ECLI:NL:RBGEL:2026:5428

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
AWB-24_5510
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OwArt. 5:39 AwbArt. 22.1 OwArt. 4.6 Invoeringswet OmgevingswetArt. 7 bestemmingsplan De Driehoek 2016
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen last onder dwangsom en invordering parkeren in groenstrook Ermelo

Lisuda Vastgoed B.V. is eigenaar van een perceel in Ermelo waar in strijd met het omgevingsplan geparkeerd werd op een groenstrook en onvoldoende parkeerplaatsen waren gerealiseerd. Het college legde op 20 maart 2024 lasten onder dwangsom op om dit te beëindigen, welke overtreden werden. Na afwijzing van bezwaar volgde een invorderingsbesluit van €150.000.

Eiseres stelde beroep in tegen de last onder dwangsom en het invorderingsbesluit. De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk was ondanks een naamsverwarring bij de indiening. Feitelijk was de overtreding niet betwist: parkeren in strijd met het omgevingsplan en geen vergunning.

De rechtbank overwoog dat handhaving het uitgangspunt is en dat geen bijzondere omstandigheden bestonden om hiervan af te zien. Er was geen concreet zicht op legalisatie, het financiële belang van eiseres woog niet zwaarder dan het algemeen belang, en het college mocht de dwangsommen invorderen. Het beroep werd ongegrond verklaard en de dwangsommen blijven verschuldigd.

Uitkomst: Het beroep van Lisuda Vastgoed B.V. tegen de last onder dwangsom en het invorderingsbesluit wordt ongegrond verklaard en de handhaving en invordering blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/5510

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

Lisuda Vastgoed B.V., uit Ermelo, eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo

(gemachtigden: mr. F.T.J. van Veluw en mr. L.C. Faber).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting DOEH uit Ermelo

(gemachtigde: mr. I.E. Nauta).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over aan eiseres opgelegde lasten onder dwangsom in verband met het strijdige gebruik van gronden als parkeergelegenheid en het niet realiseren van voldoende en aan de voorschriften tegemoetkomende parkeerplaatsen daar waar dat wel is toegestaan. Ook gaat het over het invorderingsbesluit. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de lasten onder dwangsom en het invorderingsbesluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht de lasten onder dwangsom heeft opgelegd. Ook komt de rechtbank tot het oordeel dat het college mocht overgaan tot invordering van de verbeurde dwangsommen. Het beroep is ongegrond en eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft op 20 maart 2024 besloten om (weer) handhavend op te treden en aan eiseres twee lasten onder dwangsom opgelegd. Met de beslissing op bezwaar van 4 juli 2024 heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten. Op 5 maart 2025 heeft het college een invorderingsbesluit genomen.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het beroep richt zich van rechtswege ook tegen het invorderingsbesluit. [1]
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van de derde-partij.

