ECLI:NL:RBGEL:2026:43

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
ARN 24_9397
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Testamentaire vordering van erfgenamen op langstlevende opgenomen in Wlz-inrichting staat niet in de weg aan opleggen hoge eigen bijdrage Wlz

In deze uitspraak van de Rechtbank Gelderland, gedateerd 7 januari 2026, wordt het verzoek van eiser, [persoon A], afgewezen om de eigen bijdrage voor de Wet langdurige zorg (Wlz) te herzien. Eiser, in zijn hoedanigheid als executeur-testamentair van de nalatenschap van wijlen [persoon A], betwist de hoogte van de eigen bijdrage die door het CAK is vastgesteld op € 2.506 per maand, met ingang van 1 januari 2022. De rechtbank oordeelt dat het CAK terecht het verzoek van eiser heeft afgewezen, omdat de eigen bijdrage is gebaseerd op de inkomensgegevens van de Belastingdienst over 2020, en er geen verzoek tot aanpassing van de eigen bijdrage is ingediend. Eiser stelt dat de testamentaire verplichtingen van [persoon A] aan haar stiefdochters, die haar vorderingen opeisbaar maakten, niet zijn meegewogen in de berekening van de eigen bijdrage. De rechtbank concludeert echter dat de wettelijke bepalingen geen ruimte bieden voor een hardheidsclausule en dat de eigen bijdrage correct is vastgesteld op basis van de geldende regelgeving. De rechtbank wijst het beroep van eiser ongegrond en bevestigt de beslissing van het CAK.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/9397

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen
[eiser]in zijn hoedanigheid als executeur-testamentair in de nalatenschap van
[persoon A], voorheen wonende te [plaats], eiser,
en

het CAK

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiser om herziening van de eigen bijdrage over 2022 op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) die wijlen [persoon A] (hierna: [persoon A]) aan het CAK verschuldigd was. Eiser is het daar niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CAK het verzoek van eiser terecht heeft afgewezen
.Eiser krijgt geen gelijk. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 20 juli 2024 het CAK verzocht om terug te komen van het besluit van 3 maart 2023. Bij dit besluit is de eigen bijdrage op grond van de Wlz met ingang van 1 januari 2022 vastgesteld op € 2.506 per maand. Het CAK heeft dit verzoek met het besluit van 6 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 december 2024 op het bezwaar van eiser is het CAK bij de afwijzing van dit verzoek gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigden van het CAK deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. De rechtbank stelt vast dat het navolgende tussen partijen niet in geschil is.
3.1.
Na een hersenbloeding in het najaar van 2017 en een daarop volgende revalidatie is [persoon A] vanaf januari 2018 tot haar overlijden op 17 april 2024 opgenomen geweest in een verpleeginstelling. Het CAK heeft in deze periode bij [persoon A] een eigen bijdrage voor de zorg in deze instelling in rekening gebracht. Per 20 september 2020 is het zorgprofiel op basis waarvan de zorg is geleverd, gewijzigd van 4 VV naar 6 VV.
3.2.
Vanwege een testamentaire bepaling in het testament van de vooroverleden echtgenoot van [persoon A] is eiser (die fiscaal adviseur van deze echtgenoot is geweest), in samenspraak met [persoon A] en haar stiefdochters, in 2022 overgegaan tot (verdere) voldoening van de vorderingen op [persoon A] van haar stiefdochters, in hun hoedanigheid van overige erfgenamen van de vooroverleden echtgenoot van [persoon A]. Een van de stiefdochters had daarom verzocht bij brief van 7 juli 2022 van notariskantoor [naam kantoor]. In deze brief aan [persoon A] staat onder meer dat, nu zij ‘reeds enige tijd in een WLZ instelling [is] opgenomen, bovendien, op grond van een redelijke uitleg van het testament van uw echtgenoot, de vorderingen opeisbaar [zijn] geworden’.Door eiser waren al eerder (in maart 2019) namens [persoon A] voorschotten op de vorderingen uit de nalatenschap aan de stiefdochters uitgekeerd, voor in totaal een bedrag van € 773.815.
De uit de vorderingen van de stiefdochters voortvloeiende schulden van [persoon A] zijn in overleg met de Belastingdienst voor het eerst opgenomen in de belastingaangifte van [persoon A] over 2021. Daardoor beliep haar inkomen in box 3 over dat jaar en over 2022 nihil. Dat is door de Belastingdienst aan het CAK gecommuniceerd.
Tot de nalatenschap van de vooroverleden echtgenoot van [persoon A] behoorden onder meer de aandelen in de beleggingsmaatschappij [naam beleggingsmaatschappij]. Na de liquidatie van deze vennootschap per 31 december 2022 is eiser, volgens zijn brief van 21 december 2022 aan de stiefdochters van [persoon A], overgegaan tot uitbetaling van wat hij in deze brief aanduidt als een dividenduitkering ad (in totaal) € 933.458 aan de stiefdochters.
Uit de door eiser in bezwaar overgelegde foto’s van de bankrekening van [persoon A] blijkt dat de bedragen samenhangend met de dividenduitkering op 6 januari 2023 daadwerkelijk zijn afgeschreven van haar bankrekening.
3.3.
Bij besluit van 3 maart 2023 heeft het CAK de hoge eigen bijdrage over 2022 vastgesteld op € 2.506 per maand. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt. Voor de berekening is uitgegaan van de gegevens die door de Belastingdienst aan het CAK zijn verstrekt over het verzamelinkomen en de daarover verschuldigde belasting over het jaar 2020. De Belastingdienst heeft het verzamelinkomen over 2020 vastgesteld op € 85.727 en het vermogen (grondslag sparen en beleggen) op € 1.533.977.
3.4.
Met het oog op de vaststelling van de eigen bijdrage voor de zorg over 2024 heeft de Belastingdienst aan het CAK meegedeeld dat het verzamelinkomen van [persoon A] over 2022 € 951.695 bedraagt. Naar aanleiding van facturen voor de op dit inkomen gebaseerde eigen bijdrage over 2024 is tussen partijen enige tijd gecorrespondeerd. Wat hierna volgt, is ontleend aan deze correspondentie.
3.5.
In een e-mail van 20 juni 2024 van het CAK aan eiser staat onder meer het volgende:

