Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4440

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
ARN 20_4486
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:29 AwbArt. 10 WobArt. 11 WobArt. 365 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toewijzing Wob-verzoek en verplichting tot nieuw besluit over politiegegevens

Eisers hebben op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) verzocht om openbaarmaking van een groot aantal documenten die op hen betrekking hebben. De minister van Justitie en Veiligheid heeft dit verzoek deels afgewezen, met name op basis van de Wet politiegegevens (Wpg) en andere weigeringsgronden. Eisers zijn het niet eens met deze afwijzing en hebben beroep ingesteld.

De rechtbank oordeelt dat de minister niet volledig heeft voldaan aan de zoekplicht en dat de hoorplicht jegens eisers is geschonden. Daarnaast is onvoldoende gemotiveerd waarom bepaalde documenten niet openbaar zijn gemaakt, met name die op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob en de Wpg. De rechtbank stelt dat sommige documenten wel geschoond openbaar kunnen worden gemaakt en dat de minister een nieuw besluit moet nemen over de documenten die op de Wpg zijn geweigerd.

Verder is de redelijke termijn voor de procedure overschreden, waardoor eisers recht hebben op een schadevergoeding van €7.000. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en legt een termijn van 16 weken op voor het nemen van het nieuwe besluit.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen over documenten geweigerd op grond van de Wpg en artikel 10 Wob.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 20/4486

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres] , uit [plaats 1] , eisers

en

de minister van Justitie en Veiligheid

(gemachtigden: mr. B.R. Boerboom en mr. E.C. Pietermaat).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van eisers op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) van 2 mei 2016. Zij hebben verzocht om openbaarmaking van een groot aantal op hen betrekking hebbende documenten. Eisers zijn het niet eens met de beslissing op hun verzoek. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de gedeeltelijke afwijzing van hun verzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eisers krijgen op een aantal punten gelijk. De minister moet een nieuw besluit nemen op hun bezwaar ten aanzien van de documenten die met een beroep op de Wet politiegegevens (Wpg) zijn geweigerd. Eisers krijgen hun proceskosten vergoed en hebben recht op schadevergoeding omdat de redelijke termijn voor het doen van een uitspraak is overschreden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak en staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Vanaf 5 worden de beroepsgronden van eisers besproken met betrekking tot de vraag of het besluit voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Vanaf 9 gaat de rechtbank in op de beroepsgronden van eisers tegen de inhoudelijke beoordeling van hun verzoek. Onder 16 staan de conclusie van de rechtbank en de gevolgen daarvan weergegeven.

Procesverloop

2. Op 2 mei 2016 hebben eisers bij het College van procureurs-generaal van het Openbaar Ministerie (OM) een verzoek om informatie op grond van de Wob ingediend.
2.1.
Met het besluit van 2 mei 2017 heeft de minister op het verzoek beslist.
2.2.
Met het besluit van 20 november 2017 heeft de minister het besluit van 2 mei 2017 herzien. Daarbij zijn documenten van het Functioneel Parket gedeeltelijk openbaar gemaakt.
2.3.
Met het besluit van 4 juli 2018 heeft de minister het bezwaar van eisers tegen de besluiten van 2 mei 2017 en 20 november 2017 niet-ontvankelijk verklaard.
2.4.
Bij uitspraak van 9 december 2019 heeft de rechtbank het beroep van eisers tegen het besluit van 4 juli 2018 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. [1]
2.5.
Met het besluit van 14 juli 2020 is namens de minister het bezwaar van eisers tegen het besluit van 2 mei 2017 gedeeltelijk gegrond verklaard en zijn de (gedeeltelijk) openbaar gemaakte documenten als bijlagen in de mappen A1 tot en met H bij dit besluit gevoegd.
2.6.
Met het besluit van 24 augustus 2020 heeft de minister het besluit van 14 juli 2020 bekrachtigd.