Beoordeling door de rechtbank

Wettelijk kader
3. Op 1 januari 2024 is de Wabo ingetrokken en is de Omgevingswet (hierna: de Ow) in werking getreden. Omdat het (nieuwe) handhavingsbesluit dateert van 20 maart 2024, is in deze zaak de Ow van toepassing.
3.1.
Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente vanaf dat moment een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. [2] Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Ook bestaat het tijdelijke deel van het omgevingsplan uit enkele gemeentelijke verordeningen en de bruidsschat. De bruidsschat bevat regels die eerst op Rijksniveau geregeld waren, maar nu (in ieder geval tijdelijk) onderdeel uitmaken van het omgevingsplan.
Waar gaat deze zaak over?
4. Lisuda Vastgoed B.V. is eigenaar van het perceel aan de [adres ] in Ermelo. [3] Voor dit perceel golden voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Ow de bestemmingsplannen ‘De Driehoek 2016’ en ‘Parkeernormen’. Uit de plankaart blijkt dat het perceel deels als ‘Horeca’ en deels als ‘Groen’ is bestemd. Op het voor ‘Horeca’ bestemde perceeldeel is het restaurant [restaurant] gevestigd.
4.1.
Bij besluit van 7 maart 2023 heeft het college aan eiseres twee lasten onder dwangsom opgelegd die zich richten op de beëindiging van het (laten) parkeren op de groenstrook van het perceel en het realiseren van voldoende parkeerplaatsen. Deze lasten zijn overtreden en de dwangsommen verbeurd. Eiseres is in beroep gekomen tegen het invorderingsbesluit van het college. Dat beroep [4] is op dezelfde zitting behandeld als de zaak die hier voorligt.
Lasten onder dwangsom van 20 maart 2024
5. Het college heeft besloten om (weer) handhavend op te treden, omdat bij het restaurant [restaurant] aan de [adres ] in Ermelo nog steeds in strijd met het Omgevingsplan gemeente Ermelo [5] wordt geparkeerd. Daardoor is sprake van overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder sub a van de Ow. In het besluit van 20 maart 2024 heeft de gemeente daarom de volgende twee lasten onder dwangsom aan Lisuda Vastgoed opgelegd:
- Last onder dwangsom: het (laten) parkeren in de groenstrook beëindigen
“Wij gelasten u binnen vier weken na verzending van deze brief de overtreding van artikel 5.1, eerste lid onder sub a Omgevingswet - het zonder omgevingsvergunning in strijd met het Omgevingsplan gemeente Ermelo - Bestemmingsplan De Driehoek 2016 (laten) gebruiken van de groenstrook op het perceel aan de [adres ] te (laten) beëindigen en beëindigd te (laten) houden.
[…]
Om de overtreding te (laten) beëindigen en beëindigd te (laten) houden dient u, naast het beëindigen en beëindigd houden van het gebruik van de groenstrook als parkeerplaats, derhalve ook de gras beton blokken te (laten) verwijderen en verwijderd te (laten) houden. Op die manier wordt de groenbestemming hersteld.
[…]
Als u na deze datum deze overtreding niet of niet geheel heeft beëindigd, verbeurt u van rechtswege een dwangsom van € 10.000,00 (tienduizend euro) per week of deel van de week dat de strijdige situatie voortduurt, met een maximum van € 50.000,00 (vijftigduizend euro). Om volledig aan de last te voldoen dient u zowel het (laten) parkeren in de groenstrook te (laten) beëindigen en beëindigd te (laten) houden en de grasbetonblokken te (laten) verwijderen en verwijderd te (laten) houden.”
- Last onder dwangsom: voldoende parkeerplaatsen realiseren
“Wij gelasten u binnen vier weken na verzending van deze brief de overtreding van artikel 5.1, eerste lid onder sub a Omgevingswet - het handelen in strijd met het Omgevingsplan gemeente Ermelo - Parkeernormen - te (laten) beëindigen en beëindigd te (laten) houden.
U kunt in ieder geval aan de last voldoen door één van de hieronder genoemde maatregelen te treffen:
het (laten) realiseren van 29 parkeerplaatsen binnen de horecabestemming op uw perceel waarbij de parkeerplaatsen dienen te voldoen aan de daarbij behorende maatvoering conform de Nota Parkeernormen Ermelo; of
