Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur waarin de belastingrentebeschikkingen voor de aanslagen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet over het jaar 2022 zijn gehandhaafd.
De kern van het geschil betreft de vraag of de inspecteur op grond van het vertrouwensbeginsel geen belastingrente in rekening had mogen brengen, omdat belanghebbende meent dat hij door een brief waarin uitstel werd bevestigd, mocht aannemen dat geen rente zou worden geheven.
De rechtbank overweegt dat belanghebbende niet heeft kunnen aantonen dat de inspecteur toezeggingen heeft gedaan waaruit redelijkerwijs kon worden afgeleid dat geen belastingrente zou worden geheven. De brief waarop belanghebbende zich beroept is niet overgelegd, terwijl de bewijslast hiervoor bij belanghebbende ligt.
Daarom verklaart de rechtbank de beroepen ongegrond en bevestigt dat de belastingrente terecht is berekend. Belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed.
De uitspraak is gedaan door rechter J.A.L. Heldens op 17 juni 2026.