Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4487

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
AWB-24_8849
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 2.4 lid 3 Woo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minister weigert onterecht volledige openbaarmaking individuele dossiers inreisverbod artikel 1F

Eiser verzocht op grond van de Wet open overheid (Woo) om openbaarmaking van informatie over de behandeling van verzoeken tot opheffing van inreisverboden op basis van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. De minister maakte een deel openbaar, maar weigerde de individuele dossiers volledig openbaar te maken zonder deze te hebben ingezien.

De rechtbank beoordeelde dat de minister wel een volledige zoekslag had verricht, maar onvoldoende inzicht gaf in de wijze van zoeken en niet voldeed aan de zorgvuldigheidseisen. De minister mocht echter geen volledige weigering toepassen zonder inhoudelijke beoordeling van de dossiers, omdat anonimiseren mogelijk is en een rechter moet kunnen toetsen of weigering terecht is.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor zover het de algehele weigering betrof en gaf de minister twaalf weken om een nieuw besluit te nemen. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige motivering en beoordeling bij Woo-verzoeken.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit van de minister voor zover deze de volledige openbaarmaking van individuele dossiers weigert en beveelt een nieuw besluit na inhoudelijke beoordeling.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/8849

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. H. van Drunen),
en
de minister van Asiel en Migratie [1]
(gemachtigde: R. Mustafa).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke weigering van de minister om informatie openbaar te maken naar aanleiding van het openbaarmakingsverzoek van eiser op grond van de Wet open overheid (Woo). Dit Woo-verzoek gaat over verzoeken om opheffing van het inreisverbod dat aan een vreemdeling is opgelegd op wie artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is. Eiser is het niet eens met de gedeeltelijke weigering en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister gedeeltelijk mocht weigeren de verzochte informatie openbaar te maken.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd en onzorgvuldig heeft voorbereid. De minister heeft namelijk ten onrechte geweigerd om de individuele dossiers in zijn geheel openbaar te maken zonder deze dossiers daadwerkelijk in te zien. De minister heeft wel een volledige zoekslag verricht naar eisers Woo-verzoek. Het voorgaande betekent dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 16 januari 2024 verzocht om openbaarmaking van informatie over, kort samengevat, de wijze waarop de minister omgaat met een verzoek tot opheffing van een inreisverbod van een vreemdeling op wie artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is. De minister moet bij een dergelijk verzoek beoordelen of het inreisverbod nog steeds geschikt is om het ermee beoogde doel te waarborgen en niet verder gaat dan nodig is. De IND moet hiervoor beoordelen of wel of niet sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die leiden tot de inwilliging of afwijzing van de opheffing. [2]
2.1.
De minister heeft met het besluit van 1 mei 2024 een deel van de verzochte informatie openbaar gemaakt en daarbij geweigerd om individuele dossiers openbaar te maken. Verder bestaat een deel van de verzochte informatie niet of is die informatie reeds openbaar. Met het bestreden besluit van 30 oktober 2024 op het bezwaar van eiser heeft de minister het bezwaar (gedeeltelijk) gegrond verklaard.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Is de zoekslag voldoende inzichtelijk gemaakt en zorgvuldig geweest?