2.7.
Eisers hebben tegen het besluit van 14 juli 2020 beroep ingesteld.
2.8.
Op 26 april 2021 heeft de minister een aanvullend besluit genomen en nog een aantal documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt.
2.9.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de beroepen 20/3025, 20/5310 en 21/2140 op 20 april 2023 op zitting behandeld. [2] Hieraan hebben deelgenomen: eiseres [eiseres] en mr. Boerboom, vergezeld door [persoon A] . De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst en heeft partijen vervolgens schriftelijk vragen gesteld. Partijen hebben hierop schriftelijk gereageerd.
2.10.
De minister heeft op 29 maart 2024 een verweerschrift ingediend.
2.11.
De rechtbank heeft partijen bericht dat zij gelet op de grote hoeveelheid documenten wil volstaan met een steekproef. De rechtbank heeft de behandeling van het beroep voortgezet op de zitting van 25 april 2024. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en mr. Boerboom, vergezeld door [persoon B] . De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting vervolgens opnieuw geschorst. Zij heeft de minister verzocht om nog een aantal aanvullende stukken (ingediende zienswijzen) over te leggen.
2.12.
De minister heeft een aantal zienswijzen overgelegd met het verzoek om te bepalen dat alleen de rechtbank van de niet-geanonimiseerde versies kennis mag nemen. De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft dit verzoek toegewezen.
2.13.
Eisers hebben voor de zienswijzen de toestemming als bedoeld in artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verleend, met uitzondering van zienswijze 8.
2.14.
De rechtbank heeft de behandeling van de beroepen voortgezet op de zitting van 15 oktober 2024. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en mr. Boerboom, vergezeld door [persoon B] . Na de zitting zijn de zaken gesplitst.
2.15.
In verband met de beoordeling van het verzoek om schadevergoeding heeft de rechtbank de Staat der Nederlanden (Staat) als partij aangemerkt.

Beoordeling door de rechtbank

3. Op 1 mei 2022 is de Wet open overheid (Woo) in werking getreden. Het besluit op bezwaar, de bekrachtiging en het aanvullend besluit die in deze zaak ter beoordeling staan, zijn genomen op 14 juli 2020, 24 augustus 2020 en 26 april 2021, dus voor 1 mei 2022. Dat betekent dat de Wob op deze besluiten nog van toepassing is.
4. De beroepsgronden bevatten algemene gronden en gronden die zien op geheel of gedeeltelijk niet openbaar gemaakte documenten en de daarop toegepaste weigeringsgronden. De rechtbank bespreekt eerst de algemene gronden. Vervolgens komen gronden over specifieke documenten aan de orde.
4.1.
De minister heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken zowel digitaal als twee keer in papieren vorm aangeleverd. Op zitting is gebleken dat bij de laatste set stukken die bij de rechtbank zijn ingediend, er bij enkele documenten (per abuis) minder is weggelakt dan in de eerder aan de rechtbank toegezonden (digitale) versies het geval is. De rechtbank zal bij de beoordeling uitgaan van de documenten, zoals de minister heeft bedoeld om deze wel of niet openbaar te maken. De rechtbank zal daarbij gebruik maken van de digitale versie van de documenten zoals deze zijn aangeleverd door de minister.
Algemene beroepsgronden
Heeft de minister een volledige zoekslag verricht?
5. Eisers voeren aan dat de minister geen gehoor heeft gegeven aan de opdracht in rechtsoverweging 7 van de rechtbank in de uitspraak van 9 december 2019 om bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar alsnog expliciet (te beslissen) over de openbaarmaking van de door eisers genoemde ‘andere soort’ documenten. Het betreft onder meer WhatsApp- en sms-berichten, notulen van vergaderingen, etc. Eisers voeren aan dat het bepaald onwaarschijnlijk is te noemen dat zich onder de stukken geen enkel WhatsApp-bericht, sms-bericht, agendastuk, notulen van vergadering, PowerPoint-presentatie dan wel enig andersoortig document dan een e-mail, memo of ambtsbericht bevond.