“Eigen bijdrage 2022

Een eigen bijdrage wordt altijd vastgesteld op de inkomensgegevens van twee jaar ervoor omdat wij hiervoor de definitieve gegevens ontvangen van de Belastingdienst. De eigen bijdrage 2022 is daarom gebaseerd op de inkomensgegevens van 2020. Wij hebben voor het jaar 2022 geen verzoek voor aanpassing van de eigen bijdrage ontvangen. Daarnaast is het nu bij ons bekende inkomen van 2022 hoger dan het inkomen van 2020. Wij mogen een verzoek voor aanpassen eigen bijdrage alleen in behandeling nemen wanneer een inkomen is gedaald.”
3.6.
Eiser heeft daarna in een brief van 20 juli 2024 aan het CAK meegedeeld dat [persoon A] vanaf 20 september 2020 alleen nog maar beschikte over een AOW-uitkering en een paar pensioentjes, zodat de vaststelling van de eigen bijdrage zijns inziens alleen nog kon en kan geschieden op basis van haar inkomen in box 1 van de Wet Inkomstenbelasting 2001, en niet (ook) op basis van haar inkomen in de boxen 2 en 3.
3.7.
In een e-mail van 1 augustus 2024 van het CAK aan eiser heeft het CAK eiser laten weten dat het CAK binnenkort een beslissing op het verzoek tot herziening van de eigen bijdrage over 2022 zal nemen. Het CAK wijst er in deze mail opnieuw op dat het CAK op grond van de wet verplicht is om bij de berekening van de eigen bijdrage uit te gaan van de inkomensgegevens die het CAK ontvangt van de Belastingdienst.
3.8.
Op 6 augustus 2024 volgt het besluit waarbij het herzieningsverzoek wordt afgewezen. Daaraan ligt – samengevat – het volgende ten grondslag.
Het peiljaar voor de berekening van de hoge eigen bijdrage vanaf januari 2022 blijft 2020. Het CAK berekent op grond van de toepasselijke wettelijke bepalingen de hoogte van de eigen bijdrage aan de hand van twee pijlers, inkomen en vermogen. Het CAK heeft in de inkomensgegevens die het CAK van de Belastingdienst over 2022 heeft ontvangen geen achteruitgang (ten opzichte van de gegevens over 2020) gezien. Er is weliswaar geen sprake meer van vermogen maar wel van inkomen. Het definitief verzamelinkomen bedraagt namelijk € 951.695.
Zolang van de Belastingdienst geen andere inkomensgegevens worden ontvangen, kan het CAK de hoogte van de eigen bijdrage niet aanpassen. Het CAK mag niet afwijken van de berekeningsmethodiek zoals die is neergelegd in het Besluit langdurige zorg (Blz) en de Regeling langdurige zorg (Rlz). De vaststelling van de eigen bijdrage volgens deze methode is in het algemeen en ook in de situatie van [persoon A] niet onevenredig.
De testamentaire bepaling over de opeisbaarheid van de vorderingen van de stiefdochters van [persoon A] op haar maakt het voorgaande niet anders.
3.9.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing. Op dit bezwaar is beslist met het bestreden besluit.
Wettelijk kader
4. De wijze waarop de hoogte van de eigen bijdrage wordt bepaald, is neergelegd in het Besluit langdurige zorg (Blz) en de Regeling langdurige zorg (Rlz). De voor deze uitspraak van belang zijnde bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Het geschil
5. Het geschil beperkt zich tot de vraag of het CAK het verzoek om het besluit van
3 maart 2023 waarbij de hoge eigen bijdrage over 2022 is vastgesteld op € 2.506 per maand vanaf januari 2022 te herzien terecht heeft afgewezen.
5.1.
Eiser stelt zich (primair) op het standpunt dat op [persoon A] de verplichting rustte om de vorderingen aan haar stiefdochters wegens de bij het testament van haar echtgenoot gedane overbedeling te voldoen en wel vanaf de wijziging van de grondslag van het zorgprofiel per 25 september 2020, omdat de vorderingen vanaf dat moment onmiddellijk opeisbaar werden. Daardoor konden de stiefdochters vanaf dat moment betaling verlangen van hun vorderingen. Doordat de vorderingen rentedragend waren, is de schuld die wijlen [persoon A] op dat moment aan haar stiefdochters had, opgelopen tot boven het bedrag dat wijlen [persoon A] aan vermogen had. Anders gezegd, per
