ECLI:NL:RBGEL:2026:997

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
05/142854-24 en 05/352609-24
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 41 SrArt. 45 SrArt. 47 SrArt. 77a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot werkstraf wegens medeplegen poging zware mishandeling en mishandeling

Op 25 april 2024 vond in Duiven een steekincident plaats waarbij meerdere personen gewond raakten, waaronder slachtoffer 1. Verdachte en een medeverdachte waren gewapend met messen en zochten confrontatie op met slachtoffer 1. Tijdens de confrontatie werd slachtoffer 1 vastgehouden en door verdachte meerdere malen krachtig geschopt, onder meer tegen het hoofd terwijl slachtoffer 1 op de grond lag.

Verdachte werd tevens verdacht van mishandeling van slachtoffer 2 op 27 februari 2024, waarbij hij slachtoffer 2 met een vuist sloeg. De rechtbank oordeelde dat verdachte voorwaardelijk opzet had op zwaar lichamelijk letsel bij slachtoffer 1 en veroordeelde hem voor medeplegen poging zware mishandeling en mishandeling.

Het beroep op noodweer en noodweerexces werd door de rechtbank verworpen, mede omdat verdachte en medeverdachten de confrontatie actief opzochten en geweld gebruikten. De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder een autismespectrumstoornis en licht verstandelijke beperking, en legde een werkstraf van 120 uur op, waarvan 40 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar.

Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van materiële schade en smartengeld aan slachtoffer 1 en smartengeld aan slachtoffer 2, met wettelijke rente en een contactverbod met slachtoffer 1 als bijzondere voorwaarde. De rechtbank sprak verdachte vrij van niet-bewezen feiten en hief het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 120 uur werkstraf, waarvan 40 uur voorwaardelijk, en betaling van schadevergoedingen aan slachtoffers.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers: 05/142854-24 en 05/352609-24 (gev. ttz.)
Datum uitspraak : 10 februari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats] ,
wonend aan [adres] ,
raadsvrouw: mr. S.S. Zijderveld, advocaat in Wageningen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een terechtzitting achter gesloten deuren.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte (hierna: [verdachte] ) is ten laste gelegd dat:
in de zaak met parketnummer 05/142854-24
hij op of omstreeks 25 april 2024 te Duiven
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
die [slachtoffer 1] tegen het hoofd, althans op/tegen het lichaam, heeft geschopt en/of getrapt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair:
hij op of omstreeks 25 april 2024 te Duiven
openlijk, te weten op/aan de Saffier en/of de kruising van de Saffier met de Aquamarijn,
in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1] , door:
  • die [slachtoffer 1] vast te houden, terwijl die [slachtoffer 1] werd geslagen en/of getrapt en/of gestoken en/of gesneden en/of geprikt,
  • meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst/hartstreek en/of in de buik en/of in de flank en/of in de arm, althans in het lichaam van die [slachtoffer 1] te steken en/of snijden en/of prikken en/of
  • meermalen, althans eenmaal op/tegen het hoofd en/of op/tegen de benen en/of op/tegen/in de buik, althans op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te trappen en/of te slaan, terwijl die [slachtoffer 1] op de grond viel en/of lag;
in de zaak met parketnummer 05-352609-24
hij op of omstreeks 27 februari 2024 te Duiven
[slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] op/tegen het lichaam te stompen
en/of te slaan.

2.Het onderzoek op de terechtzitting

[verdachte] heeft twee dagvaardingen ontvangen. De rechtbank behandelt alle feiten op deze dagvaardingen gevoegd.

