ECLI:NL:RVS:2024:2822
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhaving last onder dwangsom voor illegale bouw zonder vergunning in agrarisch gebied
Het college van burgemeester en wethouders van Best legde op 3 maart 2020 een last onder dwangsom op aan appellant om diverse bouwwerken zonder omgevingsvergunning op zijn perceel te verwijderen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant onder meer dat hij zich op het vertrouwensbeginsel kon beroepen vanwege een brief van een toenmalige wethouder uit 1999 waarin toestemming werd gegeven voor de bouw en bewoning van een gebouwtje en berging.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellant niet te goeder trouw was en dat uit de brief niet kon worden afgeleid dat geen omgevingsvergunning nodig was of dat handhaving achterwege zou blijven. Ook was de geringe overschrijding van de oppervlakte van de woning onvoldoende om handhaving onevenredig te achten. Verder bestond geen concreet zicht op legalisatie van de overkapping en volière, omdat geen vergunning was aangevraagd.
Daarmee is het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de last onder dwangsom wordt gehandhaafd.