ECLI:NL:RBHAA:2008:BG5805
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling verkrijgingsprijs aandelen D BV en navordering inkomstenbelasting 1997
Eiser was houder van een aanmerkelijk belang in D BV waarvan de aandelen per 1 januari 1997 werden gewaardeerd in verband met een wetswijziging. De verkrijgingsprijs per die datum was onderwerp van geschil, mede door de invloed van een participatieplan dat de verhandelbaarheid van de aandelen beperkte. Verweerder stelde de verkrijgingsprijs vast op ƒ 266,77 per aandeel, terwijl eiser een hogere waarde van ƒ 302 per aandeel voorstond, onderbouwd met een waarderingsrapport.
De rechtbank overwoog dat bij de waardering rekening moet worden gehouden met de waardedrukkende effecten van het participatieplan en dat een objectieve kans op verkoop buiten deze restricties in aanmerking moet worden genomen. De rechtbank achtte de onderbouwing van eiser onvoldoende, onder meer omdat het rapport niet duidelijk maakte of en hoe met het participatieplan rekening was gehouden. Verweerder had aannemelijk gemaakt dat de lagere verkrijgingsprijs terecht was vastgesteld.
Daarnaast was in geschil of sprake was van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigde. De rechtbank stelde vast dat verweerder pas na het opleggen van de eerste navorderingsaanslag op de hoogte was van de beperkte verhandelbaarheid van de aandelen en dat dit een nieuw feit vormde. De stelling van eiser dat verweerder al eerder bekend was met deze feiten werd verworpen.
Ten slotte stelde de rechtbank vast dat verweerder niet in strijd met de procesregels had gehandeld door stukken niet te overleggen en verklaarde het beroep ongegrond. De navorderingsaanslag werd daarmee bevestigd.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de verkrijgingsprijs van ƒ 266,77 per aandeel en verklaart het beroep tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1997 ongegrond.