3.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

In de zaak met parketnummer 05/142854-24 [1]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 25 april 2024 heeft in Duiven een steekincident plaatsgevonden. Hierbij zijn drie personen gewond geraakt: [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ), [slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 4] ) en [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ). Ook [verdachte] was betrokken bij het incident. [2]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft een vrijspraak bepleit voor het primair ten laste gelegde medeplegen van een poging tot zware mishandeling. Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde openlijke geweldpleging heeft de raadsvrouw gesteld dat [verdachte] moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, vanwege een geslaagd beroep op noodweer (primair) of noodweerexces (subsidiair).
Beoordeling door de rechtbank
Op 25 april 2024 gingen [verdachte] en [slachtoffer 3] naar de woning van [slachtoffer 1] . Zij hadden allebei een mes bij zich. [verdachte] en [slachtoffer 3] belden aan en de moeder van [slachtoffer 1] deed de voordeur open. Er werd over en weer geschreeuwd. [slachtoffer 1] kwam van de trap naar beneden met een schaar in zijn hand. Hij liep naar buiten naar [verdachte] en [slachtoffer 3] . De moeder van [slachtoffer 1] ging tussen de jongens in staan. De buurman van [slachtoffer 1] kwam erbij. [verdachte] zei tegen [slachtoffer 3] : “steek hem, steek hem”. De buurman hield [verdachte] en [slachtoffer 3] tegen. De moeder van [slachtoffer 1] belde de politie en begon te filmen. [verdachte] en [slachtoffer 3] renden weg. [3]
Toen de jongens weg waren, ging [slachtoffer 1] terug naar binnen. Hij pakte twee messen in de keuken. [slachtoffer 1] rende via de voordeur door het steegje de straat in. Hij rende over de Aquamarijn en stond uiteindelijk stil ter hoogte van [adres] . Hij had in zijn beide handen een mes. Een stukje verderop stonden [verdachte] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] . [slachtoffer 3] rende op [slachtoffer 1] af met een mes in zijn hand, waarna over en weer door hen werd gestoken. [4]
[verdachte] rende achter [slachtoffer 3] aan en [slachtoffer 4] volgde. Bij de confrontatie daarna, is [slachtoffer 1] op de grond terecht gekomen. [slachtoffer 4] hield [slachtoffer 1] toen vast terwijl [verdachte] [slachtoffer 1] tegen zijn hoofd en buik schopte. [slachtoffer 3] stak ondertussen meerdere malen met een mes op [slachtoffer 1] in, terwijl [slachtoffer 1] ook werd geschopt en geslagen door alle drie. Door tussenkomst van getuige [getuige] kon [slachtoffer 1] wegkomen. [5]
Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat [verdachte] [slachtoffer 1] meerdere malen met kracht heeft geschopt, onder meer tegen het hoofd toen [slachtoffer 1] op de grond lag. Daarbij werd [slachtoffer 1] vastgehouden door [slachtoffer 4] . Ook is [slachtoffer 1] door [slachtoffer 4] geschopt en geslagen toen hij op de grond lag en door [slachtoffer 3] meermalen gestoken met een mes. De rechtbank moet nu beoordelen hoe het handelen van [verdachte] gekwalificeerd kan worden.
Voor een bewezenverklaring van het medeplegen van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling is vereist dat [verdachte] opzet of voorwaardelijk opzet heeft gehad op zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] . De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat [verdachte] (vol) opzet op zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] heeft gehad maar dat er wel voldoende bewijs is om het voorwaardelijke opzet aan te nemen. [verdachte] heeft [slachtoffer 1] met kracht meerdere malen geschopt toen [slachtoffer 1] op de grond lag, waaronder tegen het hoofd. Het is algemeen bekend dat trappen tegen een hoofd kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel, omdat het hoofd en gezicht een kwetsbaar deel van het lichaam zijn. Daarbij weegt de rechtbank mee dat [slachtoffer 1] werd vastgehouden en op de grond lag tijdens het schoppen en zich moeilijk kon verweren of beschermen. De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat [verdachte] met zijn gedragingen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De rechtbank vindt dan ook dat voorwaardelijk opzet is bewezen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het primair ten laste gelegde medeplegen van de poging tot zware mishandeling is bewezen.
In de zaak met parketnummer 05-352609-24 [6]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 27 februari 2024 was [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) in de steeg achter het huis van [verdachte] in Duiven. Hier was [verdachte] ook. Er werd over en weer geduwd en [verdachte] heeft [slachtoffer 2] geslagen met zijn vuist. [7]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde mishandeling.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat [verdachte] weliswaar een klap aan [slachtoffer 2] heeft gegeven, maar dat hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege een geslaagd beroep op noodweer.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank constateert dat [verdachte] bij de politie heeft verklaard dat hij [slachtoffer 2] met zijn vuist heeft geslagen. Zij komt dan ook tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde mishandeling.

