ECLI:NL:RBGEL:2026:502

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
450909
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 2:11 BWArt. 2:9 BWArt. 706 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurdersaansprakelijkheid wegens schending Beklamel-norm bij tanken voor faillissement

De zaak betreft een vordering van een brandstofleverancier tegen de bestuurders van een failliete transportonderneming wegens schending van de Beklamel-norm. De leverancier had financiële ondersteuning geboden en een pandrecht gevestigd, waarvan later bleek dat het een tweede pandrecht betrof. Daarnaast werd brandstof geleverd in de periode vlak voor het faillissement.

De rechtbank overweegt dat voor bestuurdersaansprakelijkheid een persoonlijk ernstig verwijt vereist is. Het eerste verwijt, het vestigen van een tweede pandrecht terwijl een eerste pandrecht bestond, leidt niet tot aansprakelijkheid omdat partijen nog werkten aan een plan om het faillissement te voorkomen en de bestuurders niet wisten of behoorden te begrijpen dat de vennootschap niet zou kunnen betalen.

Het tweede verwijt, het afnemen van brandstof in de week voorafgaand aan het faillissement terwijl de bestuurders wisten dat betaling niet mogelijk was, leidt wel tot een schending van de Beklamel-norm. De bestuurders worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding en beslagkosten. De proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Bestuurders worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van schadevergoeding voor tanken vlak voor faillissement, maar niet voor het vestigen van een tweede pandrecht.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/450909 / HA ZA 25-173
Vonnis van 7 januari 2026
in de zaak van
[Bedrijf 1] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [Bedrijf 1] ,
advocaat: mr. B.L.J. Jaspers,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[gedaagde 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,
advocaat: mr. G.A.M.F. Galjé-Deckers.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 30 juli 2025
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 14 oktober 2025 met de daarin genoemde processtukken.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Waar gaat deze zaak over?

2.1.
[Bedrijf 1] , een leverancier van onder meer brandstoffen, heeft op enig moment aan transportonderneming [Bedrijf 2] , een vennootschap die in financiële problemen verkeerde, financiële ondersteuning geboden. Ter zekerheid van voldoening van haar betalingsverplichtingen heeft [Bedrijf 2] ten behoeve van [Bedrijf 1] een pandrecht gevestigd op een aantal bedrijfsmiddelen. Op [datum] 2025 is [Bedrijf 2] failliet verklaard.
2.2.
[Bedrijf 1] meent dat de bestuurders van [Bedrijf 2] de Beklamel-norm geschonden hebben, nu i) de bestuurders van [Bedrijf 2] [Bedrijf 1] bij het vestigen van het pandrecht hebben gegarandeerd dat [Bedrijf 1] een eerste pandrecht zou verkrijgen, terwijl dit een tweede pandrecht bleek te zijn, en ii) [Bedrijf 2] nog op rekening bij [Bedrijf 1] heeft getankt, terwijl de bestuurders van [Bedrijf 2] het faillissement van [Bedrijf 2] al hadden aangevraagd.
[Bedrijf 1] vordert in deze procedure daarom de door haar geleden schade van de bestuurders van [Bedrijf 2] .