5.1.
Volgens vaste rechtspraak is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer bij hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch bij dat bestuursorgaan berust. Bij de beoordeling of een stelling van een bestuursorgaan de rechtbank niet ongeloofwaardig voorkomt, wordt betrokken op welke wijze het onderzoek is verricht.
5.2.
Eisers hebben verzocht om:
‘- alle documenten (brieven, faxberichten, e-mails, chatberichten, (telefoon)notities, memoranda, vergaderstukken (uitnodigingen, bijlagen, verslagen), ambtsberichten, processen-verbaal en andere dan de hiervoor genoemde geschriften), alle zowel vastgelegd in schriftelijke als in digitale vorm/op niet-schriftelijke informatiedragers, al deze al of niet geleid hebbende tot (concepten van) besluiten (ieder van) eisers betreffende;
- betreffende en/of zelf vormende de (schriftelijke en/of digitale vastleggingen van) de (schriftelijke en/of mondelinge) contacten tussen en binnen ieder van de volgende (groepen van (autoriteiten, bestuursorganen, ambten en/of (rechts)personen:
( i) (oud)leden van uw college (in de hierna te noemen perioden) en (in het kader van dit verzoek relevante) medewerkers van uw college,
(ii) personen die optraden als functionele autoriteiten en/of parketleidingen van mijn cliënten (in de hierna te noemen perioden)en (in het kader van dit verzoek relevante) medewerkers van deze functionele autoriteiten/parketleidingen,
(iii) zaaks(hoofd)officieren van justitie van/bij het Functioneel Parket, het Landelijk Parket, de Rijksrecherche, het arrondissementsparket Amsterdam alsook het arrondissementsparket Midden-Nederland (in de hierna te noemen perioden) en (in het kader van dit verzoek relevante) medewerkers van deze officieren en parketten;
(iv) de Minister van Veiligheid en Justitie in de personen van de heer [persoon C] en de heer [persoon D] en (in het kader van dit verzoek relevante) medewerkers van de Minister van Veiligheid en Justitie,
( v) de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie in de personen van de heer [persoon E] en [persoon F] en (in het kader van dit verzoek relevante) medewerkers,
(vi) het Kabinet van [persoon G] en (in het kader van dit verzoek relevante) tussenpersonen en/of medewerkers,
(vii) journalisten en (andere) vertegenwoordigers van de pers,
(viii) mevrouw [persoon H], wonende te [plaats 2] en vertegenwoordigers van haar, en
(ix) derden die (in de hierna te noemen perioden) informatie hebben verstrekt over mijn cliënten, ieder afzonderlijk als tezamen, aan uw college en de hiervoor genoemde autoriteiten, bestuursorganen, ambten en/of (rechts)personen;
- over de perioden 1 januari 2010 tot en met 31 december 2014 alsook 1 januari 2015 tot en met de hierna te noemen datum van 30 mei 2016.’
5.3.
In het bestreden besluit stelt de minister zich op het standpunt dat sprake is geweest van een zeer ruime inventarisatie van documenten, bij de verschillende betrokken onderdelen van het OM – zo blijkt alleen al uit het feit dat naar aanleiding van het verzoek van eisers is besloten over de openbaarmaking van ruim 3.000 documenten. De stellingen van eisers dat bepaalde soorten documenten zouden ontbreken, zijn in dat licht onvoldoende concreet om te kunnen leiden tot een gegrondverklaring van dit deel van het bezwaar. In het verweerschrift betoogt de minister dat bij de zoekslag geen sms- en WhatsApp-berichten zijn aangetroffen. Dat is volgens de minister verklaarbaar. Het was (en is) binnen het OM niet gangbaar om via sms of WhatsApp over dergelijke (gevoelige) dossiers informatie uit te wisselen. Nergens uit blijkt dat deze informatie er wel zou moeten zijn. Ook de veelheid aan (wel) aangetroffen informatie, biedt daar geen enkel aanknopingspunt voor, aldus de minister.
