ECLI:NL:RBGEL:2026:5446

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/05/467067
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:54 BWArt. 5:56 BWArt. 5:62 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening bouwstop garage bij burengeschil over erfgrens en mandelige muur

In deze zaak vorderen buren, de eisers, een verbod voor de gedaagde om de bouw van zijn garage voort te zetten, omdat deze volgens hen inbreuk maakt op hun eigendomsrechten en de bouwvergunning overschrijdt. De gedaagde betwist dit en stelt dat hij de kadastrale erfgrens heeft aangehouden en dat de muur mandelig is gebleven.

De rechtbank oordeelt dat de mandeligheid van de muur niet zonder meer is geëindigd door de sloop van de oude garage, omdat de gedaagde aannemelijk heeft gemaakt dat het zijn bedoeling was de muur opnieuw te gebruiken. De primaire vorderingen van de eisers worden afgewezen omdat nader onderzoek in een bodemprocedure nodig is om de feitelijke situatie en het eigendomsrecht vast te stellen.

Wel wijst de rechtbank de subsidiaire vordering toe tot een tijdelijke bouwstop van de garage totdat in een bodemprocedure uitspraak is gedaan. De gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom bij overtreding en moet de proceskosten betalen. De eisers moeten binnen vier weken een bodemprocedure starten, op straffe van verval van de voorlopige voorziening.

Uitkomst: De rechtbank legt een bouwstop op voor de garage van de gedaagde en veroordeelt hem tot betaling van een dwangsom en proceskosten, met de verplichting voor de eisers om binnen vier weken een bodemprocedure te starten.

Uitspraak

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/467067 / KG ZA 26-195
Vonnis in kort geding van 8 juli 2026
in de zaak van

1.[naam eiser 1] ,

wonende te [woonplaats] ,
2.
[naam eiser 2],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [de eisers] ,
advocaat: mr. H.J.F. Oetgens van Waveren Pancras Clifford,
tegen
[naam gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
advocaat: mr. R.J. Maassen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 12,
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 13,
- de akte wijziging van eis met producties 13 tot en met 18,
- de mondelinge behandeling van 3 juli 2026,
- de pleitnota van [de eisers]
1.2.
Ten slotte is op heden vonnis bepaald.