25 september 2020 had wijlen [persoon A] alleen nog een klein inkomen bestaande uit een AOW-uitkering en een aantal pensioentjes. Door het CAK is dan ook ten onrechte de hoge eigen bijdrage (die meer bedraagt dan dat inkomen) in rekening gebracht vanaf januari 2022. Het vanwege de liquidatie van [naam beleggingsmaatschappij]. in 2022 aan de stiefdochters overgedragen dividend is fiscaal gezien aan te merken als inkomen uit box 2, waarover ook belasting is geheven, maar behoorde niet tot het vermogen van [persoon A]. De facturen voor de eigen bijdrage zijn voldaan door haar stiefdochters.
5.2.
Het CAK stelt zich op het standpunt dat de eigen bijdrage die vanaf januari 2022 in rekening is gebracht juist is. Voor de vaststelling daarvan is het CAK uitgegaan van de inkomensgegevens die van de Belastingdienst zijn ontvangen.
Het CAK mag het inkomen dat vanuit box 2 is genoten niet buiten beschouwing laten, ook al rustte op [persoon A] een testamentaire plicht om de vorderingen die haar stiefdochters op haar hadden te voldoen. Bovendien is het (in aanmerking te nemen) inkomen over 2022 hoger geweest dan het inkomen over 2020, zodat ook om die reden niet tot peiljaarverlegging overgegaan kan worden.
Beoordeling door de rechtbank
6. De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om de beoordeling van de afwijzing van een herzieningsverzoek. Eiser heeft het CAK immers verzocht om terug te komen van het besluit van 3 maart 2023 waarbij de hoge eigen bijdrage over 2022 is vastgesteld, terwijl tegen dat besluit geen bezwaar (en beroep) is ingesteld.
6.1.
Als een belanghebbende een bestuursorgaan verzoekt om terug te komen van een besluit waartegen geen rechtsmiddelen meer openstaan, dan kan het bestuursorgaan ertoe overgaan inhoudelijk te beslissen op dat verzoek. In het geval van eiser heeft het CAK inhoudelijk beslist op het herzieningsverzoek. Dat betekent dat de beslissing niet moet worden gezien als een weigering om terug te komen van het eerdere besluit. Het betekent ook dat de bestuursrechter de beslissing op het verzoek inhoudelijk (en niet terughoudend) moet toetsen.
Heeft het CAK de hoogte van de eigen bijdrage, die per januari 2022 verschuldigd was, op juiste wijze vastgesteld?
7. Deze vraag beantwoordt de rechtbank met ‘ja’. Dit antwoord licht de rechtbank hierna toe.
7.1.
In de artikelen 3.3.1.1. en volgende van het Blz is dwingend voorgeschreven op welke wijze en aan de hand van welke gegevens het CAK de hoogte van de eigen bijdrage vaststelt. Kort gezegd dient het CAK uit te gaan van de inkomensgegevens zoals die door de Belastingdienst worden verstrekt. Als deze inkomensgegevens niet kloppen, dan zal de betrokkene bij de Belastingdienst om een aanpassing moeten verzoeken. De toepasselijke regels schrijven (kort gezegd) voor dat niet alleen rekening wordt gehouden met het inkomen van een betrokkene, maar ook met (een gedeelte van) diens vermogen. Voor wat daarbij onder vermogen moet worden verstaan is leidend het belastbaar inkomen uit hoofde van de Wet inkomstenbelasting 2001. De inkomensgegevens bestaan uit het verzamel inkomen en het vermogen (beter gezegd: de grondslag sparen en beleggen) waarover de belanghebbende beschikt.
7.2.
De rechtbank vindt voor haar oordeel steun in de uitspraken van 7 maart 2018 [1] en 17 april 2019 [2] van de Centrale Raad van Beroep (CRvB).
7.3.
