Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4914

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
24/7458
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 4.23 Invoeringswet OmgevingswetArt. 5:37 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling invordering dwangsom wegens overtreding bestemmingsplan door hondenhouderij

Eiseres houdt en fokt honden op een perceel waarvoor het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bronckhorst een last onder dwangsom heeft opgelegd wegens overtreding van het bestemmingsplan. Het college constateerde in 2023 dat eiseres meer dan zes honden hield, wat in strijd is met de opgelegde last. Eiseres betoogt dat het nieuwe bestemmingsplan en een verleende omgevingsvergunning het houden van honden op het perceel toestaan, en dat het aantal honden binnen de grenzen van hobbymatig fokken valt.

De rechtbank oordeelt dat het oude recht van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is en dat het college bevoegd is de dwangsom in te vorderen. Hoewel het nieuwe bestemmingsplan een woonfunctie op het perceel toestaat, is het niet evident dat het houden van 9 tot 14 honden planologisch gezien valt te rijmen met deze woonfunctie. De door eiseres aangevoerde normen van de Belastingdienst en Rijksdienst voor Ondernemend Nederland zijn niet relevant voor de ruimtelijke beoordeling.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, handhaaft het invorderingsbesluit en wijst het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af. Eiseres kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de invordering van de dwangsom wordt ongegrond verklaard en het invorderingsbesluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/7458

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. F.B.M. van Aanhold),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bronckhorst

(gemachtigden: J.H. Wesselink, K.F.J. van der Swert en M. Klein Gebbink).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de invordering van een dwangsom vanwege gebruik van het perceel aan de [adres] in [plaatsnaam] in strijd met het bestemmingsplan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het invorderingsbesluit in stand blijft. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat de achtergrond en het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen:
  • Is de last onder dwangsom overtreden?
  • Is evident dat er geen overtreding is?
Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Achtergrond en procesverloop

