ECLI:NL:RBGEL:2026:5031

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
521062425
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 63 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77m Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van rechtsvervolging wegens geslaagd noodweerverweer en werkstraf voor winkeldiefstallen

Op 9 juli 2025 ontstond in Nijmegen een vechtpartij waarbij verdachte werd belaagd met messen. Verdachte sloeg terug met een aluminium wandelstok met scherpe onderkant. De rechtbank oordeelde dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en dat het handelen van verdachte proportioneel was, waardoor het noodweerverweer slaagde en verdachte werd ontslagen van alle rechtsvervolging voor poging zware mishandeling.

Verdachte werd vrijgesproken van het bezit van een zakmes omdat onvoldoende bewijs was dat hij het mes had weggegooid. Voor drie winkeldiefstallen, gepleegd in Apeldoorn en Nijmegen, werd verdachte veroordeeld tot een werkstraf van 40 uur, met aftrek van voorarrest. Vanwege de lange voorarrestperiode hoeft verdachte de werkstraf niet meer uit te voeren.

De rechtbank verlengde de proeftijd van een eerder opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie met één jaar en wijzigde de bijzondere voorwaarden om de recidivekans te verlagen en begeleiding voort te zetten. De straf en maatregelen zijn mede gebaseerd op het advies van de Raad voor de Kinderbescherming, die de positieve ontwikkeling van verdachte benadrukte.

Uitkomst: Verdachte wordt ontslagen van rechtsvervolging voor poging zware mishandeling, vrijgesproken van bezit zakmes en veroordeeld tot werkstraf met verlenging proeftijd.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers : 05/210624-25; 05/243830-25; 05/297924-25 en
05/345033-25 + 05/338408-24 (tul)
Datum uitspraak : 9 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] (Syrië),
wonende aan [adres] in [woonplaats] .
Raadsman: mr. O.N.J. Maatje, advocaat in Zaltbommel.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een terechtzitting achter gesloten deuren.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
in de zaak met parketnummer 05/210624-25hij op of omstreeks 9 juli 2025 te Nijmegen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] eenmaal of meermalen met een (deel van een) wandelstok van aluminium, althans een langwerpig voorwerp, tegen het hoofd, in elk geval tegen het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair:
hij op of omstreeks 9 juli 2025 te Nijmegen [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] eenmaal of meermalen met een (deel van een) wandelstok van aluminium, althans een langwerpig voorwerp, tegen het hoofd, in elk geval tegen het lichaam te slaan;
in de zaak met parketnummer 05/243830-25
hij op of omstreeks 14 september 2025 te Nijmegen, terwijl hij de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een zakmes, voorhanden heeft gehad;
in de zaak met parketnummer 05/297924-25
1.
hij op of omstreeks 6 november 2025 te Apeldoorn een parfum, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] (gelegen aan [adres] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op of omstreeks 6 november 2025 te Apeldoorn een of meerdere kledingstukken, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
in de zaak met parketnummer 05/345033-25
hij op of omstreeks 11 december 2025 te Nijmegen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, parfum, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] Nijmegen, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

2.Het onderzoek ter terechtzitting

Verdachte heeft meerdere dagvaardingen ontvangen. De rechtbank behandelt alle feiten op deze dagvaardingen gevoegd.