4.De bewezenverklaring

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten/het tenlastegelegde feit heeft gepleegd. Bewezen kan worden dat:
in de zaak met parketnummer 05/142854-24
hij op
of omstreeks25 april 2024 te Duiven
tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
die [slachtoffer 1] tegen het hoofd
, althans op/tegen het lichaam,heeft geschopt en/of getrapt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
in de zaak met parketnummer 05-352609-24
hij op
of omstreeks27 februari 2024 te Duiven
[slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] op/tegen het lichaam te stompen
en/of te slaan.
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van die onderdelen van de tenlastelegging die niet zijn bewezen.

5.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
in de zaak met parketnummer 05/142854-24
primair:medeplegen van poging tot zware mishandeling;
in de zaak met parketnummer 05/352609-24
mishandeling.

6.De strafbaarheid van de feiten

Namens [verdachte] is zowel in de zaak over het steekincident in Duiven als de mishandeling van [slachtoffer 2] een beroep op noodweer gedaan. Op grond van artikel 41 van Pro het Wetboek van Strafrecht moet voor een geslaagd beroep op noodweer sprake zijn van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar voor een wederrechtelijke aanranding, waartegen de verdachte zich noodzakelijkerwijs mocht verdedigen.
De officier van justitie heeft gesteld dat een beroep op noodweer in beide zaken niet kan slagen. De rechtbank komt ook tot deze conclusie en verwerpt het beroep op noodweer.
In de zaak met parketnummer 05/142854-24 (steekincident Duiven)
[verdachte] en [slachtoffer 3] kwamen kort voor het steekincident bij [slachtoffer 1] aan de deur om ‘verhaal te halen’. [slachtoffer 3] en [verdachte] hadden op dat moment allebei een mes bij zich. Nadat [verdachte] en [slachtoffer 3] vertrokken bij de woning van [slachtoffer 1] , heeft [slachtoffer 1] in de keuken twee messen gepakt. Daarna is hij naar buiten gelopen, op zoek naar [verdachte] en [slachtoffer 3] . Toen [slachtoffer 1] [slachtoffer 4] bij zijn auto zag, bleef hij stilstaan. Direct daarna kwam [slachtoffer 3] met een mes op hem af rennen, op korte afstand gevolgd door [verdachte] en [slachtoffer 4] , en werd [slachtoffer 1] door [slachtoffer 3] gestoken. [8]
Kijkend naar de hiervoor beschreven situatie op straat is de rechtbank van oordeel dat [slachtoffer 1] zich mocht verdedigen tegen de aanval van [slachtoffer 3] . [slachtoffer 3] vloog immers met een mes op [slachtoffer 1] af, terwijl [slachtoffer 1] nog op enige afstand stilstond. Dat is een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] verdedigde zich vervolgens met een mes waarbij ook [slachtoffer 3] is geraakt. Dit maakt echter niet dat [slachtoffer 3] een beroep op noodweer toekomt. Uit rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat geen sprake is van een wederrechtelijke aanranding als een verdachte zich op zijn beurt verdedigt tegen iemand die zelf in noodweer handelt als reactie op een daarvóór gepleegde aanranding. [9] Kort gezegd betekent dit dat de verdedigingshandeling van [slachtoffer 1] niet gezien kan worden als een wederrechtelijke aanranding van [slachtoffer 3] .
Dat [verdachte] en [slachtoffer 4] hebben gesteld dat zij [slachtoffer 3] wilden beschermen maakt dit niet anders omdat degene die de aanvaller (dat was [slachtoffer 3] ) helpt, zelf ook geen beroep op noodweer toekomt.
De rechtbank ziet wel dat [slachtoffer 1] een aandeel heeft in het ontstaan van de gehele situatie. De Hoge Raad heeft echter ook gezegd dat de enkele omstandigheid dat een verdachte zich willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten viel, onvoldoende is om een beroep te doen op eigen schuld. [10] Dit betekent dat [slachtoffer 1] weliswaar heel onverstandig handelde door na het gebeuren bij zijn voordeur de straat op te gaan met messen om [slachtoffer 3] en [verdachte] te zoeken maar dat betekent niet dat hij zoveel eigen schuld heeft dat hij geen geslaagd beroep op noodweer kan doen.
In de zaak met parketnummer 05/352609-24 (mishandeling [slachtoffer 2] )
De raadsvrouw heeft gesteld dat [slachtoffer 2] naar de woning van [verdachte] was gekomen en uit was op ruzie. [verdachte] heeft zich verdedigd door [slachtoffer 2] een klap te geven. Volgens de raadsvrouw mocht [verdachte] zich verdedigen tegen de aanval van [slachtoffer 2] en was het geven van een klap proportioneel.
De rechtbank overweegt dat de verklaring van [verdachte] dat hij eerst door [slachtoffer 2] werd geslagen geen steun vindt in de andere bewijsmiddelen in het dossier. Omdat niet is gebleken van een noodweersituatie, kan het beroep van [verdachte] hierop niet slagen.

