Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4183

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
ARN 25_2776
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking recht op bijstand wegens schending inlichtingenplicht en niet vast te stellen recht

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft de intrekking van het recht op bijstand van eiser over de periode van 1 november 2021 tot en met 11 september 2024 op grond van de Participatiewet. Het college van burgemeester en wethouders van Ede heeft het recht op bijstand ingetrokken omdat eiser niet heeft gemeld dat hij op geld waardeerbare activiteiten verrichtte, waaronder handel in oud ijzer, en niet woonde op het opgegeven uitkeringsadres.

De rechtbank heeft het beroep van eiser behandeld en geoordeeld dat het college terecht heeft gehandeld. Uit uitgebreid onderzoek, waaronder raadpleging van Suwinet, bankafschriften, Kamer van Koophandel-gegevens, waarnemingen door fraudepreventiemedewerkers en verklaringen van derden, blijkt dat eiser gedurende de gehele periode in geding op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht die niet zijn gemeld.

Eiser voerde aan dat het college onvoldoende bewijs had geleverd en dat het recht op bijstand ten minste schattenderwijs vastgesteld had moeten worden. De rechtbank oordeelt dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden en dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, ook niet schattenderwijs, omdat eiser geen concrete gegevens over zijn werkzaamheden heeft verstrekt.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, bevestigt de intrekking van de bijstand en wijst het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de intrekking van de bijstand wegens schending van de inlichtingenplicht en het niet vast te stellen recht op bijstand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2776

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats 1] , eiser

(gemachtigde: mr. B.J.P. Toonen),
en

het college van burgemeester en wethouders van Ede, het college

(gemachtigde: mr. A. Klok).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van het recht op bijstand van eiser over de periode van 1 november 2021 tot en met 11 september 2024 (de periode in geding) op grond van de Participatiewet (Pw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college terecht de bijstand van eiser heeft ingetrokken over de periode in geding.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college dit terecht heeft gedaan. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft het besluit tot intrekking van het recht op bijstand van eiser over de periode in geding genomen op 12 november 2024. Met het bestreden besluit van 12 juni 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een nadere reactie met bijlagen.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en namens het college: de gemachtigde van het college, de heer [persoon A] en mevrouw [persoon B]
.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser ontvangt vanaf 1 november 2021 bijstand naar de norm van een dak- en thuisloze en vanaf 8 februari 2023 naar de norm van een alleenstaande. Hij stond vanaf 8 februari 2023 tot en met 11 september 2024 ingeschreven op het adres aan de [locatie 1] in [plaats 1] (het uitkeringsadres). Naar aanleiding van een themacontrole op kentekens waarbij eiser naar voren is gekomen, heeft een fraudepreventiemedewerker van het college Suwinet geraadpleegd. Daaruit bleek dat eiser vanaf 1 januari 2020 meer dan 40 kentekens op naam heeft gehad en dat hij zes bankrekeningen op zijn naam heeft staan. Ook is het bijstandsdossier van eiser geraadpleegd. Daarop heeft de fraudepreventiemedewerker bankafschriften opgevraagd bij eiser. Gelet op de resultaten daarvan is nader onderzoek verricht naar het recht op bijstand van eiser. Onder meer zijn nadere bankafschriften opgevraagd, van zowel eiser als zijn minderjarige kinderen, is informatie van de Kamer van Koophandel en op het internet geraadpleegd, is gesproken met huismeesters van de verhuurder Woonstede en buurtbewoners over het verblijf van eiser op het uitkeringsadres, zijn op verschillende plekken waarnemingen verricht en is informatie opgevraagd en/of is gesproken met personen met betrekking tot de Volkswagen Golf waar eiser in rijdt en met betrekking tot de werkzaamheden van eiser in de handel in oud ijzer. Ook is informatie verkregen van de Wmo-consulent van eiser en van zijn contact bij de Schulddienstverlening van de gemeente Ede en is met eiser een gesprek gevoerd waarna een huisbezoek is afgelegd op het uitkeringsadres. De bijstand van eiser is geblokkeerd per 1 september 2024. Bij besluit van 1 oktober 2024 is de bijstand van eiser per 12 september 2024 beëindigd, omdat eiser niet heeft gemeld dat hij niet zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Eiser heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend, zodat deze beëindiging in rechte vaststaat. De resultaten van het onderzoek zijn vastgelegd in een rapport van 8 oktober 2024.
3.1.