3.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

in de zaak met parketnummer 05/210624-25 (poging tot zware mishandeling) [1]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 9 juli 2025 werden verdachte en zijn vrienden in Nijmegen aangesproken door drie jongens, [naam 1] , [naam 2] en [slachtoffer] . Deze confrontatie is uitgelopen op een vechtpartij, waarbij [slachtoffer] een mes heeft getrokken en stekende bewegingen in de richting van verdachte heeft gemaakt. Verdachte is in zijn hoofd, boven zijn oor geraakt. Ook [naam 2] heeft stekende bewegingen richting verdachte gemaakt. Verdachte is weggerend over het zebrapad, werd achternagelopen door enkele jongens en is bij zijn shirt gegrepen door [naam 2] . Vervolgens zijn twee jongens op een fiets komen aanrijden. De jongen achterop had een stok bij zich. Even later heeft verdachte de stok in handen. Verdachte heeft [slachtoffer] meerdere keren met de stok geslagen. [2] De stok waarmee is geslagen, is een deel van een aluminium wandelstok. [3]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit (poging tot zware mishandeling).
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van het primair tenlastegelegde, omdat een licht(e) (restant van een) wandelstok geen deugdelijk middel is voor het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Hoogstens kan de subsidiair ten laste gelegde mishandeling bewezen worden verklaard.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat verdachte op 9 juni 2025 in Nijmegen [slachtoffer] meerdere malen met een aluminium stok heeft geslagen. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is hoe dit slaan met de stok juridisch gekwalificeerd kan worden.
De rechtbank stelt vast dat verdachte in de richting van het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen [4] door meerdere malen de stok boven zijn hoofd te heffen en met kracht een slaande beweging te maken. [5] Aan de stok, waarmee verdachte heeft geslagen, zat een scherpe onderkant. [6]
Door zo te handelen heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] ten gevolge van deze handelingen zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.
Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar deel van het menselijk lichaam is met vitale structuren. Door meerdere malen hard met een stok met daaraan een scherpe rand op en in de richting van iemands hoofd te slaan is er een aanmerkelijke kans op letsel met langdurig of zelfs permanente gevolgen. Dat de stok licht was, doet daaraan niet af. Wanneer de (scherpe) onderkant van de stok met kracht kwetsbare delen van het gezicht raakt, bestaat, kan dit ernstig letsel veroorzaken aan bijvoorbeeld het gezichtsvermogen, gehoor of gebit. Ook is de kans op ontsierende littekens in het gezicht geenszins ondenkbaar.
De rechtbank komt tot de conclusie dat sprake is van een poging tot zware mishandeling en zal het primair tenlastegelegde bewezen verklaren.
in de zaak met parketnummer 05/243830-25 (een zakmes voorhanden hebben) [7]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit. Verbalisant [verbalisant 1] heeft niet gezien wat verdachte weggooide en is ervan uitgegaan dat het een mes was. De andere verbalisanten hebben deze gedachte overgenomen. Subsidiair heeft de raadsman eveneens vrijspraak bepleit. Het gevonden mes was geen verboden wapen. De omstandigheden waren niet zodanig dat gesproken kan worden van een dreigende situatie.
Beoordeling door de rechtbank
Op 14 september 2025 heeft de politie, na een melding van een incident, drie jongens aangesproken. Verbalisant [verbalisant 1] heeft toen gezien dat verdachte twee stappen uit de groep zette richting een fietsenrek en iets zilverkleurigs weggooide in de richting van de fietsen. De verbalisant kon niet goed zien wat het was, maar hij hoorde een ijzerachtig voorwerp op de grond vallen en vermoedde dat het om een mes ging. De verbalisant heeft aan collega [verbalisant 2] gevraagd of zij het zilverkleurig voorwerp op de aangewezen plek wilde oppakken. [verbalisant 2] zag op de aangewezen plek onder een medaille een mes liggen. Verdachte heeft vanaf het begin gezegd dat hij niets heeft weggegooid. Ook ter terechtzitting heeft verdachte herhaald dat hij niets heeft weggegooid en dat het mes niet van hem was.
De stellige ontkenning van verdachte vanaf het eerste moment in combinatie met het feit dat het mes is aangetroffen
óndereen ander voorwerp (medaille), maakt dat de rechtbank twijfelt over de gestelde toedracht en conclusies. De rechtbank kan met onvoldoende zekerheid vaststellen dat verdachte een mes heeft weggegooid.
De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het tenlastegelegde.
in de zaak met parketnummer 05/297924-25 [8]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan beide winkeldiefstallen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen opmerkingen gemaakt over het bewijs, Hij heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
feit 1(winkeldiefstal bij [bedrijf] in Apeldoorn)
Verdachte heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen
  • het proces-verbaal van aangifte namens [bedrijf] , p. 11 en 12;
  • de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 9 juni 2026.
feit 2 (winkeldiefstal bij [bedrijf] in Apeldoorn)
Verdachte heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen
  • het proces-verbaal van aangifte namens [bedrijf] , p. 8 t/m 10;
  • de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 9 juni 2026.
in de zaak met parketnummer 05/345033-25 (winkeldiefstal in vereniging bij [bedrijf] in Nijmegen) [9]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de winkeldiefstal.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman geen opmerkingen gemaakt over het bewijs. Hij heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Verdachte heeft dit feit bekend. Daarom zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt (ex artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
Bewijsmiddelen
  • het proces-verbaal van aangifte namens [bedrijf] Nijmegen, p. 7 t/m 9;
  • het proces-verbaal van bevindingen, p. 13 en 14;
  • het proces-verbaal van bevindingen, p. 20;
  • de verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 9 juni 2026.

