Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4448

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
ARN 25/2662
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.22 Wet brpArt. 2.23 Wet brpArt. 2.1 Wet brpArt. 2.4 Wet brpArt. 2.40 Wet brp
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ambtshalve uitschrijving uit de Basisregistratie Personen en weigering briefadres

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft de ambtshalve uitschrijving van eiser uit de Basisregistratie Personen (brp) door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zevenaar en de weigering om een briefadres toe te kennen. Eiser betwist deze besluiten en voert meerdere beroepsgronden aan.

De rechtbank stelt vast dat eiser niet meer op het laatst bekende adres woonde en geen nieuw adres heeft opgegeven. Na een gedegen onderzoek, waaronder contact met wijkagent en leerplichtambtenaar, kon het college geen gegevens achterhalen over het verblijf van eiser in Nederland of zijn vertrek naar het buitenland. Eiser kon ook niet worden bereikt op het inschrijfadres en heeft geen wijziging doorgegeven, waardoor aan de wettelijke voorwaarden voor ambtshalve uitschrijving is voldaan.

Ten aanzien van het briefadres oordeelt de rechtbank dat eiser niet voldoet aan het vereiste dat hij gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in Nederland verblijft. Eiser heeft slechts 69 dagen verblijf in Nederland aangetoond over een periode van 478 dagen en heeft geen onderbouwing geleverd voor een langer verblijf elders in Nederland. Hierdoor is eiser geen ingezetene in de zin van de Wet brp en heeft het college terecht geweigerd een briefadres toe te kennen.

Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard, hij krijgt geen gelijk en ook geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter G.W.B. Heijmans en griffier L. Janssen op 5 juni 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de ambtshalve uitschrijving uit de brp en de weigering van een briefadres.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2662

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. L.N. van der Hoest),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zevenaar

(gemachtigden: G.M. Hissink en F.A.J. Schiks).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de ambtshalve uitschrijving uit de Basisregistratie Personen (brp) en de weigering om eiser in te schrijven op een briefadres. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de ambtshalve uitschrijving uit de brp en de weigering om eiser in te schrijven op een briefadres.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college eiser terecht heeft uitgeschreven uit de brp en terecht geen briefadres aan hem is toegekend. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft eiser met het besluit van 27 juli 2023 uitgeschreven uit de brp per 26 juni 2023 en met het besluit van 2 oktober 2023 zijn aanvraag voor een briefadres afgewezen. Met het besluit van 17 januari 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij die besluiten gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. In de uitspraak van
14 februari 2025 [1] heeft deze rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van
17 januari 2024 vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van eiser tegen de besluiten van 27 juli 2023 en 2 oktober 2023.
2.2.
Het college heeft vervolgens op 8 mei 2025 een nieuw besluit (bestreden besluit) genomen waarbij de bezwaren tegen de besluiten van 27 juli 2023 en 2 oktober 2023 opnieuw ongegrond zijn verklaard.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college.
2.5.
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst omdat het college op de zitting de bereidheid heeft getoond om alsnog een briefadres aan eiser toe te kennen voor de periode van 26 juni 2023 tot 21 februari 2024. Het college heeft daarbij de voorwaarde gesteld dat het onderhavige beroep wordt ingetrokken, maar ook dat wordt bezien of eiser afziet van eventuele verdere procedures over de periode van 26 juni 2023 tot 21 februari 2024. Daarom is de afspraak gemaakt dat eiser binnen twee weken aan de rechtbank zou laten weten of hij bereid is het beroep in te trekken als hij voor de periode van 26 juni 2023 tot 21 februari 2024 alsnog een briefadres krijgt toegekend. Daarbij zou de gemachtigde van eiser ook laten weten of eiser afziet van verdere procedures over bovengenoemde periode.
2.6.
Eiser heeft de rechtbank op 12 maart 2026 laten weten dat hij niet kan instemmen met het alsnog verkrijgen van een briefadres voor de periode van 26 juni 2023 tot
21 februari 2024 onder de voorwaarde dat hij afziet van verdere procedures. Eiser verzoekt de rechtbank alsnog een uitspraak te doen.
2.7.
De rechtbank heeft partijen vervolgens laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [2]