Eiser heeft niet betwist dat de door de Belastingdienst aan het CAK verstrekte inkomensgegevens van [persoon A] over 2020 en over 2022 ‘an sich’ kloppen. Eiser heeft ook niet gesteld dat het verzamelinkomen van [persoon A] over 2020 of 2022 nog op verzoek door de Belastingdienst aangepast kan worden. Eiser meent dat het CAK niettemin rekening had moeten houden met de testamentaire verplichting die op wijlen [persoon A] drukte, waardoor zij naar eiser stelt, al vanaf 25 september 2020 geen vermogen meer had. Over 2022 had [persoon A] vanwege de testamentaire verplichting zelfs (alleen) een inkomen uit box 1 dat lager lag dan de vastgestelde eigen bijdrage in de kosten van de zorg, aldus eiser.
7.4. De rechtbank deelt het standpunt van eiser niet. Gezien de toepasselijke wettelijke regels heeft het CAK geen ruimte om bij de vaststelling van de eigen bijdrage over 2022 enige betekenis toe te kennen aan de door eiser geschetste gevolgen voor [persoon A] van de opeisbaarheid en het opeisen van de aan de overige erfgenamen van haar echtgenoot toekomende vorderingen op haar. De toepasselijke wettelijke regels bevatten geen hardheidsclausule en daarom slaagt eisers beroep op de redelijkheid en billijkheid niet. Het staat de bestuursrechter ook niet vrij om van deze regels af te wijken door alsnog een (algemeen geldende) hardheidsclausule te introduceren.
7.4.
De rechtbank wijst er in dit verband nog wel op dat uit de feiten zoals weergegeven onder 3.1. en volgende blijkt dat [persoon A], anders dan eiser stelt, in ieder geval tot begin januari 2023 de beschikking heeft gehad over vermogen waarvan zij in juridische zin eigenaar was. Daarvan uitgaande had zij voldoende middelen om de eigen bijdrage te kunnen voldoen. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn stelling dat [persoon A] vanaf 25 september 2020 het economisch eigendom van de bedragen corresponderend met de vorderingen van de stiefdochters zou hebben verloren. Ook als dat het geval zou zijn, betekent dat niet dat [persoon A] in juridische zin niet meer kon beschikken over (haar) vermogen. Daaruit volgt dat de vaststelling door het CAK van de eigen bijdrage over 2022 op basis van het belastbaar inkomen over 2020 op goede gronden berust.
Heeft de afwijzing van het herzieningsverzoek onevenredige gevolgen?
8. De rechtbank heeft begrip voor het standpunt van eiser dat het onevenredig voelt dat met de vorderingen van haar stiefdochters op [persoon A] op grond van het testament geen rekening is gehouden. Dit is echter inherent aan de door de wetgever gekozen wijze van vaststellen van de eigen bijdrage. De rechtbank betrekt bij haar oordeel dat niet is gesteld dat wijlen [persoon A] hierdoor in financiële problemen is geraakt en dat haar hierdoor noodzakelijke zorg is onthouden.
9. De rechtbank ziet ook niet in dat door de afwijzing van het herzieningsverzoek aan [persoon A] eigendom in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens zou zijn ontnomen, zoals eiser ook nog heeft gesteld. De rechtbank verwijst ook hier naar uitspraken van de CRvB. [3] De rechtbank merkt verder nog op dat de uitspraken van de Hoge Raad waarnaar eiser heeft verwezen (enkel) betrekking hebben op de wijze waarop het vermogensrendement binnen box 3 (de grondslag voor sparen en beleggen) door de Belastingdienst in het verleden werd bepaald. Dat staat los van de wijze waarop het CAK de grondslag sparen en beleggen vaststelt. Ook om die reden gaat het beroep op ontneming van eigendom niet op.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Het CAK heeft het verzoek om herziening terecht afgewezen. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. van Lee, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.V. van Weert, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage bij de uitspraak – regelgeving per 1 juli 2024