4.De bewezenverklaring

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 05/210624-25, en het tenlastegelegde in de zaken met parketnummers 05/297924-25 en 05/345033-25 heeft gepleegd. Bewezen kan worden dat:
in de zaak met parketnummer 05/210624-25hij op
of omstreeks9 juli 2025 te Nijmegen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer]
eenmaal ofmeermalen met een
(deel van een
)wandelstok van aluminium
, althans een langwerpig voorwerp,tegen het hoofd
, in elk geval tegen het lichaamheeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
in de zaak met parketnummer 05/297924-25
1.
hij op
of omstreeks6 november 2025 te Apeldoorn een parfum
, in elk geval enig goed,dat
/die geheel of ten deleaan [bedrijf] (gelegen aan [adres] )
, in elk geval aan een andertoebehoorde
(n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op
of omstreeks6 november 2025 te Apeldoorn
een ofmeerdere kledingstukken
, in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan [bedrijf]
, in elk geval aan een andertoebehoorde
(n
)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
in de zaak met parketnummer 05/345033-25
hij op
of omstreeks11 december 2025 te Nijmegen tezamen en in vereniging met een
of meerander
en, althans alleen,parfum,
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan [bedrijf] Nijmegen
, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde
(n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
in de zaak met parketnummer 05/210624-25primair:
poging tot zware mishandeling;
in de zaak met parketnummer 05/297924-25
feit 1
diefstal;
feit 2
diefstal;
in de zaak met parketnummer 05/345033-25
diefstal in vereniging.

6.De strafbaarheid van de feiten

in de zaak met parketnummer 05/210624-25
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gesteld dat verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt. Verdachte is belaagd, met een mes gestoken, en daarna opnieuw belaagd. Er was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Verdachte heeft zich noodzakelijkerwijs en proportioneel verdedigd door met een wandelstok te slaan. Voor zover verdachte buiten proportioneel zou hebben gehandeld, heeft de raadsman een beroep op noodweerexces gedaan.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is van mening dat verdachte uit zelfverdediging heeft gehandeld. Het slaan met de bewuste stok was een passende manier voor verdachte om zichzelf tegen de voortdurende aanval, waarbij verdachte nadat hij was gestoken nog voortdurend werd belaagd, mocht verdedigen.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte en zijn vrienden zijn aangesproken door drie jongens (rechtbank: [naam 1] , [naam 2] en [slachtoffer] ). Volgens getuige [getuige] zijn die jongens begonnen met duwen en bleven zij achter de vriendengroep aanlopen. Volgens getuigen [getuige] , [naam 3] en [naam 4] zijn de jongens, dan wel één van hen (rechtbank: [naam 2] ), begonnen met slaan. Verdachte en zijn vrienden zijn weggelopen, maar de jongens kwamen terug en hebben opnieuw geslagen.
Uit camerabeelden en processen-verbaal van herkenning door verbalisanten volgt dat er een vechtpartij is ontstaan, waarbij door [naam 2] en [slachtoffer] verschillende (steek)bewegingen werden gemaakt in de richting van verdachte. Verdachte werd hierbij bij zijn oor geraakt. Verdachte is weggelopen, maar [naam 2] en [naam 1] bleven de confrontatie met verdachte opzoeken. Verdachte is blijven weg bewegen. Naar het lijkt om niet fysiek in contact te komen met de jongens. Er is vervolgens, nadat [naam 2] wederom het contact met verdachte opzocht, een worsteling tussen verdachte en [naam 2] ontstaan. In beeld komen dan twee jongens op een fiets. De jongen achterop had een stok vast. Kort daarna had verdachte de stok in zijn hand en heeft daarmee meerdere keren in de richting van [slachtoffer] geslagen. Ter plaatse en in de buurt van [naam 1] zijn twee messen aangetroffen.
Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat kort voor het slaan door verdachte sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van (het lijf van) verdachte, waartegen verdachte zich mocht verdedigen. De rechtbank komt hiermee tot het oordeel dat sprake was van een noodweersituatie.
De handeling van verdachte – het slaan met de stok – kan worden aangemerkt als een verdedigingshandeling. Verdachte kon zich niet direct aan de aanranding onttrekken door (bijvoorbeeld) te vluchten. Omdat verdachte achterna werd gezeten door drie jongens, waarvan waarschijnlijk twee jongens met mes, bestond daartoe voor verdachte geen reële en redelijke mogelijkheid. Verdachte heeft wel geprobeerd om bij de jongens weg te komen, maar de jongens zochten verdachte telkens opnieuw op. Niemand bood bovendien hulp aan verdachte; hij stond er alleen voor. Dat verdachte zelf (telefonisch) zou hebben gevraagd om een stok te brengen is op basis van het dossier niet vast te stellen. De wijze van verdediging, het slaan met een lichte aluminium stok, stond in redelijke verhouding tot de hiervoor beschreven belaging.
Dit betekent dat het beroep op noodweer slaagt. De rechtbank acht het bewezenverklaarde niet strafbaar en zal verdachte dan ook ontslaan van alle rechtsvervolging.
in de zaken met parketnummer 05/297924-25 en 05/345033-25
De feiten in de zaken met parketnummer 05/297924-25 en 05/345033-25 zijn strafbaar.

