Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4285

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
C/05/451782 / HA ZA 25-209
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 lid 1 RvArt. 227 RvArt. 4:145 lid 2 BWArt. 1:448 lid 1 BWArt. 1:449 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing tot hervatting procedure na overlijden materiële procespartij

In deze civiele procedure heeft de rechtbank besloten over de voortzetting van de zaak na het overlijden van de oorspronkelijke materiële procespartij. De procedure was aanvankelijk ingesteld door twee beschermingsbewindvoerders over het vermogen van de overledene. Na het overlijden heeft de executeur testamentair zich gemeld om de procedure voort te zetten.

De gedaagde stelde dat voortzetting in een andere hoedanigheid niet is toegestaan, maar de rechtbank oordeelde dat dit niet gaat om een wijziging van hoedanigheid, maar om toepassing van wettelijke regels die de voortzetting door erfgenamen mogelijk maken. De executeur vertegenwoordigt de erfgenamen exclusief in rechte en kan de procedure zelfstandig voortzetten.

De rechtbank wees erop dat het geding ten tijde van het overlijden al geschorst was vanwege mediation en dat voortzetting door de executeur de proceseconomie dient. Er is geen belang of recht aangevoerd dat zich tegen deze voortzetting verzet. De zaak wordt verwezen naar de rol voor het bepalen van nieuwe zittingsdata en verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitkomst: De procedure mag worden voortgezet door de executeur testamentair na het overlijden van de oorspronkelijke eiser.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/451782 / HA ZA 25-209
Vonnis van 13 mei 2026
in de zaak van
[naam eiser],
in hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van
[de erflater],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
advocaat: mr. M.G.W.M. Geurts,
tegen
[naam gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
advocaat: mr. W. van de Velde.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 13 augustus 2025
- de rolbeslissing van 10 november 2025
- de rolbeslissing van 11 februari 2026
- de rolbeslissing van 1 april 2026
- het rolbericht van [de eiser] van 7 april 2026
- de rolbeslissing van 29 april 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
[de gedaagde] is door [de eiser] en [de betrokkene] gedagvaard in hun hoedanigheden van beschermingsbewindvoerders over het vermogen van [de erflater] . De rechtbank heeft de zaak op 10 november 2025 in verband met mediation naar de parkeerrol verwezen. Bij rolbericht van 9 februari 2026 heeft mr. Geurts voornoemd de rechtbank bericht dat [de erflater] op [overlijdensdatum] is overleden. De mediation is zonder overeenstemming beëindigd.
2.2.
Bij rolbericht van 30 maart 2026 heeft mr. Geurts de rechtbank bericht dat [de eiser] , nu in hoedanigheid van executeur testamentair, de procedure wil voortzetten. In reactie daarop heeft [de gedaagde] verzocht om doorhaling van de procedure, althans niet-ontvankelijkverklaring van [de eiser] in haar verzoek tot voortprocederen. Volgens [de gedaagde] is de verandering van de hoedanigheid waarin zij partij wil zijn, procesrechtelijk niet toegestaan. De rechtbank heeft [de eiser] gelegenheid gegeven om zich bij akte over voortzetting in andere hoedanigheid uit te laten. Dat heeft zij gedaan, bij rolbericht van 7 april 2026. [de gedaagde] is daarna in de gelegenheid gesteld om op de rol van 29 april 2026 een antwoordakte te nemen. Die gelegenheid heeft hij niet benut, zonder uitstel te vragen. Daarom is zijn recht om een antwoordakte te nemen op de rol van 29 april 2026 vervallen verklaard.
2.3.
Aan de orde is of een van de oorspronkelijke eisers de zaak in andere hoedanigheid alleen kan voortzetten. Op zichzelf is juist dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad uit de eisen van een goede procesorde voortvloeit dat een partij in beginsel noch door wijziging van eis, noch anderszins in de loop van de procedure in een andere hoedanigheid kan gaan optreden dan die waarin zij haar vordering bij aanvang van de procedure heeft ingesteld. [1] In deze zaak gaat het echter in wezen niet om een wijziging van hoedanigheid, maar om het verbinden van procedurele gevolgen aan het overlijden van een (materiële) procespartij. Daarin voorziet de wet. Het geding kan op de voet van art. 225 lid 1 aanhef Pro en onder a Rv worden geschorst en, als uitgangspunt door de erfgenamen, ex art. 227 Rv Pro worden hervat.
2.4.
[de gedaagde] heeft niet betwist dat [de eiser] is benoemd tot executeur van de nalatenschap van [de erflater] en ook niet dat de vordering die met deze procedure is ingesteld een goed is dat tot de door haar te beheren nalatenschap behoort. Hiervan wordt dan uitgegaan. Ingevolge art. 4:145 lid 2 BW Pro vertegenwoordigt [de eiser] bij de vervulling van haar taak als executeur de erfgenamen in rechte, aan haar komt de exclusieve bevoegdheid toe om in rechte op te treden. Zij kan dus de procedure in haar eentje hervatten namens de erven.
2.5.
Dat [de eiser] tezamen met [de betrokkene] de procedure is begonnen als bewindvoerder over het vermogen van de overledene doet aan het voorgaande niet af. Het einde van het bewind en de taak van de bewindvoerder op de voet van art. 1:449 lid 1 en Pro 1:448 lid 1 aanhef en onder a BW vanwege het overlijden, is overigens eveneens een grond voor schorsing van het geding, maar dan op de voet van art. 225 lid 1 aanhef Pro en onder c Rv.
2.6.
In dit geval was het geding ten tijde van het overlijden in feite al geschorst, maar dan vanwege mediation. Met haar verzoek om hervatting in hoedanigheid van executeur wil [de eiser] eigenlijk niets anders dan toepassing van de wettelijke regels voor voortzetting van een gerechtelijke procedure door de erven in plaats van de overledene. Dat is niet in strijd met de eisen van een goede procesorde, maar dient juist de proceseconomie. Het geding hoeft dan niet eerst te worden geschorst. Een recht of belang dat zich tegen hervatting op deze wijze verzet heeft [de gedaagde] niet ingeroepen.
2.7.
De conclusie is dat [de eiser] in haar hoedanigheid van executeur in plaats van de overledene het geding alleen mag voortzetten, zoals in de kop van dit vonnis is verwerkt.
2.8.
De zaak bevindt zich in de stand dat opnieuw dag en uur van de reeds gelaste mondelinge behandeling moeten worden bepaald. De zaak zal naar de rol worden verwezen voor het opgeven van verhinderdata in dat verband.
2.9.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van
[datum] 2026,
3.2.
partijen moeten dan hun verhinderdata en die van hun advocaten opgeven voor de
vrijdagenin periode
juli tot en met oktober 2026,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.W.M. Olthof en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
512/1547

Voetnoten

1.Zie HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:587, rov. 3.3., HR 22 oktober 2004 ECLI:NL:HR:2004:AP1435, rov. 3.4, HR 12 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8483 rov. 3.13. en HR 2 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0919, rov. 4.3.