5.4.
De rechtbank stelt vast dat de minister tijdens de beroepsprocedure nog enkele documenten die onder de reikwijdte van het Wob-verzoek vallen, heeft aangetroffen. In de drie beroepszaken waarin de rechtbank vandaag uitspraak doet, heeft de minister in de bijlage bij het verweerschrift ook aangegeven over enkele PowerPointpresentaties te beschikken. In zoverre was de oorspronkelijke zoekslag niet volledig. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit om die reden vernietigen. De rechtbank zal het college niet opdragen om met betrekking tot de zoekslag een nieuw besluit op bezwaar te nemen, omdat er geen reden is om aan te nemen dat de zoekslag ook na de in de beroepsfase aangeleverde aanvullende stukken niet volledig is. De uitleg van de minister is plausibel en de rechtbank ziet in wat eisers aanvoeren geen reden om aan die uitleg te twijfelen of om te oordelen dat de uiteindelijke zoekslag onvolledig is geweest.
Is de hoorplicht geschonden?
6. Eisers voeren aan dat de minister hen in bezwaar ten onrechte niet heeft gehoord.
6.1.
De minister erkent dat eisers ten onrechte niet zijn gehoord. De beroepsgrond slaagt.
Moet de minister de in bezwaar gemaakte kosten vergoeden?
7. Eisers voeren aan dat de minister in het bestreden besluit ten onrechte heeft nagelaten te beslissen over de vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten. Aangezien het bezwaarschrift is ingediend door hun raadsman moeten de kosten voor het indienen daarvan door de minister worden vergoed.
7.1.
De minister erkent dat hij ten onrechte geen besluit over de kosten in bezwaar heeft genomen en dat voor het indienen van het bezwaarschrift door de raadsman van eisers 1 punt had moeten worden toegekend. [3] De beroepsgrond slaagt.
Specifieke beroepsgronden en de steekproef
8. Het verzoek heeft betrekking op een zeer groot aantal documenten. De rechtbank heeft om die reden aan de hand van de beroepsgronden door middel van een steekproef een aantal documenten geselecteerd. De rechtbank komt na kennisneming van de geselecteerde stukken, waarop artikel 8:29 van Pro de Awb van toepassing is, tot de volgende beoordeling.
9. De rechtbank heeft bij wijze van steekproef voor elke weigeringsgrond - voor zover tussen partijen in geschil - tien documenten geselecteerd. Als een weigeringsgrond op minder dan tien documenten is toegepast, zijn al die documenten geselecteerd. Vervolgens heeft de rechtbank ten aanzien van de geselecteerde documenten beoordeeld of de minister de gehanteerde weigeringsgronden heeft mogen inroepen. Eiseres hebben op de zitting verzocht om de steekproef aan te passen. De rechtbank heeft, op een kleine aanpassing na, daar geen aanleiding voor gezien, omdat zij de steekproef voldoende representatief vindt. Hierna zal de rechtbank de geselecteerde documenten aanduiden zoals deze door de minister zijn genummerd op de inventarislijst.
Artikel 365 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv)
10. Eisers voeren aan dat de minister moet motiveren hoe artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob en de documenten die de minister met een beroep hierop niet openbaar heeft gemaakt zich verhoudt tot artikel 365 Sv Pro.
10.1.
Artikel 365 Sv Pro bevat een bijzondere en uitputtende regeling voor openbaarmaking, die aan de Wob derogeert. Het artikel geeft een exclusieve bevoegdheid aan de voorzitter van de strafkamer om een afschrift van de in dat artikel vermelde, tot het strafdossier behorende stukken aan derden te verstrekken. Van andere tot het strafdossier behorende stukken wordt, gelet op die uitputtende regeling, geen afschrift of uittreksel verstrekt. [4]
10.2.