het gebruik van de horeca-inrichting te (laten) staken tot het moment dat u voldoet aan het Omgevingsplan gemeente Ermelo - Parkeernormen door 29 parkeerplaatsen binnen de horecabestemming te (laten) realiseren conform de daarbij behorende maatvoering genoemd in de Nota Parkeernormen Ermelo. Dit in verband met de aard van artikel 3.1.1 van het Omgevingsplan gemeente Ermelo - Parkeernormen. Dit artikel betreft immers een voorwaardelijke verplichting in de zin van de Omgevingswet.
[…]
Als u niet, niet tijdig of niet volledig aan de opgelegde last voldoet, dan verbeurt u een dwangsom van € 20.000,00 (twintigduizend euro) per week of deel van de week dat de strijdige situatie voortduurt, met een maximum van € 100.000,00 (honderdduizend euro).”
5.1.
Bij besluit van 16 april 2024 heeft het college het verzoek van eiseres om opschorting van de begunstigingstermijn tot zes weken na het nemen van een besluit op de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, afgewezen.
5.2.
In de uitspraak van rechtbank Gelderland van 17 april 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van eiseres om een voorlopige voorziening (in de vorm van een schorsing van het besluit van 20 maart 2024) afgewezen.
5.3.
In de beslissing op bezwaar van 4 juli 2024 heeft het college, in navolging en overname van het advies van de commissie bezwaarschriften, het bezwaar van eiseres tegen de lasten onder dwangsom ongegrond verklaard en deze in stand gelaten. Volgens het college is het besluit op goede gronden genomen en zijn er geen bijzondere omstandigheden om van handhavend optreden af te zien.
5.4.
Eiseres is hiertegen in beroep gegaan.
Invorderingsbesluit van 5 maart 2025
5.5.
Het college heeft geconstateerd dat Lisuda Vastgoed niet aan de opgelegde lasten van 20 maart 2024 heeft voldaan.
5.6.
Na eerst op 7 januari 2025 een voornemen tot invordering van verbeurde dwangsommen aan Lisuda Vastgoed te hebben gestuurd, en eiseres in de gelegenheid te hebben gesteld om een zienswijze in te dienen, heeft het college op 5 maart 2025 besloten het verbeurde bedrag van in totaal € 150.000,- in te vorderen.
5.7.
Eiseres is hiertegen in bezwaar gekomen op 15 april 2025, met aanvulling van de inhoudelijke bezwaargronden op 14 mei 2025.
5.8.
Het bezwaar van eiseres tegen het invorderingsbesluit is door het college doorgezonden aan de rechtbank en maakt op grond van artikel 5:39 eerste Pro lid van de Algemene wet bestuursrecht van rechtswege onderdeel uit van deze beroepsprocedure.
Ontvankelijkheid beroep tegen de last onder dwangsom
6. Het college betoogt dat het beroep van eiseres tegen het handhavingsbesluit niet-ontvankelijk is. Op 13 augustus 2024 is namens Lisuda Vastgoed B.V. pro forma beroep ingesteld. De beroepsgronden, die op 5 september 2024 zijn ingediend, komen echter van een andere rechtspersoon, namelijk van [restaurant] B.V. Formeel juridisch gezien heeft eiseres dus geen gronden van beroep ingediend.
6.1.
De gemachtigde van Lisuda Vastgoed B.V. heeft op de zitting toegelicht dat sprake is van een vergissing. Er spelen meerdere juridische procedures tussen Lisuda Vastgoed B.V. en het college en tussen [restaurant] B.V. en het college. Daarin staan het perceel aan de [adres ] en het daarop aanwezige restaurant [restaurant] centraal. [gemachtigde] treedt voor beide rechtspersonen op als gemachtigde. Per abuis zijn de namen van de betrokken rechtspersonen bij het indienen van de gronden door elkaar gehaald.
6.2.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de identiteit van degene namens wie beroep wordt ingesteld kenbaar moet zijn voor afloop van de beroepstermijn. [6]
6.3.
De rechtbank stelt vast dat het pro forma beroepschrift is gedateerd op 13 augustus 2024 en ook op diezelfde dag bij de rechtbank is binnengekomen. Het pro forma beroepschrift begint met de woorden:
"Namens mijn cliënte Lisuda Vastgoed B.V. richt ik mij tot u middels onderhavig pro forma beroepschrift. Cliënte heeft mij verzocht namens haar beroep in te stellen tegen bijgevoegd besluit d.d. 4 juli 2024. Het betreft een beslissing op bezwaar van het college van de gemeente Ermelo. Het bezwaar is gericht tegen het opleggen van lasten onder dwangsom d.d. 20 maart 2024.”Daarmee is de identiteit van degene namens wie het beroep wordt ingesteld, namelijk Lisuda Vastgoed B.V., komen vast te staan.