3.De feiten

3.1.
[Bedrijf 1] houdt zich voornamelijk bezig met leveranties van brandstoffen, oliën en smeermiddelen.
3.2.
De inmiddels gefailleerde [Bedrijf 2] B.V. (hierna: [Bedrijf 2] ) hield zich bezig met goederenvervoer over de weg. De schematische tekening laat zien dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de indirect bestuurders van [Bedrijf 2] (hierna ook te noemen: de bestuurders van [Bedrijf 2] ) waren:
[ afbeelding verwijderd ter anonimisatie ]
3.3.
Op enig moment zijn [Bedrijf 1] en [Bedrijf 2] met elkaar in gesprek geraakt over de (financiële) problemen die er bij [Bedrijf 2] speelden. Om een faillissement van [Bedrijf 2] te voorkomen, bood [Bedrijf 1] [Bedrijf 2] onder voorwaarden aan om financiële ondersteuning te bieden (door onder meer geldleningen te verstrekken en [Bedrijf 2] op rekening brandstoffen te laten tanken). Op 5 december 2024 werden de kredietafspraken in een notariële akte vastgelegd waarbij ook een pandrecht op (onder meer) een aantal bedrijfsmiddelen van [Bedrijf 2] is gevestigd. In de notariële pandakte tussen [Bedrijf 1] en [Bedrijf 2] staat onder meer het volgende:
2. Garanties van de zekerheidsgever
- de zekerheidsgever garandeert de zekerheidsnemer bevoegd te zijn tot het vestigen van het pandrecht.
- de zekerheidsgever garandeert dat het onderpand vrij is van beslag, pandrechten en andere beperkte rechten.
- de zekerheidsgever garandeert aan de zekerheidsnemer dat alle vorderingsrechten die tot het onderpand behoren overdraagbaar zijn.
3.4.
Op [datum] 2025 is [Bedrijf 2] op eigen aangifte failliet verklaard met aanstelling van [curator] als curator.
3.5.
[Bedrijf 1] heeft zich vervolgens tot de curator gewend om tot uitwinning van het gevestigde pandrecht over te gaan.
3.6.
Op 27 maart 2025 heeft de curator het beroep van [Bedrijf 1] op het pandrecht afgewezen en [Bedrijf 1] te kennen gegeven dat er in 2016 ten behoeve van Rabobank al een (eerste) pandrecht is gevestigd.
3.7.
Bij e-mailbericht van 28 maart 2025 heeft de curator zich (onder meer) op het standpunt gesteld dat het ten behoeve van [Bedrijf 1] gevestigde pandrecht paulianeus is en heeft daarvan de vernietiging ingeroepen.
3.8.
[Bedrijf 1] heeft vervolgens de bestuurders van [Bedrijf 2] bij brief van 31 maart 2025 aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade en gesommeerd tot betaling. De bestuurders hebben aan deze sommatie geen gehoor gegeven.
3.9.
Op 4 april 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank [Bedrijf 1] verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag op een viertal onroerende zaken, twee toebehorende aan [gedaagde 1] en twee toebehorende aan [gedaagde 2] .