7.De strafbaarheid van de verdachte

in de zaken met parketnummer 05/297924-25 en 05/345033-25
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

8.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft - voor zover hier van belang - gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van 30 dagen voor de feiten onder parketnummer 05/297924-25 en 05/345033-25.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat bij de oplegging van straf wordt voorzien in de nodige hulp en begeleiding.
De beoordeling door de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de inhoud van de volgende stukken:
  • het uittreksel justitiële documentatie van 12 mei 2026 (het strafblad),
  • het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 3 juni 2026.
In het bijzonder neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Strafblad
Verdachte is eerder veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder winkeldiefstal. Artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht is van toepassing.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie winkeldiefstallen. Winkeldiefstal is een hinderlijk feit dat schade en overlast voor winkeliers veroorzaakt.
Het advies van de Raad voor de Kinderbescherming
Verdachte is een alleenstaande minderjarige vluchteling met een zeer belaste voorgeschiedenis van oorlog en geweld. Er zijn zorgen op nagenoeg alle leefgebieden. Het perspectief van verdachte op een toekomst in Nederland is onzeker. Sinds de schorsing uit de voorlopige hechtenis heeft verdachte een positieve ontwikkeling door gemaakt. Hij staat meer open voor hulp en begeleiding. Verdachte is op zijn plek op de huidige woonplek. Verdachte heeft laten zien dat hij een baan kan hebben en intensief kan werken. Na een officiële waarschuwing is verdachte meer gemotiveerd geraakt voor behandeling (gericht op emotieregulatie) en delict besprekingen bij Kairos.
De kans op herhaling wordt ingeschat als gemiddeld. Om deze herhalingskans te verlagen is het belangrijk om de huidige hulp en begeleiding te continueren. De Raad adviseert om de hulp en begeleiding mogelijk te maken door de proeftijd van de voorwaardelijk opgelegde straf onder parketnummer 05/338408-24 (tul) te verlengen met een wijziging van de voorwaarden. De volgende voorwaarden zouden voor verdachte moeten gelden:
- meewerken aan hulpverlening;
- meewerken aan daginvulling en zich houden aan afspraken over daginvulling en vrijetijdsbesteding;
- meewerken aan een verblijf bij [instelling] ;
- meewerken aan diagnostiek en behandeling bij Kairos;
- meewerken aan (urine) controles om eventueel alcohol- en/of drugsgebruik te signaleren;
- meewerken aan verslavingsbehandeling bij Iriszorg.
Verder adviseert de Raad om een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen zodat verdachte een consequentie van zijn gedrag kan ervaren.
Alles afwegende legt de rechtbank een werkstraf van 40 uur op. Voor het plegen van winkeldiefstallen is, gezien ook verdachtes strafblad, een werkstraf in beginsel de meest aangewezen en gangbare strafmodaliteit. Van de 40 uur werkstraf zal de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht worden afgetrokken. Verdachte heeft zo lang in voorarrest verbleven (doordat bij het bevelen van de voorlopige hechtenis nog werd uitgegaan van een verdenking van poging tot doodslag) dat verdachte na aftrek feitelijk geen werkstraf meer hoeft uit te voeren.

9.De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 05/338408-24)