De rechtbank heeft met betrekking tot deze weigeringsgrond één document geselecteerd en beoordeeld: map D document 18. Meer documenten waarbij de minister zich heeft beroepen op artikel 365 Sv Pro heeft de rechtbank niet aangetroffen. Gezien de inhoud van het document ziet de rechtbank geen reden om er aan te twijfelen dat dit document deel uitmaakt van een strafdossier. Dit betekent dat niet de Wob, maar artikel 365, vijfde lid, Sv op het document van toepassing is en dat het aan de strafrechter is om over de verstrekking daarvan te beslissen. De door eisers opgeworpen vraag welke documenten de minister (dan) met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob niet zou hoeven te openbaren behoeft geen bespreking.
Artikel 11 van Pro de Wob (intern beraad)
11. Eisers voeren aan dat de minister met deze weigeringsgrond soms niet eens duidelijk heeft gemaakt wat voor (soort) document het betreft en/of wat (globaal) de inhoud ervan is. Verder voeren eisers aan dat de minister niet enkel heeft kunnen weigeren de conceptdocumenten te openbaren omdat het concepten betreft.
11.1.
De rechtbank heeft met betrekking tot deze weigeringsgrond de volgende documenten geselecteerd en beoordeeld: map A4, 21 en 61, map A6, 3, map C, 22 en 56, map D, 26, map F, 53, map G, 28 en 92 en map H, 72.
11.2.
De minister stelt zich op het volgende standpunt. Uit het feit dat documenten intern zijn gewisseld (zoals e-mails of brieven), zijn opgesteld ten behoeve van collega’s of leidinggevenden (zoals nota’s of memo’s) of binnen het kader van een strafrechtelijk onderzoek (met de daarbij horende vertrouwelijkheid) blijkt al dat deze bestemd zijn voor intern beraad. Voor zover de conceptdocumenten afwijken van de definitieve versie, gelden die afwijkingen als persoonlijke beleidsopvattingen (niet overgenomen tekstvoorstellen) van de opsteller die de minister niet openbaar maakt. De minister ziet geen aanleiding om met het oog op een goede en democratische bestuursvoering beleidsopvattingen openbaar te maken in niet tot personen herleidbare vorm.
11.3.
Document 61 bevindt zich niet onder de documenten die de minister onder artikel 8:29 van Pro de Awb heeft overgelegd. De minister heeft op de zitting van 24 oktober 2024 aangegeven dat de bijlage bij document 61 van map A4 niet meer is aangetroffen. Eisers hebben niet bestreden dat het document niet langer voorhanden is. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de mededeling van de minister. Het beroep zal op dit punt wel gegrond worden verklaard. Maar omdat het document niet meer te vinden is, hoeft de minister over dit document geen nieuw besluit te nemen.
De overige geselecteerde documenten bevatten concepten, voorstellen, discussies, analyses en conclusies. Het betreft zonder uitzondering documenten ten behoeve van intern beraad. De minister heeft openbaarmaking van deze documenten op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob daarom mogen weigeren en hoefde dat niet verder te motiveren. De beroepsgrond slaagt dus uitsluitend met betrekking tot document 61.
Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob (opsporing en vervolging van strafbare feiten)
12. Volgens eisers heeft de minister zich niet op het standpunt gesteld dat van een belemmering van de vervolging van strafbare feiten sprake is, zodat sprake is van een gebrekkige motivering. Verder voeren eisers aan dat de motivering van de minister dat de betreffende documenten van belang zijn voor een prudente en onbelemmerde behandeling van de nog lopende strafzaak, mede in het licht van de bijzondere en uitputtende regeling van artikel 365 Sv Pro onbegrijpelijk is. Documenten kunnen zich niet enerzijds niet in het strafdossier bevinden maar anderzijds wel van belang zijn voor de prudente en onbelemmerde behandeling van de nog lopende strafzaak.