Beoordeling door de rechtbank

Wat ging er aan deze procedure vooraf?
3. Eiser en zijn zoon stonden ingeschreven op het adres [adres 1] te [plaats 1]. Op 12 maart 2023 is door een derde een verhuisaangifte ingediend op dat adres.
3.1.
Op 17 maart 2023 heeft een medewerker van het college telefonisch contact gehad met eiser. Uit de daarvan opgestelde telefoonnotitie blijkt onder meer het volgende. Eiser woont niet meer op het adres, maar hij vindt dat het nog steeds zijn huis is. Daarom is hij een procedure tegen de verhuurder gestart. Aan eiser is meegedeeld dat hij zich moet laten uitschrijven. Hij wil zich niet vrijwillig uitschrijven totdat de rechter uitspraak heeft gedaan. Eiser verblijft bij vrienden, familie en kennissen. Ook is over een briefadres gesproken. Eiser heeft gevraagd om hem te mailen over de procedure.
3.2.
Bij e-mail van 21 maart 2023 heeft het college eiser gewezen op de verplichting tot aangifte van een nieuw adres bij een verhuizing en op de mogelijkheid dat een adresonderzoek wordt gestart door de gemeente. In reactie hierop heeft eiser bij e-mail van 12 april 2023 onder meer meegedeeld dat hij geen nieuw adres heeft, maar van gastadres naar gastadres gaat en soms zelfs in de auto moet slapen. Eiser heeft het college verzocht om af te zien van uitschrijving.
3.3.
Bij brief van 28 maart 2023 heeft het college eiser bericht dat een adresonderzoek is gestart, omdat eiser mogelijk niet meer aan de [adres 1] woont. Als eiser wel op dit adres woont dan kon hij het formulier ‘verklaring woonadres’ invullen en retourneren. Ook staat in de brief dat eiser een adreswijziging kan doorgeven, als hij is verhuisd. Als geen reactie wordt ontvangen, wordt eiser uitgeschreven uit de brp. Eiser heeft niet op deze brief gereageerd.
3.4.
Bij brief van 26 juni 2023 heeft het college eiser bericht dat uit het adresonderzoek is gebleken dat hij niet meer op het adres [adres 1] te [plaats 1] woont en dat hij geen nieuw adres heeft doorgegeven. Het college heeft daarom het voornemen om eiser en zijn zoon uit te schrijven uit de brp van de gemeente Zevenaar. Als geen reactie wordt ontvangen, wordt eiser uitgeschreven uit de brp. Eiser heeft niet op deze brief gereageerd.
3.5.
Bij besluit van 27 juli 2023 heeft het college eiser en zijn zoon met ingang van
26 juni 2023 uitgeschreven uit de brp in verband met het vertrek uit Nederland.
3.6.
Bij e-mail van 4 september 2023 heeft eiser gevraagd om een briefadres aan het college. Op 24 september 2023 heeft eiser bij het college een aanvraag ingediend voor een briefadres op het adres van de gemeente Zevenaar. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 2 oktober 2023 afgewezen en daaraan ten grondslag gelegd dat eiser het grootste gedeelte in het buitenland verblijft en niet kan worden bereikt.
3.7.
Eiser heeft tegen de besluiten van 27 juli 2023 en 2 oktober 2023 bezwaar gemaakt. Met het besluit van 17 januari 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij die besluiten gebleven.
3.8.
Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld tegen het besluit van 17 januari 2024. In de uitspraak van 14 februari 2025 heeft deze rechtbank het beroep gegrond verklaard, omdat het college onvoldoende heeft onderzocht of eiser bereikbaar was in de zin van 2.22, eerste lid, van de Wet Basisregistratie Personen (Wet brp), en ook of eiser nog in Nederland verbleef of dat hij naar het buitenland was vertrokken. De rechtbank heeft daarom met die uitspraak het besluit van 17 januari 2024 vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit op de bezwaren van eiser te nemen. Daarbij heeft de rechtbank opgemerkt dat het duidelijk was dat eiser in maart en april 2023 geen woonadres had. In die situatie had aan de orde moeten komen of aan eiser ambtshalve een briefadres toegekend had moeten worden. De rechtbank geeft het college in overweging om daarop in te gaan bij het nemen van een nieuw besluit op het bezwaar, alsnog zo’n besluit te nemen als het college dat nodig acht, en te bezien welke gevolgen dat heeft voor de uitschrijving uit de brp per 26 juni 2023.
