ECLI:NL:RVS:2020:121
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging matiging invordering dwangsom bij handhaving recreatiepark Deventer
Het college van burgemeester en wethouders van Deventer legde op 10 maart 2017 een last onder dwangsom op aan appellant sub 1 om een stacaravan met bijgebouw te verwijderen. De stacaravan werd binnen de termijn in overeenstemming gebracht met de vergunning, maar het bijgebouw niet, waardoor het college overging tot invordering van €50.000.
De rechtbank Overijssel matigde dit bedrag op grond van bijzondere omstandigheden tot €10.000 en vernietigde het besluit op bezwaar. Zowel appellant als het college gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde het geschil en bevestigde de matiging.
De Afdeling overwoog dat het college bevoegd was tot invordering, maar dat het in redelijkheid niet kon worden geacht het volledige bedrag te innen vanwege eerdere uitspraken en gewijzigde omstandigheden omtrent de overtredingen. Tevens werd geoordeeld dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij het gematigde bedrag niet kon betalen.
De Afdeling benadrukte het belang van handhaving en het gezag van last onder dwangsom, maar erkende dat in bijzondere gevallen matiging gerechtvaardigd is. De uitspraak bevestigt de matiging van de invordering tot €10.000, waarbij geen proceskosten worden toegewezen.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de matiging van de invordering van de dwangsom tot €10.000.