12.1.
Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob, zoals die gold ten tijde van belang, bepaalde dat het verstrekken van informatie ingevolge deze wet (eveneens) achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten.
12.2.
De rechtbank heeft met betrekking tot deze beroepsgrond de volgende documenten geselecteerd en beoordeeld: map C document 8, map E document 6, map H documenten 4, 11, 22, 28, 59, 68, 71 en 73.
12.3.
De weggelakte passage in document 8 van map C betreft een beklag over een sepot. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een beklag van een derde inzage geeft in de wijze waarop het OM met opsporing en vervolging omgaat. De minister heeft niet inzichtelijk gemaakt dat en zo ja welke strategische afwegingen en keuzes van het OM worden onthuld. Het beroep is op dit punt gegrond.
Document 73 van map H betreft een ambtsbericht aan de minister. Een gedeelte van dat document ziet niet op opsporing en vervolging van strafbare feiten. De minister heeft de openbaarmaking van dit gedeelte niet mogen weigeren op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob. De rechtbank verbindt hieraan echter geen consequenties, omdat de minister de weigering om deze passage openbaar te maken ook heeft gebaseerd op artikel 11, eerste lid, van de Wob. De rechtbank is van oordeel dat de passage is opgesteld ten behoeve van intern beraad. De minister heeft openbaarmaking van het gedeelte daarom mogen weigeren. Deze weigeringsgrond kan de beslissing dragen om doc 73 van Map H niet openbaar te maken.
De overige geselecteerde documenten geven inzicht in de afwegingen en keuzes die bij opsporing en vervolging worden gemaakt, en welke feiten en omstandigheden daarbij worden betrokken. De minister heeft artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob op deze documenten mogen toepassen vanwege het specifieke belang van een prudente en onbelemmerde behandeling van de strafzaak van eiser bij het gerechtshof Den Haag. De minister heeft er daarbij terecht op gewezen dat het belang van opsporing en vervolging niet alleen in het geding is vanwege het strafrechtelijk onderzoek naar en de vervolging van eiser, en de aangiftes die eiser en zijn ex-partner over en weer hebben gedaan. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze weigeringsgrond ook dient om te voorkomen dat informatie openbaar wordt over de (strategische) afwegingen en keuzes die politie en OM maken in onderzoeken. Dit met het oog op het toepassen van dezelfde technieken en strategieën in toekomstige onderzoeken, zonder dat toekomstige verdachten daar rekening mee kunnen houden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het belang van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob aan de orde is en dat dit belang zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid van de geselecteerde documenten.
12.4.
De rechtbank gaat er daarbij van uit dat de stukken die (terecht) zijn geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob zich niet ook in het strafdossier bevinden, zoals de minister heeft verklaard. De rechtbank is zich er van bewust dat het niet mogelijk is om zonder het integrale strafdossier na te lezen met zekerheid vast te stellen dat dit standpunt van de minister juist is. Maar eisers worden er niet door benadeeld dat de rechtbank deze controle niet kan verrichten, aangezien stukken die onder artikel 365, vijfde lid, Sv vallen ook niet openbaar kunnen worden gemaakt.
Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob (onevenredige benadeling en bevoordeling)
13. Eisers voeren aan dat de minister niet heeft gemotiveerd of en zo ja, welk deel van de niet geopenbaarde tekst is weggelaten met een beroep op dit artikellid.
13.1.
De rechtbank heeft met betrekking tot deze weigeringsgrond de volgende documenten geselecteerd en beoordeeld: map F, 51, 54 en 88, map H, 4, 7, 8, 22, 59, 68 en 73.
13.2.
Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob, zoals dat gold ten tijde van belang en voor zover hier van belang, luidde:
“Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen […] het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.”
13.3.
