ECLI:NL:RBHAA:2008:BC9726
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Geen kwalificatie van vergoeding werving beleggers als winst uit zeescheepvaart
Eiseres, moedermaatschappij van een fiscale eenheid met dochtermaatschappijen die participaties in scheepvaart-cv's werven, betwistte een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting over het eerste verkorte boekjaar 2006. De kern van het geschil betrof de vraag of de door eiseres en haar dochter F verrichte activiteiten, zoals het werven van beleggers en het verzorgen van promotionele en administratieve werkzaamheden, kwalificeren als winst uit zeescheepvaart onder artikel 3.22 Wet IB 2001 (het tonnageregime).
De rechtbank stelde vast dat de activiteiten van F voornamelijk bestonden uit het werven van investeerders voorafgaand aan de exploitatie van schepen door scheepvaart-cv's, en dat deze activiteiten geen directe exploitatie van schepen betreffen. De rechtbank verwees naar de wetsgeschiedenis en een arrest van de Hoge Raad waarin werd bepaald dat werkzaamheden voorafgaand aan de daadwerkelijke exploitatie, zoals de bouw van een schip, niet onder het tonnageregime vallen.
De rechtbank concludeerde dat de vergoeding voor de wervingsactiviteiten niet als winst uit zeescheepvaart kan worden aangemerkt. Ook het argument dat de betaling door de cv’s zelf onder het tonnageregime valt, leidde niet tot een andere beoordeling. Het beroep van eiseres werd daarom ongegrond verklaard. Er werden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de vergoeding voor het werven van beleggers niet kwalificeert als winst uit zeescheepvaart onder het tonnageregime.