2.De zaak in het kort

2.1.
Partijen zijn buren van elkaar. [de eisers] zijn sinds 27 november 2025 eigenaren van de woning met grond gelegen aan de [straatnaam] [huisnummer 1] te [woonplaats] en [de gedaagde] is sinds 29 januari 2024 eigenaar van de naastgelegen woning met grond aan de [straatnaam] [huisnummer 2] te [woonplaats] .
2.2.
Ter verduidelijking van het hierna te bespreken burengeschil is hieronder een afbeelding opgenomen. De percelen [perceelnummer 1] en [perceelnummer 2] behoren in eigendom toe aan [de eisers] en perceel [perceelnummer 3] aan [de gedaagde] . Links achter in de hoek op perceel [perceelnummer 3] is de voormalige garage van [de gedaagde] weergegeven en daartegenaan, aan de rechterachterzijde van perceel [perceelnummer 1] , de garage van [de eisers]
[ Afbeelding verwijderd ter anonimisatie.]
2.3.
Toen [de eisers] hun woning in december 2025 betrokken, was [de gedaagde] reeds aangevangen met een ingrijpende verbouwing van zijn woning en de bouw van een nieuwe garage die tevens zal worden gebruikt als leefruimte. De voormalige garage op zijn perceel, zoals weergegeven onder 2.2, had hij in september 2025 al volledig afgebroken. Ten behoeve van de verbouwing heeft [de gedaagde] een bouwvergunning aangevraagd en deze is door de gemeente aan hem verleend. Verder heeft [de gedaagde] voorafgaand aan de bouw een erfgrensreconstructie laten uitvoeren door het Kadaster. Bij deze erfgrensreconstructie, uitgevoerd op 20 mei 2025, waren de voormalig eigenaren van de woning van [de eisers] aanwezig.
2.4.
Diezelfde rechtsvoorgangers van [de eisers] hebben voorafgaand aan de verkoop aan [de eisers] een schutting geplaatst. [de gedaagde] heeft deze schutting aangehouden als erfgrens voor de bouw van zijn garage en het storten van de fundering.
2.5.
In het begin heeft tussen partijen overleg plaatsgevonden en mocht [de gedaagde] ten behoeve van de bouwwerkzaamheden het perceel van [de eisers] betreden, maar kort daarna zijn de verhoudingen verstoord geraakt. Volgens [de eisers] maakt [de gedaagde] met de bouw van zijn garage en het storten van de fundering inbreuk op hun eigendomsrecht. Zij hebben [de gedaagde] op 26 maart 2026 per brief laten weten dat zij er niet mee instemmen dat hij zonder toestemming hun perceel betreedt, aan hun eigendommen komt, op, over, onder of boven de erfgrens bouwt en dat hij de grenzen van de bouwvergunning overschrijdt. [de gedaagde] betwist de vermeende inbreuk en voert aan dat hij bij de bouw van zijn garage en het storten van de fundering de kadastrale erfgrens heeft aangehouden.
2.6.
In dit kort geding vorderen [de eisers] na wijziging van eis, samengevat, dat de voorzieningenrechter [de gedaagde] :
primair:
gebiedt a) het gedeelte van de garage dat op de fundering van [de eisers] steunt en tegen de privémuur van [de eisers] is gerealiseerd te verwijderen en verwijderd te houden en b) de nieuwe fundering volledig los te koppelen van de oude fundering zodat het gehele bouwwerk van [de gedaagde] volledig is losgekoppeld van de garage van [de eisers] ,
gebiedt de fundering voor zover deze gelegen is in de grond van [de eisers] te verwijderen en verwijderd te houden en na de verwijdering het betegelde terras in oude staat terug te brengen,
gebiedt om de in productie 8 van [de gedaagde] getoonde erfgrenspaaltjes weer op dezelfde plek terug te plaatsen en aldaar geplaatst te houden,
verbiedt om zijn garage over de kadastrale erfgrens heen te bouwen,
gebiedt de houten planken aan de garage en de erfgrensmuur van [de eisers] te verwijderen en verwijderd te houden en de gaten in de garage te vullen met Lithomex of een ander geschikt product,
gebiedt de beschadigde mandelige muur aan de achterzijde in oude staat te herstellen door de gecreëerde opening dicht te maken en deze muur tot de oorspronkelijke hoogte opnieuw op te metselen met bakstenen van dezelfde kleur en kwaliteit;
subsidiair:
verbiedt om de bouw aan de garage voort te zetten,
Tot slot wordt ten aanzien van alle vorderingen een dwangsom gevorderd en veroordeling van [de gedaagde] in de proceskosten.
2.7.
De primaire vorderingen zullen worden afgewezen. De subsidiaire vordering zal worden toegewezen. Hierna zal worden uitgelegd waarom.