Op grond van de onderzoeksbevindingen en conclusies in het rapport is het besluit van 12 november 2024 genomen. In bezwaar zijn de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan de intrekking van het recht op bijstand nader uitgewerkt in een rapport van 31 januari 2025. Vervolgens is, aansluitend bij het advies van de commissie voor bezwaarschriften, het bestreden besluit genomen. Het college heeft het recht op bijstand van eiser ingetrokken over de periode in geding, omdat eiser zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Volgens het college heeft eiser niet gemeld dat hij:
heeft gehandeld in auto’s en scooters in de periode van 1 november 2021 tot en met 22 september 2023;
gebruik heeft gemaakt van een Volkswagen Golf (kenteken [kenteken] ) die op naam van zijn dochter stond in de periode van 5 september 2023 tot en met 11 september 2024;
niet woont op het uitkeringsadres over de periode van medio 2023 tot en met 11 september 2024;
op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht in de oud ijzerhandel over de hele periode in geding
inkomsten heeft op zijn bankrekeningen, naast contante (en dus niet te verifiëren) ontvangsten over de hele periode in geding (waaronder een bedrag van € 30.000 over de periode van 1 oktober 2023 tot en met 2 februari 2024).
Volgens het college is in de hele periode in geding steeds sprake van minimaal één of twee van de hierboven genoemde omstandigheden, waardoor het recht op bijstand in de hele periode in geding niet kan worden vastgesteld.
Niet vermelden wettelijke grondslag bestreden besluit
4. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, omdat daarin niet de juiste intrekkingsgrondslag is genoemd.
4.1.
Deze beroepsgrond is feitelijk onjuist. In het advies van de commissie voor bezwaarschriften (het advies) staat dat artikel 54, derde lid, van de Pw bedoeld is als grondslag voor de intrekking van het recht op bijstand en dat dit in het besluit op bezwaar kan worden hersteld. Nu het bestreden besluit vermeldt dat dit is genomen overeenkomstig het advies en dat dit advies onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, geeft het bestreden besluit daarmee aan, dat de intrekkingsbeslissing is gegrond op artikel 54, derde lid, van de Pw.
Verrichten van op geld waardeerbare activiteiten in de oud ijzerhandel
Schending inlichtingenverplichting
5. Eiser voert aan dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden als het gaat om het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten in de oud ijzerhandel. Eiser heeft alleen vanaf het moment van ingaan van de arbeidsovereenkomst met [naam bedrijf 1] per 1 april 2024 op geld waardeerbare arbeid verricht voor dit bedrijf van zijn dochter, maar niet meer dan waarvoor hij vanaf dat moment is verloond, namelijk één uur per dag. Dat dit meer zou zijn geweest, is door het college ook niet met concreet bewijs aannemelijk gemaakt. Eiser is geen eigenaar van het bedrijf. Bovendien ziet het verrichte onderzoek niet op de hele periode in geding. Aangezien de bijstand per maand dient te worden vastgesteld, moet het college ook per maand aannemelijk maken dat eiser zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat is niet gebeurd.
5.1.
Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen. [1] In dit geval betekent dit dat het college aannemelijk moeten maken dat eiser in de periode in geding zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij (vanaf 1 april 2024 voor meer dan de aan hem verloonde uren) op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht in de oud ijzerhandel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college dit aannemelijk gemaakt. Uit de onderzoeksbevindingen in het rapport volgt namelijk dat eiser in de gehele periode in geding op geld waardeerbare activiteiten in de oud ijzerhandel heeft verricht die hij niet (in die mate) heeft gemeld. De rechtbank baseert dit op het volgende.
5.2.
Uit de onderzoeksbevindingen in het rapport volgt dat eiser een handelsonderneming heeft gehad met als hoofdwerkzaamheden ijzerhandel en autoreparatie, te weten [naam bedrijf 2] . Deze onderneming is per 28 maart 2020 uitgeschreven uit het register van de Kamer van Koophandel. Bezoekadres was de [locatie 2] in [plaats 1] . De ex-vrouw van eiser, mevrouw [persoon C] , had op hetzelfde adres een onderneming in onder meer de handel in auto’s (handelsnamen: [naam bedrijf 3] en [naam bedrijf 4] ) die is uitgeschreven uit de Kamer van Koophandel per 12 februari 2021. Eiser heeft op 10 maart 2021 verklaard dat hij eigenlijk het werk voor beide ondernemingen deed. Deze onderzoeksbevindingen dateren van vóór de periode in geding maar uit de hierna volgende onderzoeksbevindingen heeft het college kunnen concluderen dat eiser dit werk in de oud ijzerhandel heeft voortgezet.
