar bedrijf de oorzaak was van de late aanvraag, en dat zij zich gestraft voelde voor haar eerlijkheid. De rechtbank oordeelde echter dat de gevolgen van de herstructurering binnen de risicosfeer van eiseres vallen en dat dit geen reden is om van de regeling af te wijken.
Verder werd het verzoek om de late aanvraag als een definitieve aanvraag te behandelen afgewezen, omdat de NOW-2 gefaseerd werkt met een verleningsbesluit voorafgaand aan een vaststellingsbesluit. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het besluit van 23 december 2020 bleef in stand.