Besluit langdurige zorg

Artikel 3.3.1.1
1. De verzekerde van achttien jaar of ouder draagt bij in de kosten van de zorg.
2 De eigen bijdrage is mede afhankelijk van het inkomen en het vermogen van de verzekerde en diens echtgenoot.
Artikel 3.3.1.2
1. Het vermogen van een persoon is zijn vermogensgrondslag, bedoeld in het tweede of derde lid, waarvan de volgende vermogensbestanddelen worden afgetrokken:
a. op aanvraag van de verzekerde, het bedrag ter grootte van door de verzekerde in het peiljaar of enig eerder jaar ontvangen eenmalige uitkeringen die bij ministeriële regeling van Onze Minister of Onze Minister van Financiën krachtens artikel 47 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen zijn aangewezen;
b. voor de toepassing van artikel 3.3.2.3, eerste lid, onderdeel c, en artikel 3.3.2.4, eerste lid, een bedrag van € 10.850 voor de verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en van € 10.850 voor zijn echtgenoot die:
1°. de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, of
2°. de pensioengerechtigde leeftijd niet heeft bereikt en geen bijdrage als bedoeld in artikel 3.3.2.1, eerste lid, of artikel 3.3.2.2, eerste of tweede lid, dan wel artikel 3.11, eerste lid, of artikel 3.12, eerste of tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 verschuldigd is,
met dien verstande dat het vermogen ten minste nihil bedraagt.
2 De vermogensgrondslag van een persoon is zijn rendementsgrondslag aan het begin van het peiljaar voor zover die rendementsgrondslag meer bedraagt dan het voor dat jaar van toepassing zijnde bedrag in artikel 9.4, eerste lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
3 In afwijking van het tweede lid is de vermogensgrondslag van een persoon in geval artikel 3.3.2.3, tweede lid, artikel 3.3.2.4, tweede lid, of artikel 3.3.2.5 van toepassing is, de te verwachten rendementsgrondslag over het lopende jaar voor zover die rendementsgrondslag meer bedraagt dan het van toepassing zijnde bedrag in artikel 9.4, eerste lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
4 Het deel van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, dat de vermogensgrondslag van de persoon overtreft, wordt voor zijn echtgenoot als vermindering toegepast.
5 Bij ministeriële regeling kan een periode worden vastgesteld gedurende welke het bedrag van een uitkering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan worden afgetrokken, welke periode kan verschillen per uitkering.
Artikel 3.3.1.3
1. De verzekerde is de eigen bijdrage verschuldigd aan het CAK.
2 De verzekerde betaalt de eigen bijdrage binnen dertig dagen nadat het CAK het besluit bekend heeft gemaakt waarbij vastgesteld is of en in welke omvang de verzekerde een eigen bijdrage verschuldigd is, tenzij dat besluit een later tijdstip vermeldt.
3 Het CAK is bevoegd tot verrekening van vorderingen krachtens de wet van of op de verzekerde met vorderingen van of op de verzekerde krachtens de wet, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, de Wet maatschappelijke ondersteuning of de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
4 Het CAK maakt voor de vaststelling van de eigen bijdrage gebruik van:
a. het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, en van andere door de inspecteur, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, verstrekte gegevens;
b. gegevens van het zorgkantoor over het verstrekken van zorg als bedoeld bij of krachtens de wet aan een verzekerde waaronder, indien van toepassing, de ingangsdatum van de periode waarover een persoonsgebonden budget wordt verleend.
Artikel 3.3.2.1
1. De eigen bijdrage bedraagt per maand een twaalfde gedeelte van het bijdrageplichtig inkomen, berekend volgens artikel 3.3.2.3, voor:
a. de ongehuwde verzekerde die in een instelling verblijft,
b. de gehuwde verzekerden tezamen die beiden in een instelling verblijven,
c. de gehuwde verzekerde die in een instelling verblijft en wiens echtgenoot verblijft in een instelling voor beschermd wonen of een persoonsgebonden budget voor beschermd wonen is verleend.
2 De bijdrage, bedoeld in het eerste lid, bedraagt niet meer dan € 2.887,40 per maand.
3 In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, zijn de verzekerde en zijn echtgenoot tezamen slechts eenmaal de eigen bijdrage, berekend overeenkomstig het eerste en tweede lid, verschuldigd.
Artikel 3.3.2.3
