Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
garantenstellungen het niet gebruiken van de richtingaanwijzer, maken tezamen dat volgens de officier van justitie sprake is van de voor artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 vereiste schuld. Omdat [slachtoffer] al enige tijd zichtbaar moet zijn geweest voor de verdachte, is volgens de officier van justitie geen sprake geweest van een kort moment van onoplettendheid. Bij de verdachte zit de mate van schuld tussen de aanmerkelijke schuld en de ernstige schuld in.
- verdachte op 24 april 2019 als bestuurder van een vrachtauto heeft gereden over de [adres 2] te Venlo;
- de rijbaan aan beide zijden een fietsstrook heeft die door middel van een doorgetrokken streep is afgescheiden;
- verdachte naar rechts is afgeslagen ter hoogte van de inrit van perceel 11;
- verdachte voorafgaand aan het afslaan niet zijn richtingaanwijzer heeft aangezet;
- het slachtoffer, dat op dat moment op de snorfiets op de fietsstrook reed, met de rechterzijde van de vrachtauto werd geraakt;
- het slachtoffer ten val kwam en onder het linker voorwiel van de vrachtauto belandde;
- het slachtoffer, [slachtoffer] , hierdoor ter plaatse is overleden.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf
7.De wettelijke voorschriften
8.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte voor het primair tenlastegelegde tot een taakstraf voor de duur van 200 uren;
- beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen;
voornoemde [slachtoffer] , althans de door haar bestuurder bromfiets;