ECLI:NL:HR:2011:BO4475
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Noodweer en noodweerexces in strafrechtelijke context
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 4 januari 2011 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De verdachte, geboren in 1985, was betrokken bij een incident op 8 juli 2007 te Etten-Leur, waarbij hij een kopstoot heeft gegeven aan het slachtoffer. Het Hof had eerder geoordeeld dat het beroep van de verdachte op noodweer(exces) moest worden verworpen. Dit oordeel was gebaseerd op de stelling dat het ballen van de vuisten door het slachtoffer niet kon worden aangemerkt als een wederrechtelijke aanranding, omdat de verdachte het slachtoffer eerder bij de keel had gegrepen. De Hoge Raad oordeelde echter dat dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk was, aangezien het Hof ook had vastgesteld dat het slachtoffer vóór de confrontatie met de verdachte, de vriendin van de verdachte meermalen wederrechtelijk had aangerand. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het Hof en wees de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch voor herbehandeling.
De zaak draait om de vraag of de verdachte gerechtvaardigd handelde in een noodweersituatie. De verdediging stelde dat de verdachte handelde uit zelfverdediging, omdat hij zich bedreigd voelde door het slachtoffer, die zijn vuisten balde. De Hoge Raad concludeerde dat er wel degelijk sprake was van een noodweersituatie, gezien de eerdere aanrandingen van de vriendin van de verdachte door het slachtoffer. De Hoge Raad benadrukte dat de context van de situatie van groot belang is bij de beoordeling van noodweer en noodweerexces. De uitspraak heeft implicaties voor de toepassing van noodweer in vergelijkbare strafzaken.