ECLI:NL:RBGEL:2026:781

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
ARN 24_1573
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:6 AwbArt. 8:22 AwbArt. 25 lid 1 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke last onder dwangsom wegens illegale dierenverhuur blijft in stand

Eisers, curator en betrokkenen bij een failliet bedrijf dat dieren verhuurde, zijn het niet eens met een last onder dwangsom opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal wegens illegale verhuur van dieren vanaf hun percelen. De last onder dwangsom is opgelegd om de illegale verhuur te beëindigen.

De rechtbank beoordeelt of er sprake is van samenloop van herstelsancties, of de overtreding heeft plaatsgevonden en of eisers een geslaagd beroep kunnen doen op het vertrouwensbeginsel. Uit eerdere uitspraken blijkt dat eerdere dwangsommen waren uitgewerkt, zodat geen samenloop bestaat. Het college heeft aannemelijk gemaakt dat de dierenverhuur op 19 april 2023 vanaf de percelen heeft plaatsgevonden, ondanks betwisting door eisers.

Eisers stelden dat toezeggingen waren gedaan over legalisatie via een bestemmingsplanwijziging, maar de rechtbank oordeelt dat dit geen toezegging is waarop redelijkerwijs vertrouwd kon worden. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard, de last onder dwangsom blijft in stand en eisers krijgen geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De last onder dwangsom wegens illegale dierenverhuur blijft gehandhaafd en het beroep van eisers wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/1573

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen
[curator/eiser 1], kantoorhoudend in [plaats 1] , in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van
[naam bedrijf] , [eiser 2] en [eiseres]uit [plaats 2], eisers, [1]
(gemachtigde: mr. C.J. Driessen),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Maas en Waal

