ECLI:NL:RBLEE:2005:AS9937
Rechtbank Leeuwarden
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie wegens overschrijding redelijke termijn bij afpersingszaak
Op 24 november 2002 werd aangifte gedaan van afpersing. Verdachte legde op 26 november 2002 een verklaring af, waarna de redelijke termijn voor berechting aanving. Het dossier werd op 23 januari 2003 gesloten zonder nader onderzoek. De zaak betrof één feit en was niet complex, zonder gerechtelijk vooronderzoek.
De verdediging vroeg geen uitstel en er waren geen bijzondere omstandigheden die de termijn verlengden. Ondanks dat verdachte meerdere keren terechtstond voor andere feiten binnen de redelijke termijn, werd deze zaak niet meegenomen. Het openbaar ministerie gaf geen verklaring hiervoor en vorderde zelf niet-ontvankelijkheid.
De rechtbank benadrukt het belang van de redelijke termijn van twee jaar voor eerste aanleg, mede vanwege de onzekerheid voor de verdachte. Gezien jurisprudentie van de Hoge Raad leidt overschrijding meestal tot strafvermindering, niet tot niet-ontvankelijkheid, tenzij in uitzonderlijke gevallen.
De rechtbank oordeelt dat hier sprake is van een uitzonderlijke situatie en verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging. Verdachte was niet aanwezig, maar werd vertegenwoordigd door een advocaat. De uitspraak werd gedaan op 18 januari 2005 door de meervoudige kamer van de rechtbank Leeuwarden.
Uitkomst: Het openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn.