Eiser, sinds 1971 werkzaam bij verweerder, werd per 1 oktober 2015 onvoorwaardelijk ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim. Dit betrof de schijn van directe of indirecte betrokkenheid bij een hennepplantage in zijn loods en het niet melden van de politie-inval en de inbeslagname van twee auto's.
De rechtbank stelde vast dat de hennepplantage medio september 2014 was aangelegd en dat eiser regelmatig toegang had tot de loods. De verklaring van eiser dat hij geen weet had van de plantage werd als ongeloofwaardig beoordeeld. Tevens had eiser de politie-inval en de inbeslagname niet gemeld, ondanks zijn dienstverband.
Verweerder had het ontslag opgelegd met onmiddellijke ingang, wat de rechtbank niet onevenredig achtte. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard. De rechtbank verwierp ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat vergelijkbare gevallen niet waren aangetoond.