De zaak betreft het beroep van een schuldenaar tegen de beschikking van de rechter-commissaris dat het opgebouwde kapitaal van een geëxpireerde levensverzekering volledig tot de boedel behoort. De levensverzekering, afgesloten in 1985 met een fiscale lijfrenteclausule, was bestemd als oudedagsvoorziening en geëxpireerd in 2017 zonder dat het kapitaal werd omgezet in een lijfrente.
De schuldenaar betoogde dat analoge toepassing van artikel 22a Faillissementswet (Fw) op het opgebouwde kapitaal buiten de boedel moest blijven, omdat hij de premies tijdens het faillissement steeds betaalde en de polis een verzorgingskarakter had. De rechter-commissaris en bewindvoerder waren het hier niet mee eens, stellende dat de polis was geëxpireerd en artikel 22a Fw niet meer van toepassing was.
De rechtbank oordeelde dat het onredelijk zou zijn het opgebouwde kapitaal volledig aan de boedel toe te rekenen, gelet op de doorbetaling van premies en het verzorgingskarakter van de polis. De rechtbank stelde een verdeelsleutel vast waarbij 27% van de netto-opbrengst aan de schuldenaar toekomt en 73% aan de boedel, waarbij de schuldenaar de wijze van uitkering mag bepalen.
De beschikking van 14 mei 2019 van de rechter-commissaris werd vernietigd en de bewindvoerder kreeg opdracht mee te werken aan de uitvoering van deze verdeelsleutel. Het griffierecht werd op nihil gesteld.