3. Eiser voert aan dat de zoekslag van de minister tekortschiet. De minister heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt op welke wijze, bij wie en met welke zoektermen is gezocht naar de informatie, terwijl dat wel is vereist. [3] Verder heeft de minister ook niet door middel van een inventarislijst inzichtelijk gemaakt welke informatie is aangetroffen naar aanleiding van de verrichte zoekslag. In het bestreden besluit wordt volstaan met de zeer globale omschrijving dat delen van dossiers van vreemdelingen niet openbaar worden gemaakt. Ook zijn enkele documenten benoemd, maar dat is geen volledige opgave van alle documenten die op dit onderwerp zien. Zo heeft eiser onder meer verzocht om informatie openbaar te maken over hoe, wanneer en door wie er beslist wordt of een inreisverbod wordt ingetrokken en een verblijfsaanvraag van een vreemdeling aan wie artikel 1F is tegengeworpen, wordt ingewilligd. De door de Afdeling bestuursrechtspraak van de raad van State genoemde beoordelingscriteria moeten zijn vastgelegd, omdat deze anders niet zijn te toetsen. Verder heeft eiser gevraagd om analyses van het arrest van het Hof van Justitie van 2 mei 2018 [4] en interne of externe gesprekken hierover. Uit het bestreden besluit blijkt niet of naar deze informatie is gezocht maar informatie hierover ontbreekt volledig. Ook onderliggende stukken van cijfermatige informatie die blijkt uit kamerstukken, is niet openbaar gemaakt of beoordeeld. Daarnaast is de minister niet ingegaan op eisers verzoek om informatie openbaar te maken over het inwerktraject voor medewerkers bij de artikel 1F-afdeling. Het is ongeloofwaardig dat hiervan niets op papier staat in bijvoorbeeld het introductiedossier voor nieuwe bewindspersonen en/of medewerkers. Ten slotte is de minister niet ingegaan op eisers verzoek om informatie openbaar te maken over de verwachte of ontstane maatschappelijke onrust bij een opheffing van een inreisverbod en de inwilliging van een verblijfsvergunning.
3.1.
Als een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, is het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat een document toch onder het bestuursorgaan berust. Bij de beoordeling of een stelling van een bestuursorgaan niet ongeloofwaardig voorkomt, wordt betrokken op welke wijze het onderzoek is uitgevoerd. Dit volgt uit vaste rechtspraak. [5] Een bestuursorgaan moet voldoende inzichtelijk maken hoe het de zoekslag heeft verricht. Die zoekslag moet zorgvuldig zijn. Het voldoende inzichtelijk maken van de zoekslag kan het bestuursorgaan bewerkstelligen door bijvoorbeeld specifiek te vermelden welke systemen zijn geraadpleegd, welke zoektermen zijn gehanteerd voor het zoeken naar documenten in die systemen, welke specifieke vragen de volgens het bestuursorgaan relevante personen hebben meegekregen en welke schifting in de door die personen aangedragen documenten vervolgens is gemaakt. [6]
3.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De stelling van de minister dat het niet over meer documenten beschikt die binnen de reikwijdte van eisers Woo-verzoek vallen, komt de rechtbank niet ongeloofwaardig voor. In het bestreden besluit, het verweerschrift en op de zitting heeft de minister gemotiveerd uitgelegd hoe de zoekslag is verricht en welke documenten binnen de reikwijdte van het Woo-verzoek wel en niet beschikbaar zijn. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de minister over meer documenten beschikt die binnen de reikwijdte van zijn Woo-verzoek vallen. Dat eiser het vermoeden heeft dat de minister beschikt over meer documenten, is daarvoor onvoldoende.
3.2.1.
Verder volgt de rechtbank de minister in de stelling dat hij niet gehouden is om een inventarislijst op te stellen. [7] De Woo kent namelijk geen verplichting tot het vervaardigen van documenten zoals een inventarislijst. Het zorgvuldigheidsbeginsel kan echter wel vereisen dat het bestuursorgaan toch een inventarislijst opstelt als niet inzichtelijk is van welke documenten de minister openbaarmaking weigert. Daar is hier echter geen sprake van. De minister weigert namelijk alleen om de individuele dossiers van vreemdelingen openbaar te maken. De overige informatie die eiser verzoekt, is volgens de minister niet vastgelegd in documenten.
Heeft de minister de dossiers van vreemdelingen ten onrechte in zijn geheel geweigerd openbaar te maken?
4. Eiser stelt dat de minister de dossiers van de vreemdelingen ten onrechte in zijn geheel heeft geweigerd openbaar te maken. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2014 [8] gaat niet op, omdat uit die uitspraak blijkt dat de aanvrager in die procedure bekend was met de identiteit van de betrokken asielzoekers waardoor de gevraagde dossiers niet effectief te anonimiseren waren. Eiser is echter niet bekend met de dossiers. De verzochte informatie is dan ook zodanig te bewerken dat er geen enkele kans is op identificatie van betrokkenen waardoor geen schending van de toegezegde vertrouwelijkheid kan ontstaan. De minister heeft ten onrechte nagelaten om de individuele dossiers van vreemdelingen inhoudelijk te beoordelen. Dat een deel van de informatie in deze individuele dossiers niet openbaar moet worden gemaakt, betekent niet dat de minister in zijn geheel mag weigeren om de dossiers openbaar te maken. Als de informatie niet in geanonimiseerde vorm openbaar kan worden gemaakt, heeft de minister de plicht om te beoordelen of de openbaarmaking op een andere wijze kan. [9]