6.4.
Vervolgens heeft de rechtbank op 5 september 2024, dus binnen de door de rechtbank gestelde termijn, een aanvullend processtuk ontvangen, met als onderwerp:
“Gronden van beroep.”Hoewel dit stuk begint met de woorden:
“Namens mijn cliënte [restaurant] richt ik mij tot u middels onderhavig beroepschrift. Cliënte heeft mij verzocht namens haar beroep in te stellen tegen bijgevoegd besluit d.d. 4 juli 2024.”eindigt de eerste alinea als volgt:
“Ik diende al eerder pro forma beroep in, de zaak is bij u bekend onder bovenvermeld zaaknummer (ARN 24 / 5510).”Hieruit blijkt dat met dit stuk wordt voortgebouwd op het eerder door Lisuda Vastgoed B.V. ingestelde beroep, dat bij de rechtbank is geregistreerd onder zaaknummer ARN 24 / 5510 GEMWT. De rechtbank oordeelt daarom dat aannemelijk is dat sprake is van een verschrijving in de eerste zin van het aanvullende processtuk, en dat de beroepsgronden zijn aangevoerd door degene die het pro forma beroepschrift heeft ingediend, Lisuda vastgoed B.V. Het betoog van het college (en ook de derde-partij) slaagt daarom niet. Eiseres is ontvankelijk in deze procedure.
6.5.
Overigens stelt de rechtbank vast dat wat betreft het aanleveren van gronden geen sprake is van verzuim. Deze zijn tijdig, in vervolg op het pro-forma beroepschrift en binnen de gestelde termijn aangeleverd. Eventueel zou de verwarring over de naam en het adres van de indiener als verzuim kunnen worden aangemerkt. Dit kan echter niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het beroep, omdat eiseres eerst in de gelegenheid moet (of had moeten) worden gesteld om het geconstateerde verzuim te herstellen. Bovendien is de naamsverwarring opgehelderd door de toelichting van eiseres op de zitting.
Is er sprake van een overtreding?
7. Tussen partijen is niet in geschil dat de feitelijke parkeersituatie aan de [adres ] (bij restaurant [restaurant] ) ten tijde van het primaire besluit in strijd was met het omgevingsplan Ermelo. Zo werd in strijd met het omgevingsplan parkeergelegenheid geboden op een voor ‘Groen’ bestemd perceeldeel en waren er binnen de bestemming ‘Horeca’ geen 29 parkeerplaatsen gerealiseerd die qua uitvoering voldeden aan de Nota Parkeernormen Ermelo. Verder is niet in geschil dat verzoekster niet beschikt over een omgevingsvergunning om van het omgevingsplan af te wijken. Er is dan ook geen discussie over het overtreden van artikel 5.1, eerste lid, onder sub a, van de Ow, wat betekent dat het college in beginsel dus bevoegd en verplicht was om handhavend op te treden.
Beginselplicht tot handhaving
8. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, [7] geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak. [8] Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.
8.1.
Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
Zijn er bijzondere omstandigheden om van handhaving af te zien?
Concreet zicht op legalisatie
9. Eiseres betoogt dat van handhaving moet worden afgezien omdat sprake is van concreet zicht op legalisatie. Daartoe voert zij aan dat er nog een beroepsprocedure loopt tegen de afwijzing van een aanvraag voor een (legaliserende) omgevingsvergunning voor de 12 parkeerplaatsen in de groenstrook van het perceel. Volgens eiseres is deze aanvraag op oneigenlijke gronden afgewezen. Eiseres verwacht dat dit besluit in beroep vernietigd zal worden en dat de weg naar legalisatie daarmee wordt opengesteld.
9.1.
Het college betwist dat sprake is van concreet zicht op legalisatie. Het college stelt zich op het standpunt dat voor het aannemen van concreet zicht op legalisatie niet alleen is vereist dat er een aanvraag omgevingsvergunning is gedaan, maar ook dat er de bereidheid moet zijn om medewerking te verlenen aan de gevraagde afwijking van het bestemmingsplan. En die bereidheid was en is er bij het college niet.
9.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank licht dat hieronder toe.