3.9.
Het college heeft vervolgens op 8 mei 2025 een nieuw besluit (bestreden besluit) genomen waarbij de bezwaren tegen de besluiten van 27 juli 2023 en 2 oktober 2023 opnieuw ongegrond zijn verklaard, omdat eiser niet alle relevante informatie heeft verstrekt om te kunnen vaststellen wat het verblijfadres van eiser en zijn zoon is en of zij naar het buitenland zijn vertrokken.
Uitschrijving uit de brp
4. In artikel 2.22, eerste lid, van de Wet brp is bepaald wanneer het college iemand ambtshalve moet uitschrijven als ingezetene uit de brp. Er zijn drie voorwaarden: i) de ingezetene kan niet worden bereikt, ii) van hem is geen aangifte van wijziging van adres of van vertrek ontvangen en iii) na gedegen onderzoek kunnen geen gegevens over hem worden achterhaald over het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland en het volgende verblijf buiten Nederland. Er mag niet lichtvaardig tot ambtshalve toepassing van artikel 2.22 van de Wet brp worden overgegaan. De gevolgen daarvan zijn immers aanzienlijk. Voor de ingeschrevene betekent het dat de verschillende overheidsorganen (en derden) er in beginsel vanuit gaan dat hij niet meer in Nederland verblijft. Zij zullen bijvoorbeeld uitkeringen en andere vormen van dienstverlening ten behoeve van betrokkene in beginsel stopzetten.
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat de periode waarover deze beroepszaak gaat loopt van 26 juni 2023 tot 21 februari 2024. Vanaf 26 juni 2023 is eiser namelijk uitgeschreven uit de brp en per 21 februari 2024 is aan eiser een briefadres toegekend in de gemeente Houten. Dat eiser per februari 2026 geen briefadres meer heeft in de gemeente Houten, maakt het voorgaande niet anders. Eiser kan namelijk een nieuwe aanvraag doen voor een briefadres per februari 2026.
4.2.
Eiser stelt dat hij ten onrechte is uitgeschreven uit de brp per 26 juni 2023. Er is namelijk geen sprake van een gedegen onderzoek en het college kan op basis van de vergaarde informatie niet tot de conclusie komen dat eiser uit Nederland is vertrokken. Dat eiser volgens het college geen concrete informatie en bewijsstukken over zijn verblijfplaats heeft verstrekt, maakt niet dat daaraan de conclusie mocht worden verbonden dat eiser niet meer in Nederland verbleef en daarom moest worden uitgeschreven uit de brp. [3] Het gedegen onderzoek kan niet zijn afgerond met de enkele vaststelling dat eiser onvoldoende gegevens heeft aangeleverd.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college eiser terecht heeft uitgeschreven uit de brp. Niet in geschil is dat eiser niet kon worden bereikt op het inschrijfadres [4] en dat hij geen aangifte van wijziging van adres of van vertrek heeft doorgegeven. Daarmee is aan de eerste twee voorwaarden voor ambtshalve uitschrijving uit de brp voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is ook voldaan aan de derde voorwaarde voor uitschrijving, namelijk dat na gedegen onderzoek geen gegevens over eiser kunnen worden achterhaald over zijn verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland en het volgende verblijf buiten Nederland. Na de uitspraak van deze rechtbank van 14 februari 2024 heeft het college op 14 maart 2025 en
14 april 2025 eiser verzocht informatie aan te leveren over zijn verblijfplaats. Daarnaast heeft het college in een eerder stadium al contact opgenomen met de wijkagent en de leerplichtambtenaar over de mogelijke verblijfplaats van eiser en zijn zoon. De rechtbank acht dit onderzoek voldoende. Ook na de inwinning van deze informatie heeft het college geen gegevens kunnen achterhalen over het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland en het volgende verblijf buiten Nederland.
