ECLI:NL:RBLIM:2018:5990

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
26 juni 2018
Publicatiedatum
26 juni 2018
Zaaknummer
ROE 18/1071
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake hoogte uittreedsom gemeente Peel en Maas

De gemeente Peel en Maas heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling Reinigingsdienst Maasland waarin de hoogte van de uittreedsom is vastgesteld op €1.482.500,-. De gemeente heeft tevens een voorlopige voorziening gevraagd om dit besluit te schorsen.

De voorzieningenrechter overweegt dat een voorlopige voorziening slechts kan worden getroffen bij onverwijlde spoed, wat bij een financieel geschil zelden het geval is. In dit geval is geen sprake van een acute financiële noodsituatie of onomkeerbare situatie. Bovendien heeft de gemeente de uittreedsom inmiddels onder protest betaald en stelt zij niet in financiële problemen te verkeren.

De stelling dat het besluit onrechtmatig is omdat het een verkapte beslissing op bezwaar zou zijn, wordt niet gevolgd omdat hierover ruimte voor discussie bestaat. Gezien het ontbreken van spoedeisend belang wordt het verzoek afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en ook geen gebruik gemaakt van de bevoegdheid tot kortsluiting.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB/ROE 18/1071
uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 juni 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Gemeente Peel en Maas, te Panningen, verzoeker

(gemachtigde: mr. J.J. Jacobse),
en
het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling Reinigingsdienst Maasland, verweerder
(gemachtigde: mr. A.J.G. Vegt).

Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de hoogte van de zogenaamde uittreedsom van verzoeker gewijzigd vastgesteld op een bedrag van
€ 1.482.500,-, bepaald dat dit bedrag binnen zes weken na de bekendmaking van het besluit door verzoeker moet zijn betaald en meegedeeld dat na ommekomst van deze termijn wettelijke rente verschuldigd zal zijn.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt alsmede hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank (AWB 18/1166). Verzoeker heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2018. Namens verzoeker zijn verschenen [naam 1], [naam 2], [naam 3] en [naam 4], bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 5].

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld: ECLI:NL:RVS:2017:1463) niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft. In dit verband is ook van belang dat verzoeker inmiddels (onder protest) onderhavige uittreedsom heeft voldaan. Verzoeker heeft niet gesteld hierdoor in financiële problemen te geraken. Bovendien ziet de voorzieningenrechter niet in welke voorziening op dit moment nog kan worden getroffen.
2. Over verzoekers stelling dat sprake is van een evident onrechtmatig besluit, omdat verweerder een (verkapte) beslissing op bezwaar zou hebben genomen, waartoe hij niet bevoegd was en dat op grond hiervan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening zou moeten treffen, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
3. Partijen hebben hun standpunten dat het bestreden besluit moet worden gekwalificeerd als een (verkapte) beslissing op bezwaar, respectievelijk een (gewijzigd) primair besluit onderbouwd met verwijzingen naar wetsgeschiedenis en naar relevante jurisprudentie. Zowel de wetsgeschiedenis, als de jurisprudentie laat ruimte voor discussie op dit punt, zodat reeds hierom geen sprake is van een
evidentonrechtmatig besluit.
4. De voorzieningenrechter is op grond van het vorenstaande van oordeel dat er onvoldoende spoedeisend belang is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
5. Gelet op voorgaande overwegingen ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om gebruik zal maken van zijn bevoegdheid tot “kortsluiten” als bedoeld in artikel 8:86 van Pro de Awb.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.W. Seylhouwer, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2018.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.