3.De beoordeling

3.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [de eisers] daarbij een spoedeisend belang hebben. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
3.2.
Aan hun vorderingen leggen [de eisers] het volgende ten grondslag. [de gedaagde] heeft zonder toestemming de privémuur van hun garage en de fundering die deze privémuur draagt in gebruik genomen en verwerkt in zijn nieuwe garage en daarop een eigen muur gerealiseerd. [de eisers] voeren verder aan dat deze muur niet mandelig is maar volledig aan hen in eigendom toebehoort. Door de sloop van de oude garage van [de gedaagde] is de mandeligheid van de muur immers komen te vervallen. Dit volgt uit de parlementaire geschiedenis [1] . De fundering is een bestanddeel van deze muur en behoort dus ook tot het enig eigendom van [de eisers] [de gedaagde] mag aan deze bestaande fundering dus ook niet zijn fundering vastmaken, hetgeen hij wel heeft gedaan. [de gedaagde] heeft geen toestemming van [de eisers] gekregen om op de muur te bouwen, deze te verwerken in zijn nieuwe garage en de daaronder gelegen fundering te gebruiken. Ook wijkt [de gedaagde] ten nadele van [de eisers] af van de bouwtekening die ten grondslag liggen aan de bouwvergunning, hetgeen tevens onrechtmatig is jegens [de eisers] Verder heeft [de gedaagde] zonder toestemming in de garage en erfgrensmuren van [de eisers] geboord en er een houten plank aan bevestigd, een fundering over de erfgrens in de grond van [de eisers] geplaatst en de mandelige muur aan de achterzijde de percelen beschadigd. De stelling van [de gedaagde] dat de schutting, geplaatst door de voorgangers van [de eisers] , tegen de kadastrale erfgrens ligt is onjuist. Uit door [de eisers] zelf verrichte metingen, gebaseerd op de erfgrensreconstructiegegevens van 20 mei 2025, volgt dat deze schutting ruim op eigen grond staat, namelijk 20 cm vanaf de erfgrens. Daarnaast volgt uit het rapport van Constabiel, een adviseur in bouwtechniek, dat [de gedaagde] geen bekisting heeft aangebracht bij de aanleg van zijn fundering waardoor het beton waarschijnlijk ondergronds nog verder richting het perceel van [de eisers] is uitgevloeid. De door [de gedaagde] gestorte fundering bevindt zich daarom tussen de 25 cm en 40 cm over de kadastrale erfgrens op het perceel van [de eisers] Tot slot volgt uit het rapport van Constabiel dat het verwerken van de muur door [de gedaagde] in een veel groter en zwaarder bouwwerk en het storten van zijn fundering tegen de reeds bestaande fundering aanzienlijke risico’s op schade van de verouderde garage en fundering van [de eisers] met zich meebrengen, aldus [de eisers]
3.3.
[de gedaagde] voert het volgende verweer. De buitenmuur die [de eisers] als hun privémuur beschouwen, staat volledig op zijn grond en was voorheen de buitenmuur van zijn oude garage. Dit volgt uit de grensreconstructie die in 2025 door het Kadaster is uitgevoerd. [de gedaagde] heeft altijd de intentie gehad om deze buitenmuur weer te gebruiken voor zijn nieuwe garage [2] . De muurankers waarmee de binnenmuur van de oude garage van [de gedaagde] was bevestigd aan deze muur, zijn immers nooit verwijderd of verplaatst omdat [de gedaagde] deze voor zijn nieuwe garage wil gebruiken. Dit vindt bevestiging in de verklaring van de door [de gedaagde] ingeschakelde metselaar. Van een nieuwe verankering is aldus geen sprake.
Van (risico op) schade aan de garage van [de eisers] is evenmin sprake. Verder zal toewijzing van de vorderingen [de gedaagde] onevenredig benadelen [3] .
Bij het storten van de fundering is de schutting van [de eisers] als erfgrens aangehouden en dit wordt bevestigd door de metselaar die is ingeschakeld door [de gedaagde] . De schutting is immers geplaatst door de rechtsvoorgangers van [de eisers] De stellaten geven aan waar de buitenmuur van [de gedaagde] aan de noordwestelijke zijde moet komen. Op grond van het ladderrecht [4] dienen [de eisers] dit te dulden. De oude tuinmuur waarvan [de eisers] herstel vorderen aan de zuidwestelijke zijde van het perceel is niet mandelig, deze staat namelijk niet op de erfgrens, en heeft nooit de erfafscheiding gevormd. [de eisers] hebben in dat verband de schutting, geplaatst door hun rechtsvoorgangers, verwijderd die voor deze muur aan hun zijde op de erfgrens tussen de percelen stond, aldus [de gedaagde] .
3.4.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Artikel 5:62 BW Pro geeft een regeling voor mandeligheid. Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat een vrijstaande scheidsmuur gemeenschappelijk eigendom en mandelig is, als de grens van twee erven die aan verschillende eigenaars toebehoren, er in de lengterichting onderdoor loopt. Deze bepaling ziet echter niet op een scheidsmuur die onderdeel is van een gebouw of werk. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de scheidsmuur die twee gebouwen gemeen hebben ook gemeenschappelijk eigendom en mandelig is. Uit deze bepaling volgt dat een muur alleen een scheidsmuur is in de zin van deze bepaling, voor zover de twee gebouwen die muur gemeen hebben. In beginsel is door het afbreken van de garage door [de gedaagde] de mandeligheid van de muur dus geëindigd. [de gedaagde] heeft evenwel een beroep gedaan op rechtspraak en omstandigheden naar voren gebracht waaruit afdoende blijkt dat het altijd zijn bedoeling is geweest om de muur opnieuw te gebruiken voor zijn nieuwe garage en dit een tijdelijke situatie betreft waarin de mandeligheid niet eindigt. Dat de mandeligheid van de muur in kwestie en de daaronder gelegen (oude) fundering door verwijdering van de garage door [de gedaagde] is geëindigd, is gelet op deze betwisting voorshands oordelend onvoldoende aannemelijk geworden.