2. Eiseres en het college verschillen al langere tijd van mening over het gebruik van het perceel. Eiseres houdt en fokt honden op het perceel in een omvang die volgens het college niet past bij de functie van het perceel. Bij besluit van 7 februari 2012 heeft het college eiseres daarom gelast het houden van honden op het perceel op welke wijze dan ook zowel op het open terrein als in de gebouwen van het perceel te beëindigen en beëindigd te houden voor 1 maart 2012, onder aanzegging van een dwangsom van € 6.000 per maand tot een maximum van € 30.000. [1] Naar aanleiding van het bezwaar van eiseres tegen de last onder dwangsom heeft het college bij besluit van 24 juli 2012 de last onder dwangsom verduidelijkt en bepaald dat eiseres de last overtreedt als zij meer dan zes honden op haar perceel houdt. Nadat het beroep van eiseres ongegrond is verklaard in de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 19 december 2012 [2] , is de last onder dwangsom onherroepelijk geworden.
2.1.
Bij besluit van 29 februari 2024 (het primaire besluit) heeft het college besloten in totaal € 12.000 in te vorderen omdat na controles op 30 oktober 2023 en 6 november 2023 is geconstateerd dat eiseres meer dan zes honden op haar perceel houdt.
2.2.
Bij beslissing op bezwaar van 24 september 2024 heeft het college de invordering in stand gelaten.
2.3.
Eiseres heeft een beroepschrift ingediend.
2.4.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juni 2026 op zitting behandeld, tegelijk met de zaak met zaaknummer ARN 25/2444. [3] Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde, en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Toepasselijk recht
4. In deze zaak geldt het oude recht van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht omdat de last onder dwangsom op grond waarvan wordt ingevorderd dateert van voor 1 januari 2024, het moment waarop de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking zijn getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
4.1.
De rechtbank beoordeelt het invorderingsbesluit aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Is de last onder dwangsom overtreden?
5. Het college heeft op 25 oktober 2023 een controle uitgevoerd en geconstateerd dat op het perceel 14 honden aanwezig waren waarvan vier puppy’s. Op 6 november 2023 is een hercontrole uitgevoerd en geconstateerd dat er negen honden aanwezig waren. Dat die honden aanwezig waren, wordt ook niet betwist door eiseres. De rechtbank oordeelt dat de last is overtreden door de aanwezigheid van meer dan het maximaal toegestane aantal van zes honden en daarmee is het college bevoegd de dwangsom in te vorderen.
De beginselplicht tot invordering
6. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen, moet bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat moet uitgaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. [4]
6.1.
De Afdeling heeft verder in de uitspraak van 27 februari 2019 [5] overwogen dat een belanghebbende in de procedure tegen de invorderingsbeschikking of de kostenverhaalsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren kan brengen die hij tegen de last onder dwangsom of last onder bestuursdwang naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen als evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is.
Is evident dat er geen overtreding is?
7. Eiseres betoogt dat er evident geen sprake is van een overtreding. Zij voert aan dat het perceel ten tijde van de oplegging van de last onder dwangsom geen woonfunctie had, maar dat dit door de inwerkingtreding van het “ [bestemmingsplan] ” is gewijzigd. Daarbij komt dat eiseres bij besluit van 2 mei 2023 een omgevingsvergunning heeft gekregen om in afwijking van het nieuwe bestemmingsplan voor een periode van twee jaar een stacaravan op het perceel te plaatsen en te bewonen in afwachting van de bouw van de bedrijfswoning. Nu eiseres thans op het perceel mag wonen, is ook het hobbymatig houden van honden op het perceel toegestaan. Eiseres houdt en fokt honden passend bij de woonfunctie. Het fokken is een bijverdienste, en het aantal honden overschrijdt niet het aantal van 20 waarvan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en de Belastingdienst hebben bepaald dat het hobbymatig fokken is.
7.1.
Onder het oude bestemmingsplan “ [oud bestemmingsplan] ” was het perceel bestemd voor “Terrein voor sport en recreatie” met aanduiding “Manege”. Op die plek was een manege toegestaan met ondergeschikte horeca, erven en behoud en beheer van ecologische waarden. Het perceel had in het oude bestemmingsplan geen woonbestemming. Met het nieuwe bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ” is het perceel bestemd voor “Sport” met functieaanduiding “specifieke vorm van sport – 44” nader aangewezen als manege. Het belangrijkste verschil is dat onder het nieuwe bestemmingsplan een bedrijfswoning is toegestaan op het perceel.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres er op zichzelf terecht op wijst dat er onder het nieuwe bestemmingsplan en vanwege de verleende omgevingsvergunning voor de bewoning van de stacaravan ruimte is om op het perceel hobbymatig honden te houden. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is echter of dat tot gevolg heeft dat in dit concrete geval evident geen overtreding is gepleegd. De rechtbank is van oordeel dat gelet op het aangetroffen aantal van veertien onderscheidenlijk negen honden niet evident is dat het houden van dit aantal honden qua aard, omvang en intensiteit planologisch gezien valt te rijmen met de mogelijkheid op het perceel te wonen in een stacaravan en/of een bedrijfswoning. [6] De stelling van eiser dat de Belastingdienst en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland accepteren dat het fokken van maximaal 20 puppy’s per jaar hobbymatig is, geeft geen aanleiding om hier anders over te oordelen. In deze zaak is namelijk van belang of de ruimtelijke uitstraling van het houden van honden evident geen overtreding van het nieuwe bestemmingsplan is. De getalsgrenzen die de Belastingdienst en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland hanteren voor het fokken van puppy’s gaan daar niet over, maar over de vraag of iemand bedrijfsmatig handelt en welke invloed dat heeft op de te betalen belasting. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot invordering van de dwangsommen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het invorderingsbesluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze tussenuitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Wegens overtreding van artikel 2.1 eerste lid aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 20 van Pro het bestemmingsplan “ [oud bestemmingsplan] ” (bestemming “Terrein voor sport en recreatie” met aanduiding “Manege”).
2.Reg.nrs. 12/1204 en 12/1205 (niet gepubliceerd).
3.Door het invorderingsbesluit is volgens het college de last onder dwangsom uit 2012 volgelopen. Het college heeft daarom een nieuwe last onder dwangsom aan eiseres opgelegd, deze nieuwe last is onderwerp van de zaak met zaaknummer ARN 25/2444 die tegelijkertijd met deze zaak op zitting is behandeld.
4.Uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:121 onder 3.1 en 3.2.
5.Uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5174 onder 4.1.