Uit de rechtspraak volgt dat artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob de meest algemene uitzonderingsgrond is die kan worden toegepast als door het verstrekken van informatie andere belangen dan de in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, genoemde belangen te zeer worden geschaad. Deze bepaling voorziet daarmee in de behoefte om de Wob te kunnen toepassen in zeer verschillende, niet voorspelbare situaties. [5]
13.4.
Aan de vraag of de minister openbaarmaking van de geselecteerde documenten heeft mogen weigeren met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob, komt de rechtbank niet toe. De minister heeft ten aanzien van deze documenten ook artikel 11, eerste lid, van de Wob toegepast. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister openbaarmaking van de geselecteerde documenten al op grond van dat artikel van de Wob mogen weigeren. Dit betekent dat een beoordeling van de g-grond niet meer zou kunnen leiden tot de door eisers gewenste openbaarmaking.
Wet politiegegevens (Wpg)
14. Eisers voeren aan dat de minister in het bestreden besluit niet is ingegaan op hetgeen zij in bezwaar hebben aangevoerd over de weigering op grond van de Wpg. Zij wijzen nogmaals op een uitspraak van de Afdeling van 9 april 2014 [6] waarin is overwogen dat ‘de Wpg een uitputtende regeling (bevat) voor de verstrekking van politiegegevens als bedoeld in (…) die wet.’ De Afdeling vervolgde dat ‘het verstrekkingenregime van de Wpg uitsluitend betrekking op politiegegevens (heeft) als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wpg en, anders dan de Wob, niet op documenten waarin ze zijn vervat. In dit stelsel brengt de omstandigheid dat een document politiegegevens bevat, niet met zich dat het document als zodanig onder de werking van de Wpg valt, ook voor zover dit document andere gegevens dan politiegegevens in voormelde zin bevat. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat gegevens welke zijn vervat in documenten die zijn opgesteld in het kader van de uitvoering van de politietaak, integraal onder het regime van de Wpg vallen.’
14.1.
De rechtbank heeft de volgende documenten geselecteerd en beoordeeld: map C documenten 1, 2, 3, 4, 6, 7 en 36.
14.2.
Volgens vaste rechtspraak bevat de Wpg een uitputtende regeling voor de verstrekking van politiegegevens als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van die wet. Voor zover gegevens als politiegegevens in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van de Wpg moeten worden aangemerkt, is er geen plaats voor toepassing van de Wob op een verzoek om verstrekking van die gegevens.
Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt verder dat het verstrekkingenregime van de Wpg uitsluitend betrekking heeft op politiegegevens als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wpg en, anders dan de Wob, niet op documenten waarin ze zijn vervat. Gegevens welke zijn vervat in documenten die zijn opgesteld in het kader van de uitvoering van de politietaak, vallen niet integraal onder het regime van de Wpg. [7] Indien stukken niet geheel bestaan uit informatie waaruit kan worden afgeleid welke persoon aan het woord is of over wie wordt verklaard, moet het mogelijk worden geacht de stukken zodanig te schonen, dat daaruit vervolgens niet meer kan worden afgeleid wie over wie welke verklaring heeft afgelegd. [8]
14.3.
De rechtbank stelt vast dat de geselecteerde documenten zien op onder andere een aangifte van mishandeling en op mutatierapporten. Alle documenten bevatten gegevens die onder het verstrekkingenregime van de Wpg vallen. Anders dan de minister in het verweerschrift veronderstelt, ziet de rechtbank echter niet in dat alle informatie in deze documenten is aan te merken als gegevens betreffende geïdentificeerde of identificeerbare personen. Naar het oordeel van de rechtbank moet het mogelijk worden geacht om stukken van de documenten, waarvan sommige meerdere pagina’s groot zijn, zodanig te schonen dat daaruit vervolgens niet meer kan worden afgeleid van wie of over wie verklaringen zijn afgelegd. De beroepsgrond slaagt.
Hebben eisers recht op schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn?
