ECLI:NL:RVS:2021:2208

Raad van State

Datum uitspraak
4 oktober 2021
Publicatiedatum
4 oktober 2021
Zaaknummer
202006886/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing verzoek tot opheffing inreisverbod door staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, die op 24 november 2020 het beroep van een vreemdeling gegrond verklaarde. De vreemdeling, geboren op 25 april 1937 en afkomstig uit Afghanistan, verzocht om opheffing van een inreisverbod dat op hem was uitgevaardigd. De staatssecretaris had dit verzoek op 14 augustus 2019 afgewezen. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom het inreisverbod gehandhaafd moest blijven, met name in het licht van het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel.

De staatssecretaris ging in hoger beroep en voerde aan dat de rechtbank niet had beoordeeld of de vreemdeling een actuele en ernstige bedreiging voor de samenleving vormde, wat relevant is voor de evenredigheid van het inreisverbod. De Raad van State oordeelde echter dat de rechtbank het toetsingskader correct had toegepast en dat de staatssecretaris niet alle relevante omstandigheden van de vreemdeling had meegewogen, zoals zijn hoge leeftijd en medische klachten. Dit leidde tot de conclusie dat de staatssecretaris onvoldoende had toegelicht hoe het besluit zich verhoudt tot het evenredigheidsbeginsel.

De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat het hoger beroep ongegrond was. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, die in verband met het hoger beroep waren gemaakt. De uitspraak werd openbaar gedaan op 4 oktober 2021.

Uitspraak

202006886/1/V2.
Datum uitspraak: 4 oktober 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 24 november 2020 in zaak nr. 19/6862 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 14 augustus 2019 heeft de staatssecretaris een verzoek van de vreemdeling om het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod op te heffen, afgewezen.
Bij uitspraak van 24 november 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       De vreemdeling is geboren op 25 april 1937, komt uit Afghanistan en verblijft sinds januari 2000 in Nederland. Vaststaat dat op hem artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is wegens misdrijven en gedragingen uit de periode van 1980 tot 1986, en dat hij dus is uitgesloten van de vluchtelingenstatus. Deze zaak gaat dan ook niet daarover, maar over de vraag of de staatssecretaris deugdelijk heeft gemotiveerd dat er geen aanleiding bestaat het tegen de vreemdeling uitgevaardigde inreisverbod op te heffen. Volgens de rechtbank heeft de staatssecretaris onvoldoende toegelicht hoe het besluit zich verhoudt tot het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel.
2.       De staatssecretaris klaagt in de enige grief dat de rechtbank niet is ingegaan op de vraag of de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving, terwijl juist dit van belang is voor de vraag of het inreisverbod moet worden opgeheven. De staatssecretaris stelt dat de rechtbank als gevolg hiervan ook geen goed oordeel heeft kunnen geven over de evenredigheid van het besluit.
3.       Anders dan de staatssecretaris betoogt, betekent de omstandigheid dat de rechtbank niet is ingegaan op het zogenoemde Unierechtelijke openbare-ordecriterium, niet automatisch dat zij onjuist heeft geoordeeld over de evenredigheid van het besluit. Dat een eventuele bedreiging door de vreemdeling voor een fundamenteel belang van de samenleving moet worden meegewogen bij de toepassing van het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel, neemt immers niet weg dat ook andere omstandigheden daarbij een rol spelen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 2 mei 2018, ECLI:EU:C:2018:296, K. en H.F., punten 61 t/m 64, dat de staatssecretaris bij een verzoek om opheffing van een inreisverbod moet beoordelen of het inreisverbod nog steeds geschikt is om het ermee beoogde doel te waarborgen en niet verder gaat dan daarvoor nodig is. De eventuele omstandigheid dat de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt, is bij deze evenredigheidsbeoordeling een argument om het inreisverbod te handhaven. Andere omstandigheden kunnen er echter toe leiden dat het inreisverbod moet worden opgeheven. Als de staatssecretaris een deel van deze omstandigheden niet of niet kenbaar in de besluitvorming heeft betrokken, kan de rechtbank de evenredigheid van het besluit niet toetsen en is het besluit alleen al daarom ondeugdelijk gemotiveerd.
3.1.    De rechtbank heeft dit toetsingskader correct toegepast. Zij heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris niet kenbaar alle door de vreemdeling aangevoerde individuele omstandigheden, waaronder diens hoge leeftijd en toenemende medische klachten, bij het besluit heeft betrokken. Mede in het licht van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank, waaruit blijkt dat de staatssecretaris het vermoeden heeft uitgesproken dat de vreemdeling wegens zijn leeftijd en medische klachten nooit zal kunnen terugkeren naar Afghanistan, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris onvoldoende heeft toegelicht hoe het besluit zich verhoudt tot het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. De staatssecretaris heeft onvoldoende uitgelegd welke betekenis hij hecht aan de omstandigheden die de vreemdeling heeft aangedragen voor opheffing van het inreisverbod.
4.       De grief faalt.
5.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 748,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2021
363-894.