Uitspraak
RECHTBANK limburg
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2018 in de zaak tussen
[Naam] , te [woonplaats] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2018.
Rechtbank Limburg
Eiser ontving sinds oktober 2014 een uitkering op grond van de Participatiewet. Na een politieproces-verbaal waarin een hennepplantage op het adres van eiser werd aangetroffen, startte verweerder een onderzoek en trok de uitkering met ingang van 18 mei 2016 in. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit, dat werd afgewezen, waarna hij beroep instelde.
Eiser voerde aan dat hij wel degelijk woonachtig was op het opgegeven adres en dat hij door omstandigheden tijdelijk elders verbleef. Ook stelde hij dat hij zijn inlichtingenplicht had nageleefd en dat de sloten onterecht waren vervangen. De rechtbank oordeelde dat eiser sinds 18 mei 2016 niet meer op het adres verbleef, zoals blijkt uit zijn eigen verklaring aan de politie. Tevens had eiser de verzoeken om informatie genegeerd, waardoor hij zijn inlichtingenplicht schond.
De rechtbank stelde vast dat verweerder voldoende bewijs had geleverd en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij recht had op bijstand gedurende de bestreden periode. De wijziging van de grondslag in het bestreden besluit was geoorloofd. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de uitkering wordt ongegrond verklaard wegens schending van de inlichtingenplicht en onvoldoende bewijs van woonachtig zijn.