Eisers hadden aanvragen ingediend voor een persoonsgebonden budget (pgb) voor huishoudelijke hulp op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Deze aanvragen werden door de colleges van burgemeester en wethouders van verschillende Midden-Limburgse gemeenten afgewezen omdat de pgb-beheerder niet onafhankelijk zou zijn van de zorgaanbieder Alphatrots en onvoldoende nabijheid zou hebben.
De rechtbank beoordeelde of de weigering van het pgb gerechtvaardigd was op basis van artikel 2.3.6, tweede lid, van de Wmo 2015 en de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning. De rechtbank oordeelde dat de beleidsregels omtrent onafhankelijkheid en nabijheid van de pgb-beheerder binnen de grenzen van redelijke wetsuitleg vallen en niet onredelijk zijn.
Verweerders hadden zich conform deze beleidsregels op het standpunt gesteld dat de pgb-beheerder niet onafhankelijk was omdat deze door Alphatrots werd betaald en dat de fysieke afstand te groot was. De rechtbank vond dit standpunt redelijk en zag geen bijzondere omstandigheden die een afwijking van de beleidsregels rechtvaardigden.
De rechtbank concludeerde dat het verlies van de vertrouwde hulp door eisers begrijpelijk is, maar niet een onevenredig nadeel vormt. De beroepen werden ongegrond verklaard en de afwijzingen van de pgb-aanvragen bevestigd.