(gemachtigden: mr. S.E. de Wit en mr. A. de Zeeuw).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Stichting House of Animals Foundation(gemachtigde: mr. M. van Duijn).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een last onder dwangsom wegens het illegaal verhuren van dieren vanaf de percelen aan de [locatie 1] en [locatie 2] in [plaats 2] (de percelen). Eisers zijn het niet eens met de last onder dwangsom. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de last onder dwangsom.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat geen sprake is van een samenloop van herstelsancties. Er is sprake van een overtreding, de dwangsommen zijn niet te hoog en eisers kunnen geen geslaagd beroep doen op het vertrouwensbeginsel. De last onder dwangsom blijft daarom in stand. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen.
  • Is er sprake van samenloop van herstelsancties?
  • Is sprake van een overtreding?
  • Kan eiser een geslaagd beroep doen op het vertrouwensbeginsel?
Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Op 13 juli 2023 heeft het college een last onder dwangsom (het primaire besluit) aan eisers opgelegd ter beëindiging en beëindigd houden van de illegale verhuur van dieren op de percelen van eisers uiterlijk op 20 juli 2023, onder dwangsom van € 90.000 ineens.
2.1.
Met het bestreden besluit van 6 februari 2024 op het bezwaar van eisers heeft het college het primaire besluit in stand gelaten.
2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
Bij uitspraak van 31 oktober 2023 zijn [naam bedrijf] (de vennootschap), [eiser 2] en [eiseres] door deze rechtbank in staat van faillissement verklaard. In hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden die uitspraak in stand gelaten. [2] De curator heeft op 24 juli 2025 met toestemming van de rechter-commissaris aangegeven de beroepen voort te zetten waarbij eisers en hun gemachtigde de procedures feitelijk kunnen blijven voeren. [3]
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 20 november 2025 op zitting behandeld, tegelijk met de zaken ARN 23/6503, ARN 23/6505, ARN 23/6508, ARN 23/6510, ARN 23/6514, ARN 23/8097, ARN 24/1568 en ARN 24/7083. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 2] en [eiseres] en hun gemachtigde, en de gemachtigden van het college.
De curator heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de beslissing op bezwaar aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Achtergrond
4. Eisers hadden tot hun faillissement een bedrijf waarbij dieren werden verhuurd. De verhuur van dieren is op het perceel van eisers niet toegestaan ingevolge het bestemmingsplan. Het college heeft bij controles in het verleden diverse malen overtredingen geconstateerd omdat eisers toch dieren verhuurden. Hiervoor heeft het college op 31 december 2018, 1 augustus 2019, 26 oktober 2022 en 3 januari 2023 lasten onder dwangsom opgelegd aan eisers. Op basis van documenten heeft het college geconstateerd dat eisers op 19 april 2023 in strijd met het bestemmingsplan dieren hebben verhuurd aan Jeugddienst Bree in België. Daarom heeft het college op 13 juni 2023 een nieuwe last opgelegd, die in het bestreden besluit in stand is gelaten.
Is er sprake van samenloop van herstelsancties?
5. Eisers betogen dat de last onder dwangsom niet opgelegd had mogen worden omdat de last onder dwangsom van 3 januari 2023 nog van kracht was. Met het opleggen van de last onder dwangsom van 13 juli 2023 handelt het college daarom in strijd met artikel 5:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
5.1.
Uit de uitspraak in de zaken met zaaknummers ARN 23/6508, ARN 23/6510 en ARN 24/1568 van vandaag blijkt dat de invorderingsbesluiten van 3 april 2023 en 20 juni 2023 in stand blijven. Daarmee staat vast dat de lasten onder dwangsom van 3 januari 2023 ten tijde van de oplegging van de last onder dwangsom in deze zaak op 13 juli 2023 zijn uitgewerkt. Anders dan eisers stellen is er daarom geen sprake van samenloop van herstelsancties. Het college heeft de last onder dwangsom dus mogen opleggen aan eisers. De beroepsgrond slaagt niet.
Is er sprake van een overtreding?
6. Eisers betogen dat de verhuur van dieren aan Jeugddienst Bree in België op 19 april 2023 niet heeft plaatsgevonden vanaf de percelen. Daarom is volgens hen geen sprake van een overtreding. De factuur in het dossier zegt namelijk enkel iets over de verhuur van dieren op 19 april 2023, maar niets over de locatie waarvandaan die feitelijke verhuur heeft plaats gevonden.
6.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat op 19 april 2023 dieren zijn verhuurd door eisers aan Jeugddienst Bree in België. In geschil is of deze dieren vanaf de percelen van eisers zijn verhuurd. Het is aan het college om aannemelijk te maken dat sprake is van een overtreding van het bestemmingsplan omdat de verhuur van de dieren heeft plaatsgevonden vanaf de percelen. [4] Naar het oordeel van de rechtbank is het college hierin geslaagd. De dieren werden namelijk sinds jaar en dag op die locaties gehouden. Het is dan aan eisers om een begin van bewijs te leveren dat zijn in dit geval toch vanaf een andere locatie hebben verhuurd. [5] Eisers hebben geen begin van een onderbouwing geleverd dat de dieren op 19 april 2023 vanaf een andere locatie zouden zijn verhuurd. Het college heeft daarom terecht vastgesteld dat sprake is van een overtreding. De beroepsgrond slaagt niet.
6.2.
Het college heeft terecht vastgesteld dat er sprake is van een overtreding. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. [6]
Kan eiser een geslaagd beroep doen op het vertrouwensbeginsel?
7. Eisers betogen dat er toezeggingen zijn gedaan ter legalisatie van de activiteiten van eisers middels een bestemmingsplanwijziging, waarbij onder meer de verhuur van dieren vanaf de percelen van eisers gelegaliseerd zou worden. Uiteindelijk is geen ontwerp-bestemmingsplan ter inzage gelegd omdat essentiële stukken zouden ontbreken. Eisers zijn volgens hen in redelijkheid niet in de gelegenheid gesteld eventuele tekortkomingen te herstellen. Dat is volgens eisers een schending van het vertrouwensbeginsel en daarmee handelt de gemeente schadeplichtig.
7.1.
Voor de bespreking van deze beroepsgrond hanteert de rechtbank het stappenplan zoals uiteengezet in de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019. [7] Dat bestaat uit drie stappen. De eerste stap is de juridische kwalificatie van de uitlating waarop de betrokkene zich beroept, namelijk de vraag of die uitlating kan worden gekwalificeerd als een toezegging. Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Indien beide vragen bevestigend worden beantwoord, en er dus een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, volgt de derde stap. Die betreft de belangenafweging. In het kader daarvan moet de vraag worden beantwoord of geen zwaarder wegende belangen aan het honoreren van de gewekte verwachtingen in de weg staan.
7.2.
De rechtbank overweegt dat wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel aannemelijk moet maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. [8]
7.3.
Het in procedure brengen van een nieuw ontwerp-bestemmingsplan ter legalisering van de verhuur van dieren op de percelen is naar het oordeel van de rechtbank geen toezegging waarop eisers redelijkerwijs hebben mogen vertrouwen. Het college heeft voldoende toegelicht dat de bestemmingsplanprocedure is beëindigd omdat eisers ondanks herhaald verzoek van het college de ontbrekende onderzoeken niet heeft overgelegd. Er is dus niet voldaan aan de eerste stap (een toezegging). De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de last onder dwangsom in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Hoewel de curator in deze zaken de eiser is, spreekt de rechtbank omwille van de leesbaarheid over ‘eisers’.
2.Tussenarrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 december 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:10714 en eindarrest van 28 december 2013.
3.Dit is mogelijk ingevolge artikel 8:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 25, eerste lid van de Faillissementswet. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4564.
4.Uitspraak van de Afdeling van 19 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1542.
5.Uitspraak van de Afdeling van 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1695.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2529.
7.Dit betreft de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694.
8.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2822, r.o. 10.2.