15. Met betrekking tot de hoogte van de schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, overweegt de rechtbank het volgende.
15.1.
De redelijke termijn is voor een procedure in twee instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500 per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
15.2.
In een geval als dit, waarin een vernietiging door de rechtbank van een beslissing op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en een herhaalde behandeling door de rechter, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden niet voor rekening van het bestuursorgaan maar voor rekening van de Staat.
15.3.
In deze zaak betekent dat het volgende. Vanaf de indiening van het bezwaarschrift van eisers op 13 juni 2017 tot de datum van deze uitspraak zijn acht jaar en ruim elf maanden verstreken. Noch de zaak zelf, noch de opstelling van eisers geven aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan twee jaar mag bedragen. De redelijke termijn is dus met zes jaar en ruim elf maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 7.000.
15.4.
De eerste behandeling door de rechtbank heeft niet meer dan anderhalf jaar geduurd. De behandeling van het tweede beroep door de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 20 augustus 2020 tot de datum van deze uitspraak heeft meer dan anderhalf jaar geduurd, zodat in de tweede rechterlijke fase sprake is van een te lange behandelingsduur. Hieruit volgt dat de overschrijding van de redelijke termijn aan de Staat is toe te rekenen.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is gegrond gelet op wat de rechtbank onder 5 (zoekslag), 6 (hoorplicht), 7 (in bezwaar gemaakte kosten), 11 (intern beraad) 12 (opsporing en vervolging van strafbare feiten) en 14 (Wpg) heeft overwogen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank zal de minister opdragen eisers alsnog een vergoeding toe te kennen die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt begroot op € 666. Over de toepassing van artikel 11 van Pro de Wob hoeft de minister geen nieuw besluit op bezwaar te nemen. Het ontbreken van één geselecteerd document waarop dat artikel is toegepast, is daarvoor onvoldoende reden. Wel zal de minister een nieuw besluit moeten nemen over de documenten die hij met verwijzing naar de Wpg niet openbaar heeft gemaakt. Ook zal de minister een nieuw besluit moeten nemen over het onder 12.3 genoemde document (8 van map C). De minister zal daarbij ook moeten beoordelen of er andere documenten zijn die ten onrechte op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob zijn geweigerd. De minister mag zich in die beoordeling beperken tot (passages van) documenten die niet tevens op grond van artikel 11 van Pro de Wob zijn geweigerd. De rechtbank stelt de termijn voor het nemen van een nieuw besluit op 16 weken. Verder krijgen eisers schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Voor verdere finalisering van het geschil ziet de rechtbank geen mogelijkheid.
16.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten in beroep. De minister moet deze vergoeding betalen. Eisers hebben verzocht om vergoeding van hun reiskosten. Eiseres heeft de zitting op 23 april 2023 bijgewoond. Eisers waren aanwezig op de zittingen van 25 april 2024 en 15 oktober 2024. De rechtbank begroot deze kosten op €199,70.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op om binnen zestien weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eisers met betrekking tot documenten of delen daarvan die op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wob of op grond van de Wpg niet openbaar zijn gemaakt;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor het overige in stand blijven;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van € 7.000 aan schadevergoeding aan eisers;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 178 aan eisers moet vergoeden.
- veroordeelt de minister tot betaling € 865,70 ( € 666 + € 199,70) aan in bezwaar en beroep gemaakte kosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Rosmalen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.De zaken 20/4486 en 20/5310 hebben betrekking op hetzelfde Wob-verzoek. Zaak 20/4486 gaat over alle informatie van alle organisatieonderdelen behalve het Functioneel Parket (FP). Zaak 20/5310 gaat over de informatie die enkel afkomstig is van het FP.
3.Op basis van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
4.Vgl Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) 26 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:614.
5.Vgl Afdeling 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1139.
7.Afdeling 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0634, onder 4.1.
8.Afdeling 20 januari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BK9880, onder 2.8.1.