9.3.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) volgt dat in situaties waarin sprake is van met het bestemmingsplan strijdige gebruik van gronden, het voor het aannemen van concreet zicht op legalisering voldoende is dat een aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend en het college bereid is om deze te verlenen. [9]
9.4.
Het staat vast dat eiseres op 31 augustus 2023 een omgevingsvergunning heeft aangevraagd voor het realiseren van 12 parkeerplaatsen voor restaurant [restaurant] , binnen de als ‘Groen’ bestemde strook van het perceel. Bij besluit van 14 december 2023 heeft het college de aanvraag afgewezen. Hieruit is af te leiden dat het college niet bereid is om afwijking van het bestemmingsplan door middel van een omgevingsvergunning toe te staan. Het college heeft dit standpunt expliciet herhaald in zijn aan gemachtigde van eiser gerichte bericht van 13 juni 2024, waarin het college zich in principe uitspreekt tegen het verlenen van medewerking aan het verzoek van eiseres voor het realiseren van parkeerplaatsen in de bestemming ‘Groen’ ten behoeve van de aanwezige horecagelegenheid op het perceel. Het college heeft vervolgens in zijn beslissing op bezwaar van 4 juli 2024 de afwijzing van de aanvraag in stand gelaten. Omdat het college daarnaast in het verweerschrift en ook nog op zitting duidelijk heeft gemaakt dat het niet bereid is om de groenstrook op te heffen ten gunste van parkeerplaatsen, ligt ook een eventuele omgevingsvergunning binnen het kader van de Omgevingswet vooralsnog niet in de lijn der verwachtingen. De rechtbank is daarom van oordeel dat van concreet zicht op legalisatie (ten tijde van het bestreden besluit) geen sprake is. Het betoog van eiseres slaagt niet.
Is handhavend optreden onevenredig?
10. Eiseres betoogt dat handhavend optreden onevenredig zou uitpakken. De nadelige financiële consequenties voor het restaurant in geval van handhaving staan niet in verhouding tot de in mindere mate aangetoonde benadeling van het algemeen belang bij afzien van handhaving.
10.1.
De beroepsgrond slaagt niet.
10.2.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de omstandigheid dat het handhavend optreden mogelijk ernstige financiële gevolgen heeft voor degene die aan de last moet voldoen, op zichzelf geen grond is voor het oordeel dat dit optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. [10] Er is ook niet gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat handhaving zodanig onevenredig zou uitpakken dat van handhaving moet worden afgezien. Het betoog van eiseres dat zij in een spagaat zit, omdat zij ter voorkoming van het verbeuren van dwangsommen óf het restaurant gesloten moet houden óf de aangelegde Thaise tuin aan de zij- en achterkant van het restaurant moet ‘slopen’, is onvoldoende om van deze lijn af te wijken en het financiële belang van eiseres zwaarder te laten wegen dan het algemeen belang van handhaving. Bovendien heeft het college eiseres enkel gelast om de strijdigheid met het omgevingsplan te beëindigen. Het college heeft een aantal mogelijkheden gegeven hoe eiseres dat zou kunnen doen, maar die zijn niet per sé dwingend of limitatief. Het staat eiseres vrij om met een andere oplossing te komen, mits die niet leidt tot strijdigheid met het omgevingsplan. Verder speelt mee dat eiseres op eigen initiatief heeft besloten om het terrein, in afwijking van het bestemmingsplan en de voor het restaurant verleende vergunning, anders in te richten. Namelijk door het oorspronkelijk voor parkeren aangewezen gebied als Thaise tuin in te richten. Daarnaast heeft eiseres bij herhaling niet voldaan aan de planregels die over parkeren gaan en of aan eerdere handhavingsbesluiten die vanaf 2020 zijn genomen. Dan is het niet onlogisch dat de uit die keuzes voortvloeiende financiële risico’s voor rekening van eiseres zijn. Bovendien heeft eiseres de gestelde financiële gevolgen ook niet met concrete stukken nader inzichtelijk gemaakt of onderbouwd. Het betoog van eiseres slaagt dus niet.