5.3.
Uit de onderzoeksbevindingen volgt dat de onderneming [naam bedrijf 1] is gestart op 5 oktober 2022. Deze onderneming in oud ijzer en metaalhandel staat vanaf die datum op naam van de dochter van eiser ( [persoon D] ). Zij is echter geboren op [geboortedag] 2005 en was op dat moment nog geen 18 jaar. In de gegevens van de Kamer van Koophandel staat bij deze onderneming als telefoonnummer een nummer vermeld eindigend op [nummer 1] , waarvan niet in geschil is dat dit het telefoonnummer van eiser is, en staat als bezoekadres het uitkeringsadres van eiser vermeld. Het e-mailadres dat daarbij vermeld staat is: [e-mailadres] . Ditzelfde e-mailadres staat vermeld in de gegevens van de Kamer van Koophandel bij het bedrijf [naam bedrijf 4] dat op naam stond van de ex-vrouw van eiser en waarover eiser op 10 maart 2021 heeft verklaard dat hij ook het werk voor deze onderneming deed. Eiser heeft bovendien zelf over dit e-mailadres op 12 september 2024 verklaard dat dit mailadres misschien zijn mailadres van jaren geleden is. Eiser heeft verklaard dat zijn telefoonnummer wordt vermeld in de gegevens van de Kamer van Koophandel, omdat zijn dochter vaak met stage en school zit en hij dan de telefoon oppakt als er vragen zijn. Dat deze verklaring alleen zou zien op de periode vanaf 1 april 2024, zoals namens eiser ter zitting is gesteld, volgt de rechtbank niet, nu het telefoonnummer van eiser al vanaf de start van [naam bedrijf 1] in de gegevens van de Kamer van Koophandel vermeld staat. Verder staat in de historiegegevens van de Kamer van Koophandel van [naam bedrijf 1] als eerdere handelsnaam vermeld: [naam bedrijf 4] . Als eerder bezoekadres is ook vermeld de [locatie 2] in [plaats 1] . Daar woonde in de periode in geding de ex-vrouw van eiser.
5.4.
Uit de onderzoeksbevindingen volgt ook dat eiser door fraudepreventiemedewerkers van de gemeente op verschillende momenten is waargenomen terwijl hij oud ijzer aan het ophalen of afleveren was. Zo is op 12 maart 2024 gezien dat eiser bij de ingang van het kampje in [naam wijk] (aan de [locatie 2] ) oud ijzer in een vrachtwagen van [naam bedrijf 1] laadt en daarmee richting [plaats 2] rijdt. Een buurtbewoner heeft op 18 maart 2024 verklaard dat eiser vaak op het kampje is en daar werkzaamheden verricht, onder andere laadt hij met een heftruckje oud ijzer in de vrachtwagen. De buurtbewoner verklaart verder dat er regelmatig een container op het kampje/aan de voorkant van de woning van de ex-vrouw van eiser staat. Wat verderop staan op een parkeerplaats vrachtwagens, containers, volgens de buurtbewoner. Op 25 maart 2024 heeft de eigenaar van [naam bedrijf 5] verklaard dat hij eiser regelmatig met de vrachtwagen voorbij ziet rijden richting [plaats 2]. Ook op 27 juni 2024 is waargenomen dat eiser met een volle vrachtwagen met oud ijzer vertrekt en in [plaats 3] oud ijzer aflevert bij [naam bedrijf 6]. Daarna is gezien dat eiser bij drie adressen langsgaat, waarbij bij de eerste twee, waaronder de [naam school] in [plaats 1] , is gezien dat eiser oud ijzer ophaalt. Een aantal dagen later is waargenomen dat eiser om 11.30 uur op het kampje een container van de vrachtwagen aflaadt, de vrachtwagen naar het parkeerterrein rijdt en even later weer komt aangereden met een vrachtwagen met een container. Op het terrein van het bedrijf [naam bedrijf 7] te [plaats 1] laadt hij de container af en plaatst een volle container weer terug, laadt nog wat in en rijdt deze weer terug naar [naam wijk] . Diezelfde dag heeft de eigenaar van [naam bedrijf 7] verklaard dat de container(s) er al tien jaar staat en wordt gebruikt en dat de firma [naam firma] de containers brengt en haalt. Via Google Maps is de container terug te zien tot 2017. Ook op 30 augustus 2024 is gezien dat eiser met een vrachtwagen vanaf het kamp vertrok en op het industrieterrein [naam terrein] bij [plaats 4] een gesloten container ophaalde en deze naar [naam bedrijf 6] (groothandel oud ijzer) in [plaats 3] heeft gereden.