4.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat hij mocht weigeren om de dossiers van vreemdelingen in zijn geheel openbaar te maken. De minister hecht meer waarde aan het belang van de bescherming van de in het besluit genoemde (bijzondere) persoonsgegevens van vreemdelingen en het goed functioneren van de staat dan eisers belang bij openbaarmaking van delen van vreemdelingendossiers. Vreemdelingen die een procedure voeren bij de IND mogen ervan uitgaan dat hun gegevens zorgvuldig en onder geheimhouding worden verwerkt. Openbaarmaking van stukken uit verblijfsdossiers leidt tot een onaanvaardbare schending van de persoonlijke levenssfeer van de vreemdelingen en kan ervoor zorgen dat vreemdelingen zich in de toekomst terughoudend opstellen in verblijfsprocedures en de IND niet op alle relevante factoren een besluit kan nemen. Dit kan ten koste gaan van zorgvuldige besluitvorming door de IND. Anders dan eiser stelt, blijkt volgens de minister uit verschillende uitspraken dat de IND op juiste gronden geen inzage geeft in verblijfsdossiers in asielzaken en reguliere zaken. Om eiser tegemoet te komen is met het bestreden besluit en de gevoerde gesprekken zo goed als mogelijk inzicht gegeven in hoe de beoordeling van de genoemde procedure plaatsvindt en uitgelegd dat per individuele zaak moet worden beoordeeld of wordt voldaan aan de voorwaarden voor opheffing van het inreisverbod of ongewenstverklaring.
4.2.
De beroepsgrond slaagt. De minister weigert ten onrechte om de individuele dossiers in zijn geheel openbaar te maken zonder deze dossiers daadwerkelijk in te zien en te beoordelen. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat het hem alleen gaat om dossiers van vreemdelingen op wie artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is en waarbij een verzoek tot opheffing van het inreisverbod is ingewilligd. Gelet op het beperkt aantal zaken dat hieronder valt, kan van de minister worden verwacht dat deze dossiers worden bekeken en dat vervolgens wordt beoordeeld welk deel van het dossier (mogelijk) wel en welk deel van het dossier niet openbaar kan worden gemaakt gelet op de weigeringsgronden van de Woo. Op die manier kan een rechter in een beroepsprocedure ook toetsen of de minister terecht weigert om de individuele dossiers (al dan niet gedeeltelijk) openbaar te maken. Het is namelijk denkbaar dat de door de minister vermelde weigeringsgronden niet op de volledige dossiers van toepassing zijn. De verwijzing van de minister op de zitting naar de uitspraak van rechtbank Den Haag van 22 december 2023 [10] gaat hier niet op, omdat het in die zaak niet om een beperkt aantal dossiers ging terwijl dat in onderhavige procedure wel het geval is.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand is gekomen. Dat is in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de algehele weigering om de individuele dossiers openbaar te maken zonder deze in te zien.
5.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van dit besluit in stand te laten, zelf in de zaak te voorzien of een bestuurlijke lus toe te passen. Het is aan de minister om een nieuw besluit te nemen waarbij de individuele dossiers worden bekeken en wordt beoordeeld of deze (gedeeltelijk) voor openbaarmaking in aanmerking komen. De minister moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van twaalf weken.
5.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet de minister de proceskosten en het griffierecht vergoeden. De proceskosten zijn op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht
€ 1.892,54 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1 en € 24,54 voor de reiskosten).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de algehele weigering om de individuele dossiers openbaar te maken;
- draagt de minister op om binnen twaalf weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van de proceskosten van € 1.892,54;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187 aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van
mr.L. Janssen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De minister is rechtsopvolger van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Beiden worden in deze uitspraak als de minister aangeduid.
2.Eiser wijst hierbij op de uitspraak ABRvS 4 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2208.
3.ABRvS 7 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:480.
4.ECLI:EU:C:2018:296.
5.ABRvS 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1296, r.o. 5.2 en 5.3.
6.ABRvS 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:367, r.o. 5.1.
7.ABRvS 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:3571.
8.ABRvS 12 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:385.
9.Eiser wijst op artikel 2.4, derde lid, aanhef en onder d, van de Woo.
10.Rechtbank Den Haag 22 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:20589.