Het invorderingsbesluit

Is de last overtreden?
11. De rechtbank begrijpt het betoog van eiseres zo dat zij stelt dat niet is komen vast te staan dat de last is overtreden. Daartoe voert zij aan dat over de ontstane situatie al geruime tijd sprake is van overleg met het college. Volgens eiseres heeft het college daarom prematuur en onrechtmatig tot de overtreding van de lasten besloten.
11.1.
De beroepsgrond slaagt niet.
11.2.
In het controlerapport van 11 oktober 2024 heeft de toezichthouder naar aanleiding van de controle van het perceel op 3 oktober 2024 onder meer het volgende geconcludeerd:
“In de brief van 20 maart 2024, kenmerk 02330000206979, is een tweetal lasten onder dwangsom opgelegd. De eerste last onder dwangsom houdt (samengevat) in dat de strook grond met de bestemming ‘groen’ niet mag worden gebruikt om daar te (laten) parkeren en dat de grasbetonblokken verwijderd moeten zijn en verwijderd moeten blijven.
Uit deze controle op de feitelijke situatie blijkt dat niet is voldaan aan deze opgelegde last onder dwangsom.
De tweede last onder dwangsom houdt (samengevat) in dat er 29 parkeerplaatsen aanwezig dienen te zijn die voldoen aan de maatvoering conform paragraaf 3.5 van de Nota Parkeernormen Ermelo. Uit de feitelijke situatie is niet op te maken dat er 29 parkeerplaatsen aanwezig zijn die voldoen aan paragraaf 3.5 van de Nota Parkeernormen. Bovendien is de feitelijke situatie niet conform de op 27 september 2024 verstrekte inrichtingstekening en is ook niet gebleken dat de inrichtingstekening voldoet aan de geldende wet- en regelgeving (omgevingsplan - bestemmingsplan - nota Parkeernormen
- CROW richtlijnen).”
Naar aanleiding van de controle op 10 oktober 2024 heeft de toezichthouder als volgt geschreven:
“Ter plaatse zag ik dat er enkele voertuigen op de parkeerplaats stonden.”
Op 14 oktober 2024 heeft de toezichthouder als volgt geconstateerd:
“Ik heb vervolgens een aantal foto’s gemaakt van de gecreëerde parkeerplaatsen/ parkeerterrein in de horeca bestemming (foto 1 t/m 10) en groen bestemming (foto 8). De feitelijke situatie van het parkeerterrein is hetzelfde zoals ik deze aantrof tijdens de controle op datum: 3 oktober2024. Hierbij is op 14 oktober 2024 opnieuw vastgesteld, net als in de controle van 3 oktober 2024, dat niet is voldaan aan de twee lasten onder dwangsom van 20 maart 2024.”
Op 21 oktober 2024, 4 november 2024 en 11 november 2024 is de toezichthouder weer ter plekke geweest en heeft in zijn bevindingen genoteerd dat de feitelijke situatie van het parkeerterrein hetzelfde is als tijdens de eerdere controles. Daarbij heeft de toezichthouder telkenmale
“vastgesteld, net als in de controle van 3 oktober 224, dat niet is voldaan aan de twee lasten onder dwangsom van 20 maart 2024.”
11.3.
Als uitgangspunt geldt dat een bestuursorgaan, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, in beginsel mag afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend rapport, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het rapport weergeven. Als die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. [11]
11.4.
De rechtbank oordeelt dat het college zich bij haar besluit dat de lasten zijn overtreden heeft mogen baseren op de rapportages van bovenstaande bevindingen van de toezichthouder. Eiseres heeft de inhoud van de rapportages niet gemotiveerd betwist. Uit de rapportages volgt dat in weerwil van de last, bezoekers (soms) nog steeds in de groenstrook parkeerden, dat niet alle grasbetonblokken verwijderd zijn en dat bovendien geen 29 parkeerplaatsen binnen de bestemming ‘Horeca’ zijn gerealiseerd. Omdat daarnaast restaurant [restaurant] per 2 oktober 2024 weer open is gegaan, is vast komen staan dat de lasten overtreden zijn. Eventueel overleg tussen eiseres en het college doet aan die overtreding niets af. Het betoog van eiseres slaagt niet.
Beginselplicht tot invordering
12. Bij een besluit over invordering van een verbeurde dwangsom moet aan het belang van die invordering veel gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van de oplegging van een last onder dwangsom. Een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dat verbeurde dwangsommen dus worden ingevorderd. Alleen in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.
Zijn er bijzondere omstandigheden om van invordering af te zien?
13. Eiseres betoogt dat het college vanwege bijzondere omstandigheden van invordering van de vermeende verbeurde dwangsommen had moeten afzien. Daartoe voert eiseres aan dat sprake is van concreet zicht op legalisatie van de situatie. Daarnaast zijn de dwangsommen buitenproportioneel hoog en is er nog steeds sprake van overleg tussen eiseres en het college. Tot slot voert eiseres nog aan dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat het college in een zaak die speelde rondom appartementen aan de [adres 2] in Ermelo de te innen dwangsom van € 500.000 heeft gehalveerd.
