Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
[persoon A], voorheen wonende te [plaats], eiser,
het CAK
Samenvatting
.Eiser krijgt geen gelijk. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
De uit de vorderingen van de stiefdochters voortvloeiende schulden van [persoon A] zijn in overleg met de Belastingdienst voor het eerst opgenomen in de belastingaangifte van [persoon A] over 2021. Daardoor beliep haar inkomen in box 3 over dat jaar en over 2022 nihil. Dat is door de Belastingdienst aan het CAK gecommuniceerd.
Tot de nalatenschap van de vooroverleden echtgenoot van [persoon A] behoorden onder meer de aandelen in de beleggingsmaatschappij [naam beleggingsmaatschappij]. Na de liquidatie van deze vennootschap per 31 december 2022 is eiser, volgens zijn brief van 21 december 2022 aan de stiefdochters van [persoon A], overgegaan tot uitbetaling van wat hij in deze brief aanduidt als een dividenduitkering ad (in totaal) € 933.458 aan de stiefdochters.
“Eigen bijdrage 2022
7.4. De rechtbank deelt het standpunt van eiser niet. Gezien de toepasselijke wettelijke regels heeft het CAK geen ruimte om bij de vaststelling van de eigen bijdrage over 2022 enige betekenis toe te kennen aan de door eiser geschetste gevolgen voor [persoon A] van de opeisbaarheid en het opeisen van de aan de overige erfgenamen van haar echtgenoot toekomende vorderingen op haar. De toepasselijke wettelijke regels bevatten geen hardheidsclausule en daarom slaagt eisers beroep op de redelijkheid en billijkheid niet. Het staat de bestuursrechter ook niet vrij om van deze regels af te wijken door alsnog een (algemeen geldende) hardheidsclausule te introduceren.