5.5.
Het college heeft bij de [naam groep] alle informatie over in- en verkoop van eiser opgevraagd. Uit de vervolgens aangeleverde gegevens is gebleken dat over de periode van 1 november 2021 tot en met 31 mei 2024 door [naam bedrijf 2] aan [naam bedrijf 8] te [plaats 2] voor ruim € 128.000 aan oud ijzer is geleverd. Op de vraag of eiser vaker bij [naam bedrijf 8] in [plaats 2] komt, heeft eiser verklaard: ‘verschillend, ligt eraan hoeveel ik gebeld word. Ligt aan de veilingen. Heb ik netjes facturen van, mijn dochter dan.’
5.6.
Verder is uit de bankafschriften van het rekeningnummer op naam van eiser (eindigend op [nummer 2]) gebleken dat hij op 21 en 24 november 2023 in totaal ruim € 1.100 heeft ontvangen voor de afvoer van panelen van het bedrijf [naam bedrijf 9] B.V. Mensen van deze firma hebben verklaard dat eiser hen heeft gevraagd of hij hun oud ijzer mocht komen ophalen. Eiser heeft dit met een vrachtwagen gedaan en heeft hen aangegeven dat de factuur aangepast moest worden naar [naam bedrijf 4] . Daarbij hebben zij een factuur overgelegd op naam van [naam bedrijf 1] en aangegeven dat eiser ook handgeschreven bonnen schrijft.
5.7.
Daarnaast hebben de fraudepreventiemedewerkers van de gemeente op 21 augustus 2024 gesproken met personeelsleden van de [naam school] . Zij hebben verteld dat zij zeker al een jaar of vijf gebruik maken van de diensten van [naam bedrijf 1] ([eiser]). Ook nog wel eens met zijn vader, maar nagenoeg altijd met eiser. Als ze oud ijzer hebben, nemen ze contact met eiser op, via het telefoonnummer eindigend op - [nummer 1] , en komt hij het halen. Zij hebben eiser herkend op een foto die door de toezichthouders is getoond. Ze hebben verklaard dat ze telefonisch ook wel eens met een vrouw hebben gesproken maar nooit met een jong meisje ([persoon D]). Dat uit de onderzoeksbevindingen niet zou blijken dat verklaard wordt dat er al die tijd zaken is gedaan met eiser, zoals ter zitting namens eiser is gesteld, volgt de rechtbank daarom niet.
5.8.
Het college heeft ook bij [naam bedrijf 6] B.V. te [plaats 3] alle informatie over in- en verkoop van eiser opgevraagd. Uit de vervolgens aangeleverde bonnen is over de periode van 8 april 2024 tot en met 30 augustus 2024 een gemiddelde maandelijkse opbrengst van € 4.025,05 gebleken.
5.9.
Uit de bankafschriften van eisers rekeningnummer eindigend op [nummer 2] volgt ook dat vanaf december 2023 tot en met 2 februari 2024 duizenden euro’s zijn bijgeschreven vanaf een bankrekeningnummer eindigend op [nummer 3] op naam van [eiser] . Ditzelfde rekeningnummer staat vermeld op een door eiser overgelegde factuur (contantbon) van [naam bedrijf 1] van 15 november 2023 als zijnde het rekeningnummer van [naam bedrijf 1] . Hetzelfde geldt voor contantbonnen van 1 december 2023 en van 4 januari 2024. Dat dit bankrekeningnummer eindigend op [nummer 3] slechts een rekeningnummer van eiser zou zijn waarmee hij eigen gelden overmaakt naar andere rekeningnummers op zijn naam en het dus niet zou gaan om middelen, zoals namens eiser ter zitting is gesteld, volgt de rechtbank daarom niet. Ook de verklaring van eiser zoals hierna genoemd wijst daar niet op. Over de periode van 1 oktober 2023 tot en met 1 februari 2024 wordt op deze bankrekening van eiser eindigend op [nummer 2] in totaal ruim € 29.800 bijgeschreven. Eiser heeft hierover verklaard dat hij deze rekening, met toestemming van een medewerker van de gemeente, heeft gebruikt voor de zaak van zijn dochter omdat zij tot haar 18e nog geen zakelijke rekening mocht openen. Dit heeft het college terecht ongeloofwaardig geacht omdat de dochter van eiser al op [geboortedag] 2023 18 was geworden. Daarnaast blijkt uit de door het college aangeleverde usb-stick met bankgegevens dat op de bankrekening van eiser eindigend op [nummer 4] op 20 april 2022 door [naam bedrijf 8] B.V. een bedrag van € 1.712 is overgeschreven. Verder blijkt uit het door het college op 8 april 2026 nog ingebrachte overzicht van bankafschriften van de bedrijfsrekening van [naam bedrijf 1] dat over de periode van 8 juni 2023 tot en met 12 mei 2024 zowel geld wordt overgemaakt naar, als ontvangen van, twee bankrekeningen op naam van eiser (eindigend op [nummer 2] en [nummer 5]). De stelling van eiser dat door hem ontvangen gelden weer zijn teruggegaan naar de onderneming van zijn dochter doen er niet aan af dat ook hiermee aannemelijk is gemaakt dat eiser werkzaamheden verrichtte in de oud ijzerhandel.