1. Het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in artikel 3.3.2.1, eerste lid, wordt als volgt berekend:
a. het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde verzekerde onderscheidenlijk de gehuwde verzekerden tezamen wordt verminderd met de door die verzekerde onderscheidenlijk die verzekerden verschuldigde of ingehouden belasting;
b. op het met toepassing van onderdeel a berekende bedrag worden in mindering gebracht:
1°.15% van de netto-opbrengst van in het voorafgaande kalenderjaar verrichte arbeid van een loon- of salarisdoorbetaling wegens ziekte of van een uitkering ingevolge de Ziektewet dan wel, indien dit onbekend of niet beschikbaar is, 15% van de redelijkerwijs te verwachten netto-opbrengst van in het lopende kalenderjaar verrichte arbeid, van een loon- of salarisdoorbetaling wegens ziekte of van een uitkering ingevolge de Ziektewet;
2°.het in het peiljaar geldende bedrag voor zak- en kleedgeld, premies voor een zorgverzekering gecorrigeerd voor de zorgtoeslag, een aftrekpost die verschillend kan zijn voor een verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en een verzekerde die die leeftijd nog niet heeft bereikt of extra vrijlatingen, een en ander volgens bij ministeriële regeling te bepalen regels;
3°.op aanvraag van de verzekerde, de in het peiljaar geldende uitkering op grond van artikel 14 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 of op grond van artikel 20 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945;
4°.de compensatie vervallen ouderentoeslag, indien het inkomen van de verzekerde die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, verminderd met 4% van de grondslag sparen en beleggen, verminderd met, voor zover van toepassing, de vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 3.3.1.2, eerste lid, onder a en b, minder dan € 21.479 bedraagt;
5°.de compensatie vervallen ouderentoeslag van de echtgenoot, indien de echtgenoot van de verzekerde de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en het inkomen van de echtgenoot, verminderd met 4% van zijn grondslag sparen en beleggen, verminderd met, voor zover van toepassing, de vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 3.3.1.2, eerste lid, onder a en b, minder dan € 21.479 bedraagt;
c. het met toepassing van onderdeel b berekende bedrag wordt vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling over het peiljaar.
2 Op aanvraag van de verzekerde stelt het CAK, in afwijking van het eerste lid, onderdelen a en c, het bijdrageplichtig inkomen voorlopig vast op basis van het redelijkerwijs gedurende het lopende kalenderjaar te verwachten inkomen, vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling van het verwachte vermogen, en de over dat kalenderjaar te verwachten belasting indien toepassing van het eerste lid, onderdelen a en c, ertoe zou leiden dat na afdracht van de bijdrage maandelijks gemiddeld minder over zou blijven dan het zak- en kleedgeld, zoals dat geldt in het lopende kalenderjaar, alsmede een bedrag in verband met de standaardpremie, vermeerderd met de inkomensafhankelijke premie Zorgverzekeringswet, bedoeld in artikel 43, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, en verminderd met de zorgtoeslag, zoals deze bedragen gelden in het lopende kalenderjaar. Het aldus berekende bijdrageplichtig inkomen wordt, om de per maand verschuldigde bijdrage vast te stellen, gedeeld door twaalf.
3 De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan uiterlijk vier maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft of uiterlijk vier maanden na de datum waarop de bijdrage op basis van het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld.
4 Indien het tweede lid is toegepast, vindt na afloop van het jaar en na ontvangst van de definitieve inkomens- en vermogensgegevens de definitieve vaststelling plaats. Indien daaruit blijkt dat niet voldaan is aan het tweede lid, vindt definitieve vaststelling plaats met toepassing van het eerste lid.
5 Inkomen dat buiten Nederland wordt belast, dan wel is vrijgesteld van belasting op grond van bepalingen van internationaal recht, wordt mede in aanmerking genomen als ware dit aan de Nederlandse belastingwetgeving onderworpen. Op aanvraag van de verzekerde wordt daarop de in het buitenland verschuldigde belasting in mindering gebracht.

Voetnoten

3.Zie onder noten 1 en 2.