3.5.
Dat betekent dat er in dit kort geding vanuit wordt gegaan dat de muur mandelig is. [de gedaagde] heeft gemotiveerd weersproken dat [de eisers] geen toestemming hebben gegeven om op de muur in kwestie te bouwen en deze te verwerken in de nieuwe garage, dat hij in strijd handelt met de verleende omgevingsvergunning en dat kan worden uitgegaan van door [de eisers] uitgevoerde metingen en de inhoud van het rapport van Constabiel. Volgens [de gedaagde] is het rapport van Constabiel gebaseerd op aannames en een door [de eisers] gegeven onjuiste weergave van feiten. [de eisers] hebben [de gedaagde] niet betrokken bij dit onderzoek en hij heeft verklaard dat hij daarom een contra-expertise wil laten uitvoeren. Bovendien zijn de rapporten slechts één dag voorafgaand aan de zitting ingediend bij de rechtbank en aan [de gedaagde] verstrekt en bestaat het rapport van Constabiel uit maar liefst 22 pagina’s. Onder al deze omstandigheden kan aan de rapportages dan ook onvoldoende gewicht worden toegekend. Daar komt bij dat het niet in de rede ligt dat de rechtsvoorgangers van [de eisers] -die aanwezig waren bij de erfgrensreconstructie door het Kadaster in mei 2025- op eigen grond 20 cm vanaf de erfgrens een schutting hebben geplaatst. Voor het antwoord op de vraag of [de gedaagde] met de bouw van zijn garage en het storten van zijn fundering inbreuk maakt op het eigendomsrecht van [de eisers] dan wel in strijd handelt met de verleende omgevingsvergunning dient dus nader onderzoek naar de feiten en mogelijk bewijslevering plaats te vinden. Daarvoor leent zich een bodemprocedure en geen kortgedingprocedure. De primaire vorderingen i), ii) en iv) zullen gelet hierop worden afgewezen.
3.6.
Ook de overige primaire vorderingen zullen worden afgewezen. Gelet op het verweer van [de gedaagde] is eveneens niet aannemelijk geworden dat de muur aan de achterzijde -die [de gedaagde] deels heeft afgebroken en waarvan herstel wordt gevorderd- mandelig is, de houten planken onrechtmatig zijn bevestigd aan de muur dan wel garage van [de eisers] en de paaltjes waarvan terugplaatsing wordt gevorderd in eigendom toebehoorden aan [de eisers]
3.7.
De voorzieningenrechter ziet op grond van de belangenafweging wel aanleiding voor toewijzing van de subsidiaire vordering. Deze vordering strekt tot een tijdelijke bouwstop totdat in een nog aanhangig te maken bodemprocedure is geoordeeld over de onderhavige kwestie. Op basis van hetgeen partijen hebben aangevoerd, wordt voldoende aanleiding gezien voor het tijdelijk stilleggen van de bouwwerkzaamheden. [de gedaagde] heeft in ieder geval niet dan wel onvoldoende toegelicht waarom zijn belang bij voortzetting van de bouwwerkzaamheden prevaleert boven het belang van [de eisers] Bovendien heeft [de gedaagde] verklaard dat hij de bouwwerkzaamheden al sinds medio april 2026 heeft stilgelegd vanwege de weigerachtige opstelling van [de eisers] Hij kan, zo begrijpt de voorzieningenrechter, überhaupt niet verder met de werkzaamheden zolang hij geen toestemming krijgt van [de eisers] om hun perceel te betreden.
3.8.
Aan de toewijzing van deze vordering zal de voorwaarde worden verbonden dat [de eisers] uiterlijk binnen vier weken na datum van dit in dit kort geding gewezen vonnis een bodemprocedure aanhangig maakt op straffe van verval van deze voorlopige voorziening.
3.9.
De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen zoals opgenomen onder de beslissing.
Proceskosten
3.10.
[de gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
153,02
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.860,02
3.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.
verbiedt [de gedaagde] de bouw aan zijn garage voort te zetten tot in een bodemprocedure, uiterlijk tot een einduitspraak in hoger beroep, over de onderhavige kwestie is beslist,
4.2.
veroordeelt [de gedaagde] om aan [de eisers] een dwangsom te betalen van € 2.500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 150.000,00 is bereikt,
4.3.
bepaalt dat [de eisers] zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen vier weken na de datum van dit vonnis een bodemprocedure aanhangig moet maken en deze voortvarend voort te zetten, op straffe van verval van de in dit vonnis uitgesproken voorlopige voorzieningen onder 4.1 en 4.2,
4.4.
veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 1.860,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.5.
veroordeelt [de gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.W. de Groot en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.
1780

Voetnoten

1.[de eisers] doen in dat verband een beroep op MvA II, Parl. Gesch. 5, p.232.
2.[de gedaagde] doet in dat verband een beroep op ECLI:NL:RBDHA:2025:20022, r.o. 4.5.
3.[de gedaagde] doet in dat verband een beroep op artikel 5:54 BW Pro.
4.Artikel 5:56 BW Pro.