4.4.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het college eiser terecht heeft uitgeschreven uit de brp. Vervolgens is de vraag of het college op grond van artikel 2.23 van de Wet brp gehouden was om aan eiser ambtshalve of op aanvraag een briefadres toe te kennen.
Briefadres
5. In artikel 2.23 van de Wet brp staat wanneer iemand met een briefadres in de brp kan worden opgenomen. Uit de tekst van deze bepaling en het systeem van de Wet brp volgt dat iemand, afgezien van de in artikel 2.40 en 2.41 bedoelde gevallen, slechts op een briefadres kan worden ingeschreven, indien degene op zich voldoet aan de vereisten voor inschrijving in de brp, maar geen woonadres heeft. Gelet op artikel 2.1, in samenhang gelezen met artikel 2.4 van de Wet brp, is een van die vereisten dat een persoon naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in Nederland verblijf zal houden. [5]
5.1.
Eiser stelt dat ten onrechte geen briefadres aan hem is toegekend. Doordat eiser een zwervend bestaan leidt en het vertrek uit Nederland wordt ingevuld door de ambtshalve uitschrijving maakt hij als niet-ingezetene geen aanspraak op een briefadres. Een zwervend bestaan hoeft echter niet in de weg te staan aan de toekenning van een briefadres. [6] Daarnaast stelt eiser dat in de uitspraak van 14 februari 2025 deze rechtbank heeft bevestigd dat eiser in maart en april 2023 geen woonadres had. Eiser begrijpt dan ook niet dat het college in het bestreden besluit overweegt dat niet kan worden vastgesteld dat eiser en zijn zoon geen woonadres hadden. Het college leeft de uitspraak van de rechtbank niet na door niet te onderkennen dat er in 2023 aanleiding bestond voor het toekennen van een briefadres. Indien het college ambtshalve een briefadres had toegekend aan eiser, had de uitschrijving uit de brp niet plaatsgevonden.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat eiser niet in aanmerking komt voor een briefadres omdat hij niet voldoet aan het vereiste dat hij gedurende een half jaar tenminste twee derde van de tijd in Nederland heeft verbleven. Op basis van de uitkomsten van het door het college verrichte onderzoek kon het college tot de conclusie komen dat eiser verblijf hield in het buitenland. Daarbij komt dat eiser zelf informatie heeft aangeleverd over zijn verblijf waaruit blijkt dat hij over een periode van 478 dagen slechts voor 69 dagen heeft aangetoond dat hij in Nederland was. Eiser heeft ook geen enkele onderbouwing overgelegd voor zijn stelling dat hij voor een langere tijd aan [adres 2] in [plaats 2] heeft verbleven, zodat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij meer dan 69 dagen in Nederland heeft verbleven. Op basis van het voorgaande heeft het college zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is geworden dat eiser gedurende een half jaar ten minste twee derde van zijn tijd in Nederland heeft verbleven. Eiser is daardoor geen ingezetene in de zin van de Wet brp. Het college heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om ambtshalve aan eiser een briefadres toe te kennen dan wel eisers aanvraag voor een briefadres toe te wijzen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van
mr.L. Janssen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
3.Eiser wijst ter ondersteuning van zijn standpunt op rechtbank Midden-Nederland 3 maart 2023,
4.Uit vaste rechtspraak volgt dat het begrip ‘bereikbaar’ gaat over de vraag of de ingeschrevene in persoon bereikbaar is op het inschrijfadres. Zie ABRvS 21 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2410.
5.ABRvS 26 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2027.
6.Eiser wijst ter ondersteuning op rechtbank Rotterdam 16 augustus 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:7503.