ECLI:NL:RBGEL:2026:925

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
AWB-24_8944V
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart verzet gegrond wegens procesbelang bij bezwaar tegen sluiting woning

De rechtbank Gelderland heeft op 10 februari 2026 uitspraak gedaan in het verzet van opposant tegen de uitspraak van 10 juni 2025, waarin zijn beroep ongegrond was verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Opposant stelde in verzet dat hij wel procesbelang heeft, omdat hij schade heeft geleden door het doorbetalen van huur en vaste lasten terwijl hij geen gebruik kon maken van de woning die door de burgemeester voor drie maanden was gesloten. De rechtbank oordeelde dat dit procesbelang aannemelijk is en dat de eerdere uitspraak ten onrechte zonder zitting en buiten redelijke twijfel is gedaan.

De rechtbank verklaarde het verzet gegrond, waardoor de eerdere uitspraak vervalt en het onderzoek wordt hervat. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd omdat het instellen van verzet voortvloeit uit de handelswijze van opposant en zijn gemachtigde, die hun argumenten over procesbelang pas in verzet naar voren brachten terwijl dit eerder had kunnen gebeuren.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en de eerdere uitspraak wordt vernietigd, waarna het onderzoek wordt hervat.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/8944 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

op het verzet van
[opposant]uit [plaats], opposant [1]
(gemachtigde: mr. M. Görsültürk),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 10 juni 2025 [2]
in het geding tussen

opposant

en

de burgemeester van Apeldoorn, de burgemeester

(gemachtigde: R. Visscher).

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 10 juni 2025 waarin het beroep van opposant ongegrond is verklaard.
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 7 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de burgemeester deelgenomen. Opposant is niet verschenen. De gemachtigde van opposant heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van
10 juni 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [3] is dat het beroep ongegrond is. Zij doet dat aan de hand van de verzetsgrond van opposant.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dat oordeel komt en welke gevolgen dat oordeel heeft.
De uitspraak van 10 juni 2025
4. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond geacht – voor zover van belang – omdat de burgemeester in het bestreden besluit van 29 oktober 2024 terecht heeft besloten dat opposant geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaar.
Slaagt de verzetsgrond van opposant?
5. In verzet voert opposant aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat aan opposant geen procesbelang heeft bij het ingestelde bezwaar en beroep. Daartoe betoogt opposant dat hij schade heeft geleden bestaande uit de huurbetalingen en overige vaste lasten zoals internet en telefonie, omdat hij die kosten heeft moeten doorbetalen zonder dat hij gebruik heeft kunnen maken van de huurwoning. Verder meent opposant dat zijn procesbelang is gelegen in de inbreuk die het bestreden besluit op zijn (mensen)rechten heeft gemaakt.
Procesbelang in beroep
6. De rechtbank heeft bij zijn uitspraak van 10 juni 2025 op het beroep van opposant procesbelang aangenomen. Dat opposant, zo hij stelt, procesbelang heeft bij zijn beroep, hoeft de rechtbank in deze uitspraak dan ook niet te beoordelen.
Procesbelang in bezwaar
7. Als eerste merkt de rechtbank op dat, hoewel in de verzetprocedure uitsluitend de vraag aan de orde is of het oordeel van de rechtbank buiten redelijke twijfel staat, dat niet betekent dat de uitspraak van de rechtbank van 10 juni 2025 ex tunc [4] wordt getoetst. De toetsing in verzet van een uitspraak in beroep geschiedt op basis van de in verzet beschikbare informatie. Daarbij neemt de rechtbank alle argumenten mee die te maken hebben met de ongegrondverklaring in beroep. Dat mogen ook nieuwe feiten of nieuwe argumenten zijn. [5]
7.1.
Anders dan de burgemeester op zitting heeft betoogd, mag de rechtbank de argumenten die opposant voor het eerst in verzet naar voren heeft gebracht over het procesbelang, dus wel meenemen in de beoordeling van de vraag of het oordeel van de rechtbank in beroep buiten redelijke twijfel staat. In het geval van opposant: of terecht is geoordeeld dat het beroep van opposant ongegrond is wegens het ontbreken van procesbelang in bezwaar.
7.2.
De rechtbank overweegt daartoe dat procesbelang onder meer kan bestaan als wordt gesteld dat schade is geleden als gevolg van bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat dergelijke schade is geleden als gevolg van het bestreden besluit. [6]
7.3.
De verzetsgrond van opposant slaagt. Het is tot op zekere hoogte aannemelijk dat opposant schade heeft geleden als gevolg van het besluit van 10 april 2024. De burgemeester heeft de woning van opposant voor de duur van drie maanden gesloten, terwijl hij – onbetwist – de vaste lasten heeft moeten doorbetalen zonder dat hij van de woning gebruik heeft kunnen maken. Dat levert procesbelang op.

Conclusie en gevolgen

8. Uit de beoordeling van de verzetsgrond volgt dat de rechtbank in de uitspraak van 10 juni 2025 ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, ongegrond was en dat de zaak achteraf gezien ten onrechte zonder zitting heeft afgedaan. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat die uitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.
8.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Hoewel als algemeen uitgangspunt geldt dat het bestuursorgaan in de proceskosten wordt veroordeeld als een belanghebbende een rechtsmiddel aanwendt dat ertoe leidt dat hij geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, kan van dat uitgangspunt worden afgeweken als die kosten niet redelijkerwijs zijn gemaakt. [7] Daarbij geldt dat niet alleen de kosten zelf redelijk moeten zijn, maar ook het maken van die kosten als zodanig. [8] Dat laatste is niet aan de orde als het instellen van verzet
uitsluitendvoortvloeit uit de handelswijze van de (gemachtigde van) belanghebbende. De vraag die in dat kader moet worden is of het instellen van verzet en dus het maken van kosten, kon worden vermeden. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.
8.2.
Vaststaat dat opposant voor het eerst in verzet argumenten over het procesbelang heeft aangevoerd. In zijn beroepschrift en aanvullende beroepsgronden [9] heeft opposant daar niets over gezegd, terwijl dat wel voor de hand lag omdat het bezwaarschrift om die reden niet-ontvankelijk is verklaard en dat dus ter beoordeling voorlag bij de rechtbank. Als opposant die argumenten in die fase van de procedure al zou hebben aangevoerd, had deze verzetsprocedure voorkomen kunnen worden. Van redelijkerwijs gemaakte kosten is dan ook geen sprake.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van M. Gasseling, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Deze uitspraak heeft als zaaknummer: ARN 24/8944 (niet gepubliceerd).
3.Dat volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Dat betekent een beoordeling naar de situatie van toen.
5.ABRvS 2 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3920.
6.ABRvS 4 maart 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH4669.
7.Dat volgt uit artikel 8:75, eerste lid, van de Awb.
8.Dat volgt uit MvT,
9.Zie het e-mailbericht van 30 april 2025.