7.De strafbaarheid van de verdachte

Er is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van [verdachte] geheel uitsluiten. [verdachte] is strafbaar.
De rechtbank overweegt in dit verband dat zij onder de strafbaarheid van de feiten al heeft geoordeeld dat in beide zaken niet is gebleken van een noodweersituatie. Om deze reden kan ook het beroep op noodweerexces van [verdachte] niet slagen.

8.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot een werkstraf van 150 uur, waarvan 60 uur voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die [verdachte] in verzekering heeft doorgebracht. De officier van justitie eist daarbij een proeftijd van 2 jaar met als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [slachtoffer 1] .
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat het tijdsverloop moet worden meegenomen bij het bepalen van een passende straf. [verdachte] heeft gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis veel groei laten zien. De raadsvrouw vindt het verder van belang dat de rechtbank rekening houdt met het advies van de psycholoog om de feiten in verminderde mate aan [verdachte] toe te rekenen. Tot slot heeft de raadsvrouw gewezen op het blanco strafblad van [verdachte] en de rechtbank gevraagd om ook hier rekening mee te houden bij het bepalen van een straf.
De beoordeling door de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan [verdachte] moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] en met de inhoud van de volgende stukken:
  • het uittreksel justitiële documentatie van 19 januari 2026 (het strafblad);
  • het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 19 januari 2026;
  • het psychologisch rapport Pro Justitia van 17 september 2024 van drs. L. Aa,
GZ-psycholoog.
In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Strafblad
De rechtbank stelt vast dat [verdachte] niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.
De ernst van de feiten
[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot zware mishandeling. Hij is in eerste instantie samen met [slachtoffer 3] , allebei gewapend met een mes, naar de woning van [slachtoffer 1] gegaan om verhaal te halen over het spuiten van graffiti op de auto van zijn vader. Bij de woning van [slachtoffer 1] stonden [slachtoffer 3] en [verdachte] tegenover [slachtoffer 1] . Door tussenkomst van de moeder en de buurman van [slachtoffer 1] is de situatie op dat moment niet geëscaleerd. Kort na deze eerste confrontatie heeft [slachtoffer 1] [slachtoffer 3] en [verdachte] opgezocht op straat. Hier kwam het wel tot een confrontatie, waarbij [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] elkaar over en weer hebben gestoken. De rechtbank vindt het een hele onverstandige keuze van [slachtoffer 1] om [slachtoffer 3] en [verdachte] te gaan opzoeken, maar heeft in de strafzaak tegen [slachtoffer 1] een beroep op noodweer aangenomen. [verdachte] heeft [slachtoffer 1] meerdere keren met kracht geschopt tegen zijn lichaam en hoofd. [slachtoffer 1] lag daarbij op de grond, werd vastgehouden door [slachtoffer 4] en werd tegelijkertijd ook gestoken door [slachtoffer 3] .
De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] door het actief opzoeken van de confrontatie met [slachtoffer 1] en het vervolgens samen met [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] gebruiken van fors geweld, op grove wijze inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] . Daarnaast hebben [verdachte] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] met hun handelen gevoelens van afschuw, onrust en onveiligheid veroorzaakt in de wijk waar het geweld plaatsvond en in de samenleving als geheel.