4.Het geschil

4.1.
[Bedrijf 1] vordert – na akte vermindering van eis – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht zal verklaren dat de bestuurders van [Bedrijf 2] op grond van artikel 6:162 BW Pro jo 2:11 BW onrechtmatig jegens [Bedrijf 1] hebben gehandeld,
de bestuurders van [Bedrijf 2] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van € 206.649,43 aan schadevergoeding of een ander door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag,
de bestuurders van [Bedrijf 2] hoofdelijk zal veroordelen in de proceskosten, waaronder begrepen de beslagkosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
4.2.
[Bedrijf 1] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de bestuurders van [Bedrijf 2] aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de door haar geleden schade, nu zij de Beklamel-norm [1] hebben geschonden.
4.3.
De geldvordering van [Bedrijf 1] bestaat uit de volgende posten:
-
Brandstofleveringen
128.431,88
-
Korte leningen
66.298,94
-
Betalingen aan [Bedrijf 3]
19.695,79
214.431,88
Minusontvangen bedragen van de curator:
- 2-5-2025 tanken na faillissement
2.802,53
- 25-6-2025 eigendomsvoorbehoud
4.974,65
206.649,83
4.4.
De bestuurders van [Bedrijf 2] voeren verweer. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [Bedrijf 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [Bedrijf 1] , met opheffing van de gelegde conservatoire beslagen en met veroordeling van [Bedrijf 1] in de kosten van deze procedure.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
Vooropgesteld wordt dat indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, het uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is echter, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Er gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap dus hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat moet worden voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval (Hoge Raad 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627 (RCI Financial Services / K)).
5.2.
In geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering kan volgens vaste rechtspraak (Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:2006:AZ0758 (Ontvanger/ Roelofsen)) naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW Pro, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Als maatstaf geldt in de onder (i) bedoelde gevallen of de betrokken bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, en in de onder (ii) bedoelde gevallen of het handelen of nalaten van de betrokken bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.
5.3.
Tot slot volgt uit de aard van de bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW Pro dat als een rechtspersoon-bestuurder aansprakelijk is op die grond, een bestuurder van die rechtspersoon in beginsel ook aansprakelijk is op grond van artikel 2:11 BW Pro.
Verwijt 1: Het verstrekken van een pandrecht dat geen eerste pandrecht blijkt te zijn, maar een tweede pandrecht
5.4.
[Bedrijf 1] verwijt de bestuurders van [Bedrijf 2] dat zij onjuiste mededelingen hebben gedaan door ten overstaan van de notaris te garanderen dat [Bedrijf 2] een pandrecht ten behoeve van [Bedrijf 1] vestigt op goederen die vrij zijn van beslag, pandrechten en andere beperkte rechten. De verpande goederen bleken namelijk achteraf al bezwaard te zijn met een in 2016 gevestigd pandrecht ten behoeve van Rabobank. Op basis van deze onjuiste mededeling dan wel het wekken van de valse schijn van kredietwaardigheid is [Bedrijf 1] doorgegaan met het financieren van [Bedrijf 2] . Zij dacht een eersterangs zekerheidsrecht te hebben, maar dit bleek een tweederangs recht te zijn. [Bedrijf 1] verwijt de bestuurders van [Bedrijf 2] dat zij met het vestigen van het pandrecht namens [Bedrijf 2] een verbintenis zijn aangegaan waarvan zij wisten dan wel behoorden te begrijpen dat [Bedrijf 2] niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden.
5.5.
De rechtbank is van oordeel dat van een schending van de Beklamel-norm geen sprake is en licht dat als volgt toe.
5.6.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [Bedrijf 1] en de bestuurders van [Bedrijf 2] in de zomer van 2024 met elkaar in gesprek zijn geraakt over onder meer de (financiële) problemen van [Bedrijf 2] . Onweersproken gesteld is dat het hoofdplan van partijen was dat het onroerend goed van de bestuurders van [Bedrijf 2] (waaronder begrepen [dochterbedrijf] B.V.) aan [Bedrijf 1] zou worden verkocht, zodat [Bedrijf 2] met dat geld schuldeisers kon aflossen, waaronder Rabobank. Ook was het de bedoeling van [Bedrijf 2] om het bedrijf anders te gaan organiseren. Zo wilde [Bedrijf 2] zich gaan richten op vervoer in een andere branche en zou [gedaagde 2] ( [gedaagde 2] ) als bestuurder van [Bedrijf 2] terugtreden. Het doel van beide partijen was om een faillissement van [Bedrijf 2] te voorkomen.
5.7.
In de periode die nodig zou zijn om de plannen uit te voeren, heeft [Bedrijf 1] aangeboden om [Bedrijf 2] financieel te ondersteunen. Daarbij golden twee voorwaarden: [Bedrijf 2] diende voortaan alle binnenlandse ritten bij [Bedrijf 1] te tanken en [Bedrijf 2] diende over te stappen naar hetzelfde accountantskantoor als [Bedrijf 1] , namelijk [Bedrijf 3] . Partijen hebben uitvoering aan deze afspraken gegeven. Er werden tankpassen aan [Bedrijf 2] verstrekt, zodat zij op rekening bij [Bedrijf 1] kon tanken. De afgenomen liters werden wekelijks achteraf door [Bedrijf 1] aan [Bedrijf 2] gefactureerd, maar daarbij werd [Bedrijf 2] een ruime betalingstermijn gegund. Ook volgt uit de overgelegde producties bij conclusie van antwoord dat [medewerker] van [Bedrijf 3] vanaf de zomer van 2024 is ingeschakeld om aan het plan uitvoering te geven. [Bedrijf 2] werd doorgelicht en ook werd een onderzoek naar de cijfers gedaan. Tijdens de mondelinge behandeling heeft mevrouw [naam] namens [Bedrijf 1] hierover verklaard dat als [medewerker] namens [Bedrijf 2] met Rabobank correspondeerde, [Bedrijf 1] daarvan ook op de hoogte werd gebracht.
5.8.