13.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college geheel of gedeeltelijk van invordering af had moeten zien. De rechtbank licht dit hieronder toe.
Concreet zicht op legalisatie
13.2.
Het betoog van eiseres dat van invordering moet worden afgezien, omdat zij verwacht dat de situatie gelegaliseerd zal worden, is een beroepsgrond die gericht is tegen de opgelegde last. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [12] volgt dat een belanghebbende in de procedure tegen een invorderingsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom of last onder bestuursdwang naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dat kan alleen in uitzonderlijke gevallen. De rechtbank heeft hiervoor (in de procedure tegen de last onder dwangsom) al geoordeeld dat de last in stand blijft, ondanks het betoog van eiseres in die procedure dat er zicht zou zijn op legalisatie van de situatie. Daarnaast is van uitzonderlijke omstandigheden niet gebleken. Het betoog van eiseres slaagt daarom niet.
Hoogte van de ingevorderde dwangsommen buitenproportioneel
13.3.
Ook het betoog van eiseres dat zij de dwangsom te hoog vindt in verhouding tot de overtreding, is een beroepsgrond gericht tegen de last zelf die in de procedure tegen een invorderingsbesluit niet meer aan de orde kan worden gesteld. De hoogte van de dwangsom is bepaald bij het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom van 20 maart 2024. In de door eiseres gevoerde beroepsprocedure tegen de opgelegde lasten onder dwangsom, heeft zij niet geageerd tegen de hoogte van de dwangsom. Omdat de rechtbank hiervoor heeft besloten dat de last in stand blijft en van uitzonderlijke omstandigheden niet is gebleken, slaagt dit betoog van eiseres niet.
13.4.
Voor zover eiseres betoogt dat de invordering van de dwangsom om financiële redenen onevenredig zou zijn, slaagt dit betoog ook niet. In de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2019 [13] is overwogen dat het bestuursorgaan bij een besluit over invordering van een verbeurde dwangsom in beginsel geen rekening hoeft te houden met de financiële draagkracht van de overtreder. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat slechts aanleiding, indien evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsommen (volledig) te betalen. Op de overtreder rust de last om aannemelijk te maken dat dit het geval is. Hij dient daartoe zodanige informatie te verstrekken dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verbeurde dwangsommen zou hebben. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze situatie zich in haar geval voordoet. Uit de enkele opmerking dat de hoogte van de verbeurde dwangsom buitenproportioneel is kan, zonder nadere toelichting of onderbouwing met concrete stukken die ontbreekt, al niet worden afgeleid dat zij over onvoldoende vermogen beschikt om de verbeurde dwangsommen te betalen. [14]
Gelijkheidsbeginsel
13.5.
Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient sprake te zijn van gelijke gevallen die ongelijk behandeld worden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres onvoldoende onderbouwd en gemotiveerd dat van gelijke gevallen sprake is. Daardoor kan het betoog van eiseres dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld, door in het geval van de bouw van appartementen aan de [adres 2] de daarbij verbeurde dwangsommen van € 500.000,- wel te matigen en daar in de voorliggende zaak van af te zien, niet slagen.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de last onder dwangsom en het invorderingsbesluit in stand blijven en dat eiseres gehouden is om het door het college ingevorderde bedrag te betalen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
3.Kadastraal bekend als Perceel Ermelo (EMLOO), sectie [sectie] , nummer [nummer] .
4.Bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer ARN 24/7082.
5.In het bijzonder artikel 7 van Pro het bestemmingsplan ‘De Driehoek 2016’ (dat gaat over de bestemming van de als ‘Groen’ en artikel 3.1.1 van de ‘Parkeernormen’, waarin is bepaald dat aan de gemeentelijke parkeernormen, de Nota Parkeernormen Ermelo, moet worden voldaan.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2562
8.Uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:177.
10.Zie de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3554.
11.Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2675.
12.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466.
13.Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:333.
14.Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 12 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5480.