Daarnaast heeft [verdachte] zich schuldig gemaakt aan een mishandeling van [slachtoffer 2] . Hoewel [verdachte] de kans had om zich aan de situatie te onttrekken door naar binnen te gaan, is hij de confrontatie met [slachtoffer 2] aangegaan. De rechtbank vindt dit gedrag afkeurenswaardig. Zij hoopt dat [verdachte] door wat er is gebeurd inziet dat het nooit verstandig is om de confrontatie aan te gaan, ook al ben je ervan overtuigd dat de ander vraagt om ruzie.
Het advies van de deskundigen
[verdachte] is onderzocht door een psycholoog. Zij heeft gerapporteerd dat sprake is van een autismespectrumstoornis, zwakbegaafde en licht verstandelijk beperkte vermogens op het gebied van werkgeheugen, verwerkingssnelheid en perceptueel redenatievermogen. De stoornissen waren ook aanwezig tijdens het plegen van de ten laste gelegde feiten en beïnvloedden de gedragskeuzes en gedragingen van [verdachte] .
De psycholoog schat het recidiverisico in als matig. Om de kans op recidive te verminderen is het van belang dat [verdachte] zijn emoties beter leert herkennen en hier naar weet te handelen. Ten eerste is het van belang dat hij meer (in)zicht krijgt in zijn autismespectrumstoornis en wat het effect hiervan is op zijn gevoelsleven. Ten tweede dient er behandeling plaats te vinden, gericht op het leren reguleren van zijn emoties. Deze behandeling dient te worden aangepast aan zijn zwakbegaafde en licht verstandelijk beperkte vermogens op het gebied van werkgeheugen, verwerkingssnelheid en zijn perceptuele redenatievermogen. Omdat [verdachte] thuis goed wordt begeleid en ondersteund en hij hiervoor openstaat, wordt geadviseerd de behandeling ambulant te laten plaatsvinden binnen het kader van een bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf.
De jeugdreclasseerder heeft tijdens de zitting verteld dat het goed gaat met [verdachte] en dat de begeleiding gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis goed is verlopen. [verdachte] is een kwetsbare jongen, maar de juiste hulpverlening is in beeld en [verdachte] en zijn ouders zijn gemotiveerd voor deze hulpverlening. Het advies van de jeugdreclassering is dan ook om de hulpverlening niet meer te laten plaatsvinden in een gedwongen kader.
De rechtbank neemt de adviezen van de deskundigen over en houdt er rekening mee dat de feiten [verdachte] verminderd kunnen worden toegerekend.
De beslissing over de straf
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de lange tijd die is verstreken voordat de strafzaak tegen [verdachte] is behandeld op zitting. Daarnaast is [verdachte] niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten en heeft hij een positieve ontwikkeling doorgemaakt gedurende de lange periode van schorsing van de voorlopige hechtenis.
Alles afwegende legt de rechtbank daarom aan [verdachte] een werkstraf op van 120 uur, waarvan 40 uur voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die [verdachte] in verzekering heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijke deel van de werkstraf verbindt de rechtbank een proeftijd van 1 jaar, onder de algemene voorwaarde dat [verdachte] niet opnieuw een strafbaar feit mag plegen. Als bijzondere voorwaarde legt de rechtbank [verdachte] een contactverbod met [slachtoffer 1] op.
De rechtbank zal het inmiddels geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van [slachtoffer 3] opheffen. Dit gelet op de duur van de voorlopige hechtenis die hij al heeft ondergaan.