De bestuurders van [Bedrijf 2] betwisten niet dat zij op het moment van tekenen van de pandakte wisten dat er op (een deel van) dezelfde goederen al een eerste pandrecht aan Rabobank was gegeven. Zij betogen echter dat op het moment van ondertekening van de pandakte het plan nog op tafel lag dat [Bedrijf 1] het onroerend goed van de bestuurders van Transport zou kopen en dat met de opbrengst (onder meer) Rabobank zou worden afgelost. Het tweede pandrecht van [Bedrijf 1] zou dan alsnog wijzigen naar een eerste pandrecht, aldus de bestuurders van [Bedrijf 2] . Ook [Bedrijf 1] weerspreekt niet dat dit plan nog op tafel lag ten tijde van het vestigen van het pandrecht. Zij verwijt de bestuurders van [Bedrijf 2] echter dat zij ten tijde van het vestigen van het pandrecht niet eerlijk zijn geweest over het eerder gevestigde pandrecht ten behoeve van Rabobank. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
5.9.
De enkele omstandigheid dat een tweede pandrecht wordt gevestigd in plaats van een toegezegde eerste pandrecht maakt nog niet dat een schuldeiser dientengevolge schade lijdt. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden vereist. [2] De rechtbank is echter oordeel dat in het onderhavige geval niet is gebleken dat de bestuurders van [Bedrijf 2] bij het aangaan van de verbintenissen wisten of redelijkerwijze behoorden te begrijpen dat [Bedrijf 2] niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden. Op basis van hetgeen hiervoor is overwogen blijkt immers voldoende dat partijen ten tijde van het sluiten van de kredietafspraken en het vestigen van het pandrecht nog bezig waren met het uitvoeren van het plan. Dit was tot kort voor het faillissement van [Bedrijf 2] nog het geval. De bestuurders van [Bedrijf 2] gingen er van uit dat met de uitvoering van het plan [Bedrijf 2] zou kunnen worden gered en dat met de verkoopopbrengst van het onroerend goed (in elk geval) Rabobank zou worden afgelost. Dit volgt ook uit een door de bestuurders overgelegde emailbericht van [medewerker] aan Rabobank van 16 december 2024. In dat geval zou het eerste pandrecht van Rabobank op de bedrijfsmiddelen komen te vervallen en het pandrecht [Bedrijf 1] alsnog een eerste pandrecht worden. Pas in maart 2025 is gebleken dat het plan niet langer haalbaar was en is besloten om het faillissement van [Bedrijf 2] aan te vragen. In het licht van deze feiten is de rechtbank van oordeel dat van een schending van de Beklamel-norm geen sprake is, zodat gedaagden niet kunnen worden aangesproken voor de gevorderde schade die [Bedrijf 1] heeft gesteld te hebben geleden doordat de vennootschap geen verhaal bood vanwege het pandrecht tweede in rang. Dit laat de schade en aansprakelijkheid voor het tweede gemaakte verwijt overigens onverlet.
Verwijt 2: Het afnemen van brandstof in het zicht van het faillissement
5.10.
Anders ligt dit voor het afnemen van brandstof in de week voorafgaand aan het faillissement. In het midden kan blijven of de tussen partijen gemaakte tankafspraak als een duurovereenkomst of als afzonderlijke overeenkomsten moet(en) worden gezien. [Bedrijf 2] is op eigen aangifte failliet verklaard. Dit betekent dat in de week voorafgaand aan het faillissement de bestuurders van [Bedrijf 2] wisten dan wel redelijkerwijs behoorden te weten dat [Bedrijf 2] niet meer aan haar betalingsverplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, dan wel dat de bestuurders van [Bedrijf 2] door dit handelen hebben bewerkstelligd of toegelaten dat [Bedrijf 2] haar recent aangegane betalingsverplichtingen niet meer zou nakomen. Van dit handelen kan de bestuurder van [Bedrijf 2] , [dochterbedrijf] B.V., en op grond van artikel 2:11 BW Pro ook de indirect bestuurders van [Bedrijf 2] , de heren [gedaagde 2] en [gedaagde 1] , een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt. De rechtbank zal ten aanzien van dit verwijt de gevraagde verklaring voor recht toewijzen, als hierna te melden.
5.11.
Overwogen wordt dat de door [Bedrijf 1] overgelegde factuur van 31 maart 2025 ziet op leveranties in de periode 17 maart 2025 tot en met 25 maart 2025. Het gefactureerde bedrag is € 13.997,96. Nu [Bedrijf 1] een bedrag van € 7.777,18 via de curator terug heeft ontvangen wegens een beroep op het eigendomsvoorbehoud en tanken nadat het faillissement is uitgesproken, resteert een onbetaald gelaten bedrag van € 6.220,78. De bestuurders van [Bedrijf 2] zullen beiden hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag als hierna te melden. De bestuurders van [Bedrijf 2] hebben bij conclusie van antwoord verzocht tot opheffing van het gelegde beslag maar hebben hierbij niet aangegeven waarom opheffing nu noodzakelijk is. Ook is geen reconventionele vordering ingesteld en wordt een deel van de vordering waarvoor beslag is gelegd toegewezen. Eén en ander brengt met zich dat het beslag niet zal worden opgeheven.
5.12.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5.13.
[Bedrijf 1] heeft de hoofdelijke veroordeling van de bestuurders van [Bedrijf 2] gevorderd tot betaling van de beslagkosten. De vordering is toewijsbaar op grond van artikel 706 Rv Pro. De beslagkosten worden begroot op € 521,00 aan salaris voor de advocaat (een salarispunt per verzoekschrift), € 714,00 aan griffierecht en € 379,85 aan explootkosten.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] als indirect bestuurders van [Bedrijf 2] op grond van artikel 6:162 BW Pro jo 2:11 BW onrechtmatig jegens [Bedrijf 1] hebben gehandeld zoals in overweging 5.10 overwogen,
6.2.
veroordeelt [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk tot betaling van € 6.220,78 aan schadevergoeding,
6.3.
veroordeelt [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk in de beslagkosten van
€ 1.614,85, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling.
6.4.
verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.K.J. Steketee en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521 (Beklamel).
2.Hoge Raad 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627 (RCI Financial Services / K)