5.10.
Tot slot betrekt de rechtbank hierbij nog dat namens eiser ter zitting is aangegeven dat hij het bezwaar dat hij had gemaakt tegen de beëindiging van de bijstand per 12 september 2024 heeft ingetrokken, omdat hij, in ieder geval in september 2024, met werkzaamheden meer heeft verdiend dan de bijstandsnorm, waardoor hij geen belang had bij de bezwaarprocedure.
5.11.
Op grond van voornoemde onderzoeksbevindingen, in onderling verband en samenhang bezien, heeft het college terecht geconcludeerd dat eiser in de hele periode in geding op geld waardeerbare activiteiten verrichtte in de oud ijzer handel. De verklaring van eiser dat hij alleen vanaf april 2024 werkzaamheden verrichtte voor [naam bedrijf 1] heeft het college dan ook terecht ongeloofwaardig geacht. Dat geldt ook voor de verklaring van eiser dat het daarbij ging om één uur per dag. Reeds uit de verrichte waarnemingen volgt dat het om meer ging dan dat, net als uit de vermelding van het telefoonnummer van eiser in de gegevens van de Kamer van Koophandel en zijn verklaring over waarom zijn telefoonnummer daarbij vermeld staat. Ook het beantwoorden van de telefoon is te duiden als het verrichten van werkzaamheden. Dat zijn dochter, die een opleiding en stage volgde in de zorg, ook daadwerkelijk werkzaamheden verrichtte als eigenaar van [naam bedrijf 1] volgt niet uit de onderzoeksbevindingen.
5.12.
Eiser heeft het verrichten van deze op geld waardeerbare activiteiten, en na 1 april 2024 de omvang daarvan, niet gemeld bij het college en heeft dus zijn inlichtingenverplichting in de periode in geding geschonden.
Vaststellen van het recht op bijstand
6. Eiser voert aan dat het college niet dan wel onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het recht op bijstand over de hele periode in geding niet kan worden vastgesteld.
6.1.
Als na een schending van de inlichtingenverplichting de door de belanghebbende gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is de bijstandverlenende instantie gehouden om, indien mogelijk, op basis van de wel vaststaande feiten schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand heeft. Het eventuele nadeel voor de belanghebbende dat voortvloeit uit de resterende onzekerheden, komt daarbij wegens schending van de inlichtingenverplichting voor zijn rekening. Voor het schattenderwijs vaststellen van het recht op bijstand zijn voldoende concrete gegevens nodig. Als het bijvoorbeeld gaat om niet gemelde werkzaamheden, dan moeten er voldoende concrete gegevens voorhanden zijn over de duur en omvang van die werkzaamheden om het recht op bijstand schattenderwijs vast te kunnen stellen. Dit is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. [2]
6.2.
Vast staat dat eiser geen administratie heeft bijgehouden van zijn werkzaamheden. Hij heeft ook geen andere concrete en verifieerbare gegevens over zijn werkzaamheden verschaft, waarmee inzicht zou kunnen worden verkregen in de omvang van de door hem verrichte werkzaamheden. Sterker nog, eiser heeft helemaal niks overgelegd. Het college heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand over de periode in geding niet, ook niet schattenderwijs, is vast te stellen. Dat betekent dat het college verplicht was om op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de Pw, het recht op bijstand van eiser over de periode in geding in te trekken. De beroepsgrond slaagt niet.
6.3.
Hieruit volgt ook dat de overige beroepsgronden geen bespreking meer behoeven.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college terecht de bijstand van eiser heeft ingetrokken over de periode in geding . Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
de rechter is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 17 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4106.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 7 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:136.