9.De beoordeling van de civiele vorderingen

In de zaak met parketnummer 05/142854-24 (steekincident Duiven)
De benadeelde partij [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) heeft in verband met de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 154,50 aan materiële schade en € 3.750,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en een hoofdelijke veroordeling verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat de materiële schade van [slachtoffer 1] verband houdt met het steken door [slachtoffer 3] en dat de schade niet het gevolg is van de gedragingen van [verdachte] . Daarom heeft hij de rechtbank gevraagd [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk te verklaren in het materiële deel van de vordering. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie gesteld dat [verdachte] en [slachtoffer 1] elkaar over en weer iets hebben aangedaan, waardoor sprake is van eigen schuld. De officier van justitie is daarom van mening dat iedereen zijn eigen schade moet dragen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gesteld dat alle betrokkenen een aandeel hebben gehad in het geweld dat over en weer is gebruikt. Zij is daarom van mening dat iedereen zijn eigen schade moet dragen. Daarnaast heeft de raadsvrouw gesteld dat het causaal verband tussen de schade van [slachtoffer 1] en de gedragingen van [verdachte] ontbreekt, omdat de schade verband houdt met de steekverwondingen. Tot slot heeft de raadsvrouw gesteld dat de vordering niet eenvoudig van aard is. Zij heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van [slachtoffer 1] of het afwijzen van de vordering tot schadevergoeding.
De beoordeling door de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek op de terechtzitting is voldoende gebleken dat [slachtoffer 1] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van (onder meer) [verdachte] rechtstreeks schade heeft geleden. Als medepleger van het geweld tegen [slachtoffer 1] is [verdachte] immers ook verantwoordelijk voor de schade die door [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] bij [slachtoffer 1] is veroorzaakt. De rechtbank overweegt dat de materiële schade door [slachtoffer 1] voldoende is onderbouwd en schadeposten komen redelijk voor.
Voor de materiële schade is [verdachte] als medepleger van de poging tot zware mishandeling naar burgerlijk recht aansprakelijk. De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor wat betreft de kleding en de kosten van fysiotherapie (€ 154,50) kan worden toegewezen.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
  • verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
  • de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
  • de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
  • de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat tijdens de zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 1] door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt. Door de bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling heeft [slachtoffer 1] immers lichamelijk letsel opgelopen, in de vorm van meerdere steek- en snijverwondingen en is hij op andere wijze in de persoon aangetast. Dit is ook aan [verdachte] toe te rekenen.
De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 1.875,- vaststellen, te weten de helft van het gevorderde bedrag. Bij de vaststelling van dit bedrag is meegewogen dat [slachtoffer 1] zelf een aandeel heeft gehad in de confrontatie die is ontstaan met (onder meer) [verdachte] . [slachtoffer 1] heeft immers kort na het vertrek van [verdachte] en [slachtoffer 3] bij zijn voordeur, zelf de woning verlaten met twee messen in zijn handen. Hij heeft [slachtoffer 3] en [verdachte] opnieuw opgezocht, waardoor de situatie verder is geëscaleerd. Dit handelen van [slachtoffer 1] staat niet in de weg aan een geslaagd beroep op noodweer, maar dient naar het oordeel van de rechtbank wel te worden meegewogen bij de toekenning van het smartengeld.
Wettelijke rente
Verdachte is vanaf 14 januari 2026 wettelijke rente over het toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding verschuldigd en vanaf 25 april 2024 over het smartengeld.
Hoofdelijke aansprakelijkheid
De rechtbank overweegt dat verdachte en de medeverdachten ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover de medeverdachte(n) de schade heeft/hebben vergoed.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze, waarbij de maatregel alleen ziet op het toegewezen bedrag. In verband met de leeftijd van verdachte wordt geen gijzeling opgelegd.
In de zaak met parketnummer 05/352609-24 (mishandeling [slachtoffer 2] )
Mevrouw [naam] heeft in verband met de ten laste gelegde mishandeling namens de benadeelde partij [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2] ) een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de rechtbank gevraagd om een bedrag van € 400,- aan smartengeld toe te kennen aan [slachtoffer 2] . Dit is het bedrag dat [slachtoffer 2] ook moet betalen aan [verdachte] voor wat hij [verdachte] heeft aangedaan.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen over de vordering van [slachtoffer 2] . Ze heeft wel naar voren gebracht dat de mishandeling van [verdachte] door [slachtoffer 2] veel heftiger was dan de klap die [verdachte] [slachtoffer 2] heeft gegeven. De raadsvrouw is daarom van mening dat het niet redelijk is om deze beide situaties voor wat betreft het smartengeld tegen elkaar weg te strepen.
De beoordeling door de rechtbank
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat tijdens de zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 2] door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt. Door de mishandeling heeft [slachtoffer 2] immers lichamelijk letsel in de vorm van een rode schaafwond aan de rechterkant van zijn gezicht en hoofdpijn opgelopen. Dit is aan [verdachte] toe te rekenen.
De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 250,- vaststellen.
Wettelijke rente
[verdachte] is wettelijke rente verschuldigd vanaf 27 februari 2024.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door [verdachte] wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze, waarbij de maatregel alleen ziet op het toegewezen bedrag. In verband met de leeftijd van [verdachte] wordt geen gijzeling opgelegd.