De rechtbank heeft verdachte bij (inmiddels onherroepelijk) vonnis van 17 februari 2025 veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke jeugddetentie van 6 maanden, met een proeftijd van twee jaar.
De officier van justitie vordert dat de proeftijd van de voorwaardelijk opgelegde straf wordt verlengd met één jaar. Dit is ook mogelijk ook al wordt verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 05/243830-25 waaraan de vordering tenuitvoerlegging oorspronkelijk is gekoppeld. Uit het arrest ECLI:NL:HR:2021:400 volgt dat een vordering tot tenuitvoerlegging die gekoppeld is aan één bepaalde zaak op alle (gevoegde) zaken kan zien als die bedoeling ter zitting kenbaar is gemaakt. En dat is in onderhavige zaak het geval.
De raadsman heeft bepleit dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen. Het feit waaraan de vordering tot tenuitvoerlegging is gekoppeld, kan niet bewezen worden.
Beoordeling door de rechtbank
Uit artikel 6:6:21 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) volgt dat de rechterlijke beoordelingsvrijheid op de vordering tot tenuitvoerlegging haar begrenzing vindt in de grondslag van de vordering.
Het Openbaar Ministerie heeft in de vordering tot tenuitvoerlegging opgenomen dat de vordering is gekoppeld aan de zaak met parketnummer 05/243830-25. Verdachte is vrijgesproken van het in die zaak ten laste gelegde feit.
Ter terechtzitting heeft de rechtbank echter de feiten in alle zaken (met
parketnummers 05/210624-25, 05/243830-25, 05/297924-25 en 05/345033-25) gevoegd behandeld. Daarmee is in feite sprake geworden van één geheel waardoor de vordering tenuitvoerlegging ook zijn grondslag vindt in alle andere feiten. De rechtbank verwijst daarvoor naar ECLI:NL:HR:2019:677.
Daarnaast heeft de officier van justitie gedurende het onderzoek ter terechtzitting de vordering tot tenuitvoerlegging, conform artikel 6:6:4.6 Sv, mondeling gewijzigd in die zin dat de vordering gekoppeld is aan alle gevoegde zaken, waaruit volgt dat ook het openbaar ministerie haar bedoeling om de grondslag van de vordering te wijzigingen kenbaar heeft gemaakt.
Dat maakt dat de rechtbank, gelet op de bewezenverklaring van de feiten in de zaken met parketnummers 05/297924-25 en 05/345033-25, die in de proeftijd zijn gepleegd, kan overgaan tot een beoordeling van de vordering tot tenuitvoerlegging.
Verlenging proeftijd
De rechtbank ziet aanleiding om de bij vonnis van 17 februari 2025 aan de voorwaardelijke jeugddetentie verbonden proeftijd van twee jaren, met één jaar te verlengen. Met een verlenging van de proeftijd kan verdachte langer profiteren van de begeleiding en hulp die hem in het kader van de opgelegde bijzondere voorwaarden wordt geboden. De hulp en begeleiding is niet alleen in het belang van verdachte, maar ook noodzakelijk voor het verlagen van de recidivekans. De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden aanpassen zoals de Raad heeft geadviseerd.

10.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 47, 63, 77a, 77g, 77m, 77n, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

11.De beslissing

De rechtbank:

spreekt verdachte vrij van het onder parketnummer 05/243830-25 ten laste gelegde feit;
 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart
het bewezenverklaarde onder parketnummer 05/210624-25 niet strafbaaren
ontslaat verdachte voor dit feit van alle rechtsvervolging;
 verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde onder parketnummers 05/297924-25 en 05/345033-25;
 veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten
een werkstraf van 40 uren, met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen;
 beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht twee uur in mindering wordt gebracht;
beslissing over de vordering tot tenuitvoerlegging (05/338408-25)

verlengt de proeftijdals vermeld in het vonnis van de rechtbank van 17 februari 2025
met één jaar;

wijzigt de bijzondere voorwaardenals volgt:
- verdachte werkt mee aan hulpverlening indien en zolang als de jeugdreclassering dit nodig acht;
- verdachte houdt zich aan de afspraken met de jeugdreclassering over daginvulling (waaronder scholing) en vrijetijdsbesteding, zolang de jeugdreclassering dat nodig acht;
- verdachte werkt mee aan verblijf bij [instelling] of soortgelijke instelling en houdt zich aan de huisregels, voor zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
- verdachte werkt mee aan daginvulling zoals school en/of werk;
- verdachte werkt mee aan diagnostiek en behandeling bij Kairos of een soortgelijke instelling, voor zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
- verdachte werkt mee aan (urine)controles om eventueel alcohol en/of drugsgebruik te signaleren, wanneer de jeugdreclassering dit nodig acht;
- verdachte werkt mee aan verslavingsbehandeling bij IrisZorg of soortgelijke
Instelling, wanneer en voor zolang de jeugdreclassering dit nodig acht.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.G.J. Post (voorzitter en kinderrechter), mr. G.M.L. Tomassen en mr. A. Bril, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Damen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 juni 2026.
Mrs. Tomassen en Bril zijn buiten staat
dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025324718, Onderzoek Venezuela/ON51025004, gesloten op 11 september 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 44 t/m 48; de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 juni 2026.
3.Proces-verbaal van bevindingen, p. 11; proces-verbaal van bevindingen, p. 17 t/m 21.
4.Proces-verbaal van bevindingen, p. 68.
5.Proces-verbaal van bevindingen, p. 46; proces-verbaal van bevindingen, p. 54.
6.Proces-verbaal van bevindingen, p. 19 en 20.
7.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 4] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025445284, gesloten op 17 september 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
8.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 5] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025539094, gesloten op 10 november 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
9.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 6] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025599680, gesloten op 13 december 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.