10.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

11.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een taakstraf, te weten
een werkstraf van 120 (honderdtwintig) uur, met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;
bepaalt dat van die werkstraf 40 (veertig) uur niet zullen worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
stelt daarbij een proeftijd vast van 1 (één) jaar onder de
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, en
stelt als
bijzondere voorwaardedat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zoekt of heeft met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2006 in [geboorteplaats] (Irak);
beveelt dat de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de werkstraf in mindering wordt gebracht, volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht, twee uur in mindering worden gebracht;
 heft het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis op;
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (05/142854-24)
 veroordeelt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde feit tot betaling van schadevergoeding
aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van € 154,50 (honderdvierenvijftig euro en vijftig cent) aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald en € 1.875,- (duizend achthonderdvijfenzeventig euro) aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 april 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;
 bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 154,50 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2026 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald en € 1.875,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 april 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 (nul) dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (05/352609-24)
 veroordeelt verdachte ten aanzien van de bewezenverklaarde mishandeling tot betaling van schadevergoeding aan
de benadeelde partij [slachtoffer 2]van een bedrag van € 250,- (tweehonderdvijftig euro) aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 februari 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag te betalen van € 250,- (tweehonderdvijftig euro) aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 februari 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 (nul) dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.S.M. Bak (kinderrechter en voorzitter), mr. I.D. Jacobs en
mr. M.G.J. Post, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. I.C.G.M. van Lammeren-van Dijck, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 februari 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024188301 en PL0600-2024188576, gesloten op 18 september 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.De verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de terechtzitting van 20 januari 2026.
3.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 120, het proces-verbaal van getuige [getuige] , p. 106, het proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer 1] , p. 360, het proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer 1] door RC d.d. 29 april 2024, p. 2.
4.Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 213, het proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer 4] , p. 269, het proces-verbaal van bevindingen, p. 312, het proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer 1] , p. 361, het proces-verbaal van bevindingen, p. 85.
5.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 84 en 85, het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 20 november 2024, p. 2, het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 103.
6.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024438214, gesloten op 7 november 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
7.Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 11, het proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer 2] , p. 59 en het proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte, p. 69.
8.Het proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer 1] , p. 360, het proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer 4] , p. 269 en het proces-verbaal van bevindingen, p. 85.
9.HR 4 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4475.
10.Zie in dit verband HR 14 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:715 en HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456.